De plaag

Door: Peter Bosch

Grootopa zit voor het ouderdomstehuis, beschut onder het afdakje bij de intree, zijn pijpie te roken. De laatste tijd houdt hij het meestal slechts in zijn mond zonder aan te steken. De steel past precies in de afgesleten holtes in zijn gebit, de pijp hoort daar gewoon thuis. Het lichaam van de oude man ziet er nu oud en gebroken uit en als men hem zo aanziet, zal het eenieder verbazen hoe scherp en fris zijn hersens nog werken. In feite zit hij de laatste jaren gewoon oud te worden op zijn stoel, bijna zonder aanspraak, want als er iemand komt en deze ziet Grootopa zitten, veelal zien ze hem niet eens zitten, geeft deze de oude man een klopje op zijn schouder terwijl hij vraagt hoe het gaat. Tot nog niet zolang geleden haalde Opa dan zijn pijp uit de mond om antwoord te geven, maar voordat hij een woord kon zeggen was de man alweer verder gelopen omdat hij geen tijd had en zeker geen geduld om te luisteren naar het “eindeloze gepraat van een ouwe knar die toch nooit iets nieuws te vertellen heeft”. Ja, denk daar maar eens over na! Dus nu neemt Opa geen moeite meer om te proberen iets terug te zeggen. Hij knikt slechts kort met zijn hoofd. Door de jaren heen is ook zijn gevoel voor humor veranderd en eigenlijk is slechts de ironie overgebleven.

Maar, niettegenstaande dat Opa met niemand praat, weet hij drommels goed wat er om hem heen in het land en de wereld gebeurt. Hij kijkt wat tv en leest tijdschriften. Toen hij over het Nieuwe Coronavirus las, moest hij direct denken aan de Spaanse Griep die uitbrak aan het eind van de Eerste Wereldoorlog. Hij was al lang in Brazilië, gelukkig, en trouwens, hier in de regio van de Campos Gerais hebben de mensen er niet zo veel of zelfs niks van gemerkt. Maar de foto’s in de kranten over Europa waren afschrikwekkend… zelfs honden hadden een masker om. Een flauwe glimlach trekt om zijn mond, om de mens, die in de meest hachelijke tijden toch redenen vindt om te lachen en met de situatie de gek te steken.

Nu, de laatste weken, als Opa mensen langs ziet komen met een masker om, voelt hij zich toch wat sceptisch of dit wel echt helpt. Hygiënisch tegenover andere mensen is het zeker wel. Hijzelf is altijd al wat afstandelijk geweest tijdens een gesprek met andere mensen, want bij sommigen had hij bijna een paraplu nodig, zo spetterde het in het rond, vooral als het onderwerp wat fanatisme opwekte, zoals bijvoorbeeld het beleid van de coöperatie vroeger, de pispaal van de gemeente. Eén ding is zeker volgens Opa, er zullen miljoenen mensen besmet worden zij het mét symptomen of zonder er ook maar iets van te merken… met masker of zonder masker. Maar ja, niemand die Grootopa zijn opinie vraagt, dus houdt hij zijn mond wijselijk dicht. Niemand weet precies hoe dit nieuwe virus leeft en waar-ie vandaan komt. Het is geen beestje, geen plantje, geen bacterie… maar het leeft en plant zich razendsnel voort in levende cellen van het menselijk lichaam. Maar wat is het dan? Grootopa noemt het voor zijn gemak maar “dat dingetje”. Hij weet dat de hygiëne die de mensheid zich heeft aangeleerd door de eeuwen heen ontstaan is door de ziektes en plagen die de wereld geteisterd hebben. Daarom bestaan er onder de volkeren verschillende regels over wat men wel of niet mag eten en hoe dit klaargemaakt moet worden, veelal streng beschreven in religieuze geschriften.

Ook de afstandelijkheid en koelheid van begroeten die vroeger gewoon was en nog te zien is onder vele ouderen in verschillende landen komt door een besmettingsrisico dat vroeger is ontdekt en de mensen is ingeprent zodat dit praktisch in hun instinct zit. Bij een wat oudere Ier, bijvoorbeeld, hoef je niet aan te komen met “abraços” en schouderklopjes. Nee, je wordt ontvangen met een ver uitgestoken hand… en dat is het! Zo was het trouwens in Carambeí vroeger ook. Doch door de jaren heen en doordat iedereen oom en tante werd van iedereen, is deze etiquette verloren gegaan. Er was eigenlijk ook geen reden meer voor om zo afstandelijk te zijn want er kwamen niet meer van die vreselijk besmettelijke ziektes voor en die er bestonden werden weerstaan door vaccins. Dus wordt er de laatste tientallen jaren steeds hartelijker gegroet met “abraços” en zoenen op beide konen, soms wel drie keer!! Grootopa weet zeker dat déze gewoonte vast een zeker uit de mode zal raken na de coronaepidemie.

Zijn herinneringen gaan weer terug naar de Spaanse Griep die opkwam in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog, 1918. Geschat wordt dat er tijdens de paar jaren dat deze griep heerste tussen de 50 en 100 miljoen dodelijke slachtoffers gevallen zijn. Alleen al in Nederland waren er meer dan 35 duizend doden, in die tijd bijna 4 op de duizend inwoners van het land. Deze griep werd in een krant eens “de windvlaag des doods” genoemd. En in Brazilië? In Brazilië zijn er ook over de 30 duizend overleden door complicaties veroorzaakt door deze griep, maar in dit immense land werd dit niet zo goed bijgehouden en in Carambeí hebben de Nederlanders van deze kleine kolonie er praktisch niks van gemerkt. Niet van de Eerste Wereldoorlog en niet van de Spaanse Griep.

Toch hebben waarschijnlijk deze twee gebeurtenissen een belangrijke rol gespeeld voor één van de families, namelijk de Vriesmannen. De pionier Jan Vriesman, die in 1908 met zijn familie naar Brazilië kwam, verloor zijn vrouw in 1910 in Irati. Hij was altijd al een harde man, voor zichzelf en voor zijn familie, eerlijk, gelovig en een keiharde werker. Nadat zijn vrouw was gestorven is hij verbitterd en werd niet gemakkelijker in de omgang. Nadat de familie Verschoor verhuisde naar Carambeí is ook Jan Vriesman met zijn kinderen hierheen getrokken. Het was hier veel beter leven dan in Irati. Hier was frisse lucht en ruimte. En toen in 1912 en 13 ook nog de families De Geus, Voorsluys en Los kwamen, groeide hier een Nederlandssprekende gemeente, waar iedereen iedereen kende en voor elkaar zorgde in zoverre dat kon.

Maar Jan Vriesman had het niet naar zijn zin. Hij voelde zich alleen en besloot naar Holland terug te gaan om daar een nieuwe vrouw te zoeken die met hem mee wilde, terug naar Brazilië. In Brazilië een nieuwe vrouw zoeken was voor hem uitgesloten. Hij wilde geen vreemdsprekende en zeker geen katholieke vrouw. Dus, ergens in 1915 of 16 vertrok hij met zijn jongste dochter, Guurtje, voor een langdurende bootreis naar Nederland, zijn zonen Jacob, Jan, Ko en de kleine Cor van slechts 13 of 14 jaar achterlatend, belovend binnen een half jaar weer terug te komen. Het was al zeker een jaar oorlog, maar omdat Nederland neutraal was gebleven, was deze reis mogelijk. Toch was het zeer gevaarlijk vanwege de zeemijnen die de Duitsers aan de Atlantische kust en in de Noordzee geplant hadden. De reis is goed verlopen. Doch toen ze eenmaal aangekomen waren, werd de oorlog steeds bloediger en reizen per boot werd dag na dag gevaarlijker. Jan hield contact met zijn zoon Jan per brief, maar ook dat werd moeilijker. Vanaf 1916 werkte de post slechts via het Rode Kruis en veel brieven kwamen pas na maanden op het adres aan. Het grote vraagteken voor de jongens die achterbleven was “waarom komt vader niet terug?” Ze hebben nooit echt een duidelijk antwoord daarop gekregen. Er is niet ene brief die het overleefd heeft waarin dit uitgelegd is. Volgens zoon Jan was zijn oudste broer, Jacob, ten diepste teleurgesteld en wilde na een poos de brieven niet eens meer lezen. Ko wilde er niet meer over praten en vertrok uit de kolonie en Cor was eigenlijk te jong om er een eerlijk oordeel over te kunnen geven toen dit alles gebeurde.

Zoon Jan hield er ook niet zo van om over dit gebeuren te praten, maar hij heeft Grootopa wel eens verteld dat zijn vader en zusje niet zijn teruggekomen omdat deze, eenmaal in Nederland aangekomen, een zware hartaandoening ontdekte. Jaren later, in 1974, heeft één van Jans kleinkinderen Guurtje bezocht in Nederland… en ook Guurtje kon er niet zo veel over vertellen, daar was zij indertijd te jong voor vertrokken. Toch, zij herinnerde zich wel dat vader Jan wel eens opmerkte als hij hoorde over het bloederige nieuws van de oorlog die woedde in Noord-Frankrijk en België, dus heel dicht bij Nederland, – “Gelukkig zijn de jongens in Brazilië, daar is geen oorlog”. Ze hadden er die jaren natuurlijk geen idee van hoe lang de oorlog nog zou doorgaan, en de grote angst voor velen was dat Nederland alsnog in het gevecht zou duiken. Als de gebroeders Vriesman dan in Nederland zouden wonen, zouden ze absoluut zeker naar het front gestuurd zijn en dat was in die jaren praktisch een doodvonnis. En precies hetzelfde zei hij in de twee jaren dat de Spaanse Griep “huishield” en duizenden doden vergde, – “In Brazilië zijn de jongens veilig”.

Grootopa weet dat in Carambeí de vraag nog steeds is of Jan Vriesman zijn zonen hier verliet of achterliet. Tussen deze twee woorden is een verschil. Grootopa is van mening dat Jan zijn jongens achterliet, niet verliet. Hij liet ze achter omdat hij zich realiseerde, eenmaal in Nederland terug, dat ze in Brazilië veel veiliger zouden zijn en daar vast en zeker een toekomst op konden bouwen… iets wat in Nederland in die jaren héél moeilijk leek.

Aan Grootopa´s voeten liggen drie honden, vreemde honden die het ouderdomstehuis als thuis hebben geadopteerd. Ze hebben daar een heel rustig leven, krijgen restjes eten en liggen voor de rest van de dag lekker te slapen in de schaduw of de zon. Eén van de honden krabt zich en bijt zich in de huid. ”Vlooien?”- vraagt hij zich af en hij trekt instinctief zijn voeten uit de buurt van het dier. Nee, van vlooien moet hij niks hebben.

Nu hij aan vlooien denkt, moet hij opeens aan Arapoti denken waar ze in de beginjaren zestig een ware vlooienplaag hebben beleefd… en hij herinnert zich dat dit jaar de kolonie Arapoti zestig jaar wordt en dat dit misschien niet gevierd zal kunnen worden op de manier zoals dit eigenlijk gevierd zou moeten worden. Zestig jaar!

Van de allereerste pioniers van Arapotí zijn er nog maar weinig over, tenminste, van degenen die hier als volwassenen en met familie gekomen zijn. Vele ouders waren al een eind in de veertig. Voor die mensen, vooral, die al een heel leven achter zich hadden liggen in Nederland en die nu de moed hadden om ergens in het binnenland van Zuid-Brazilië een nieuw bestaan op te bouwen heeft Grootopa veel respect gehad. Ook al hebben ze veel steun gehad van de twee al bestaande kolonies, Carambeí en Castrolanda, toch is het voor rasechte Hollanders, bijna op middelbare leeftijd, niet gemakkelijk zo’n stap te nemen.

Grootopa, herinnert zich het verhaal dat een jongeman uit Arapoti hem jaren geleden vertelde en hij dwaalt in zijn gedachten terug en hij hoort de man het verhaal weer vertellen.

– “… Ik kan me nog goed herinneren hoe klein ik ook nog maar was, hoe mijn moeder reageerde toen mijn vader thuiskwam en zei dat we naar Brazilië zouden emigreren.

Ik was vijf jaar, eind 1961, middelste van vijf jongens en dan was er nog een zusje op komst. Het zou nog een jaar duren voordat we echt gingen emigreren want de emigratiedienst had mijn vader aangeraden om eerst de baby geboren te laten worden in Nederland, zodat ze allen Nederlandse rechten zouden hebben en houden… want je weet maar nooit wat er kan gebeuren in zo´n onstabiel land als Brazilië.

Moeder had eerst heel nonchalant gereageerd – “Naar Brazilië? Oh, dat is prima… maar eet nu eerst je soep maar op”. Ze was wel gewend aan de avontuurlijke ideeën van Pa, en van zijn dromen, vooral om naar een land te gaan waar hij niet hoefde te sloten. Sloten schoonmaken vond hij het verschrikkelijkste werk dat er bestond en als in latere jaren de crisis hem zo onder druk zette dat hij er maar aan dacht dat het misschien toch beter zou zijn om terug te gaan, dan hielden twee dingen hem tegen om dit besluit te nemen: ten eerste zijn trots en ten tweede het idee dat hij dan weer zou moeten sloten schoonmaken … Nee, dat nooit meer.

Doch, toen Moeder zag dat het Pa heel serieus was, en dat hij naar Den Haag ging om het idee wat beter te bestuderen, werd ze zenuwachtig. Maar niks zou Pa meer van idee doen veranderen. Interessant was dat Moe níet wou gaan, maar eigenlijk toch ook wél wou gaan. Ze hadden een heel goed leven op de oude boerderij onderaan de dijk in het kleine Zuid-Hollandse dorp. Ze verdienden best goed aan de melk en woonden dicht bij de familie. Hadden vijf kinderen en nog een baby op komst. Wat konden ze meer wensen? Maar dat was nu juist het probleem! Een heel stel kinderen en er zou maar hoogstens één boer kunnen worden, want op zo´n klein bedrijfje konden er niet méér boeren.

Voor een boer, zeker nog in die tijd, was het praktisch ondenkbaar dat hun kinderen, vooral zonen, geen boer zouden kunnen worden. Wat zouden ze dan in godsnaam moeten worden? Dominee, leraar of in het leger, net zoals vroeger altijd het geval is geweest, de oudste zoon erfde alles terwijl de jongeren het zelf moesten maken, ergens anders op de wereld.

In feite dacht Moeder zelf daar héél anders over, voor haar hoefde eigenlijk niemand boer te worden, maar voor Pa was dit wél een drukkend punt.

Nee, Moeder was helemaal niet zo blij dat Pa haar met een stelletje kleine kinderen naar een land mee wou slepen waar zij tot kort tevoren zelfs nooit van gehoord had. Ze wist alleen maar dat er in Brazilië koffie geplant werd, dat in de zevende eeuw Johan Maurits van Nassau er gouverneur van de West-Indische Compagnie is geweest… en dat een paar jaar geleden, 1958, Brazilië wereldkampioen voetbal is geworden. Dit wist ze namelijk omdat haar jongere broer gek was op voetballen.

Maar nu werd het Zuid-Hollandse gezegde – “Als je een varken naar voren wil laten gaan, trek het dan aan zijn staart”, waar. Toen de ouders en de hele rest van Moeders familie lucht kregen van Pa´s plannen kwam er van alle kanten kritiek: – “Zijn jullie hartstikke gek?… Denk erom, je gaat niet!”. Dat was tegen het zere been van Moe. Zij zelf schold Pa uit voor van alles en nog wat, maar ze duldde niet dat iemand anders verklaarde dat haar man gek was. In het kort, het is juist de zware kritiek van anderen op mijn vader geweest, die mijn moeder overhaalde om de stap toch te wagen. Dus de familie vertrok naar Brazilië eind 1962, met vijf jongens van dertien, tien, zes, vijf en twee jaar oud, en een baby, een meisje, van zes maanden.

Grootopa bijt op de steel van zijn pijp, haalt hem uit de mond, neemt een diepe teug frisse lucht en gaat weer terug in het verhaal van de jongeman.

– “ … Ik was dus een jochie van zes jaar. Ik en mijn kleinere broertjes en zusje hebben nooit één seconde last gehad van heimwee… misschien wel eens naar Opa en Oma, maar als die af en toe eens een pakket boeken en kranten stuurden, dan was dat voor ons allang goed. Wij zijn hier opgegroeid in de open lucht, vrij en altijd een paard ter beschikking, zo leefden we zoals de kinderen in Nederland het zich nooit zouden hebben kunnen indenken.

Mijn twee oudere broers hebben het wat moeilijker gehad. Die hadden veel meer met Opa en Oma omgegaan en ze lieten neven, nichten en vrienden achter. Daar hebben ze in de beginjaren best last van gehad. Ze hebben ook niet echt zo´n vrije jeugd gehad want er moest gewerkt worden. Als je het vergelijkt met nu kunnen we rustig zeggen dat de kinderen van toen zó hebben moeten werken dat het vandaag de dag als kinderslavernij beschouwd zou kunnen worden. Ze werkten overal mee op het bedrijf, melken, ploegen, gierstrooien, zaaien, alles… velen konden amper over het stuur van de trekker kijken. Maar, moet je vandaag eens vragen aan de kinderen van tóen wat zij ervan vonden. Ze zullen je stuk voor stuk zeggen dat het een prachtige tijd is geweest… misschien ook wel omdat ze niet naar school hoefden, maar moesten ploegen, rijden op de trekker… jongensdromen die uitkwamen.

Voor Pa was het ook een mooie tijd omdat hij een eeuwige optimist was en zijn hele leven van dit soort avontuur had gedroomd. Hij had maar twee problemen. Het eerste probleem was dat het geld dat hij meegebracht had uit Nederland, best een goeie duit, héél snel op was, en dat de gevreesde rooie streep bij de coöperatie een constante dreiging was. Het tweede probleem was mijn moeder. De eerste jaren hier in Brazilië zijn voor haar verschrikkelijk geweest, ze was diep ongelukkig hier. Niks was er goed. Ze leefde constant in een vergelijkingstrance tussen alles wat we hier hadden en hoe het in Holland zou zijn. Zelfs toen mijn vader een keer een heel grote worst meebracht voor de verjaardagviering van mijn oudste broer, had Moe maar één opmerking: – “In Holland maken ze worsten wel twee keer zo groot”.

Moeder heeft zichzelf toen een kruis op de rug gelegd dat eigenlijk te zwaar is geworden. Ze leefde met één been in Holland en praatte er iedere dag over. Toen we in Brazilië aankwamen, was ze een jonge vrouw van 36 jaar met pikzwart haar. Na anderhalf jaar waren haar haren witgrijs. Alles moest ze zelf doen, er was geen bakker om de hoek, geen slager met fatsoenlijk vlees die al wist wat zij lekker vond… Nee, hier waren slangen, schorpioenen en we hebben een ware vlooienplaag geleden in de kolonie… om gek van te worden. De mensen stonden ´s nachts lakens en dekens buiten uit te kloppen om zich te bevrijden van de insecten. Het vangen van tientallen vlooien in bed was heel gewoon. En dan de voor haar onuitstaanbare warmte, en geen water uit de kraan. Het water werd met de ongebruikte giertank tien kilometer ver uit een bron opgehaald. Voor haar als vrouw sleepten de dagen tergend langzaam voorbij.

Pas toen wij zelf volwassen werden, konden we begrijpen wat zij als huisvrouw met een familie van acht koppen heeft moeten doorstaan. Net als voor veel andere huisvrouwen trouwens, die uit het Nederland kwamen waar huishoudens al van de nodige gemakken waren voorzien. Het was in de kolonies in Brazilië aanpoten en afzien.

Slechts een paar jaar ná onze aankomst in de kolonie kreeg ze een maagbloeding van ellende waarvan ze nog maar net gered kon worden in het ziekenhuis in Jaguariaíva. Maar toch, hoe ze Brazilië misschien haatte in die jaren, als ze een brief schreef naar Holland, of er kwam familie over, of ze ging zelf op visite naar Nederland om Oma nog eens te zien, sprak ze nóóit één slecht woord over ons nieuwe vaderland….

Grootopa wordt gewekt uit zijn herinneringen omdat er iemand voor het gesloten hek van het Ouderdomstehuis staat. Een vrouw wil naar binnen om familie te bezoeken, maar wordt verrast door een gesloten hek … ze mag niet binnenkomen. Hij herkent de vrouw als één van de achterkleinkinderen van Jan Vriesman, die vandaag haar moeder komt bezoeken die jarig is en 99 jaar wordt. Maar het is verboden de oudjes te bezoeken en de vrouw mag niet naar binnen dus gaat ze weer weg. Opa was ook verrast toen hij hoorde dat ze allemaal in quarantaine zijn gezet “om ze te beschermen”, want als het virus híer binnenkomt dan zou Grootopa binnen een paar dagen misschien ook tot de geschiedenis behoren.

Dit artikel is geplaatst in het maandblad De Regenboog – Juni 2020