Dubbeltjes, en zo

Een dubbeltje, lange tijd het kleinste geldstuk van de wereld. Zo genoemd omdat het twee stuivers waard is, dubbele stuiver. Sympathiek geldstuk, dat volgens bijgelovigen geluk brengt. Tijdens een recent bezoek aan Nederland kreeg ik bij de kassa een dubbeltje terug. Ik had gedacht, en gehoord, dat met de invoering van de Euro geldstukken hun naam verloren hadden en gewoonweg bij hun waarde genoemd werden. Daarmee zou Nederland zijn naamgeving voor afzonderlijke geldstukken verloren hebben en dat zou jammer geweest zijn. Alles met een eigen naam wordt meer eigen, minder afstandelijk. Voor geld is dat een beetje dubbel want geld is het summum van onpersoonlijk en berekenend en dat juist Nederlanders geld via naamgeving persoonlijker maken, is wat ironisch, in aanmerking genomen dat Nederlanders wereldwijd bekendstaan om hun koele zakelijkheid. Maar goed, een dubbeltje kan raar rollen en de invoering van de Euro heeft geen invloed gehad op naamgeving van muntjes, voor zover munten van dezelfde waarde zijn blijven bestaan. Dubbeltje of stuiver klinkt toch echt aardiger dan tien of vijf cent en wie goed op de dubbeltjes past komt niet zo snel voor vervelende verrassingen te staan.

Geld dat stom is maakt recht wat krom is en slim wat dom is. Daarom moet het kwartje vallen dat we in slechte tijden elk dubbeltje driemaal omdraaien voordat we het uitgeven en het is slim om onze boodschappen op de markt te doen waar een gulden een daalder waard is. Beter een duitendief dan straks geen rooie cent meer bezitten. En als we in donker economische tijden ons laatste oortje versnoepen, dreigt het licht aan het eind van de tunnel uitgeschakeld te worden, maar voor wie op z’n centen zit loopt dat zo’n vaart niet. Geld ligt niet voor het oprapen en het moet zuur verdiend worden. Zuinigheid met vlijt, als je wilt voorkomen geen stuiver meer waard te zijn. En wie weet, zwemmen we dan ooit in ons geld.

Er zijn mensen die beweren dat geld niet belangrijk is. Persoonlijk zou ik best willen dat geld minder waarde zou hebben in de huidige maatschappij, maar helaas, geld regeert de wereld en (veel) geld is de sleutel die op alle sloten past.

Er is geen duit mee te winnen om het belang van geld te ontkennen. Geld is zakelijk, onpersoonlijk, en overheidsgeld is van iedereen en dus van niemand, iets waar Braziliaanse politici maar al te goed van op de hoogte zijn. Aangezien mijn belastinggeld versus corrupte politici niet iets is waar ik vrolijk van word, beperk ik me tot wat ik leuk vind aan geld. Ik kies eieren voor mijn geld: geld versus taal, daar zie ik wel wat in. Dus, toen de kassajuffrouw “Alstublieft, een dubbeltje terug” zei, wist ik dat ik hierover moest schrijven. Met muntennaamgeving krijgt taal waar voor zijn geld, het Nederlands is rijk aan spreekwoorden en gezegden met dubbeltjes, kwartjes, daalders en duiten in de hoofdrol. Geldstukken die al lange tijd niet meer bestaan leven voort in gevleugelde uitspraken en veelzeggende spreekwoorden. De duit was een koperen geldstuk van geringe waarde die begin negentiende eeuw met de invoering van de decimalisatie van het Nederlandse geldsysteem al is afgeschaft, de tijd dat ook de daalder en het oortje het moesten ontgelden, maar gelukkig hebben hun namen niet aan waarde ingeboet. Verder leeft de maat van het dubbeltje voort in de centrale opening van elke willekeurige cd. Op de afdeling ontwikkeling audioproducten van Philips werd het muntstuk gebruikt bij het bepalen van de diameter. Zo zie je maar weer waar een klein land met een klein muntje groot in kan zijn.

Tineke Voorsluys