Liggen, zitten, staan en lopen

Het grote eeuwfeest van Carambeí zit erop en ligt achter ons.

Herdenkingsfeesten in de andere kolonies staan eraan te komen en als het aan de inzet van de organisatoren ligt, lopen we de kans dat het gedenkwaardige feesten worden. De mensen van de kolonies kennende, ligt dat in de lijn der verwachtingen.

Tja, en dat na honderd jaar de Nederlandse taal nog overeind staat, mag een wonder heten, in aanmerking genomen dat verschillende klanken de Portugees sprekenden zeer vreemd in het gehoor liggen en de Nederlandse grammatica? Ga daar maar eens aan staan. En daarmee zit ik dan meteen middenin mijn onderwerp voor deze keer. Hebt u er weleens bij stilgestaan hoe belangrijk zitten, lopen, liggen en staan zijn in het Nederlandse taalgebruik? Het aantal keren dat een Nederlander deze woorden gebruikt op een dag, loopt behoorlijk op; de gebruiksfrequentie reikt veel verder dan simpel ergens op zitten of liggen, op twee voeten staan of van A naar B lopen. Het ligt er natuurlijk aan of u zich voor dit onderwerp interesseert en of uw hoofd er op dit moment naar staat, maar het belang van deze woorden in onze taal is buitengewoon groot. Aan het gebruik van dit kwartet zitten een hoop haken en ogen, maar het is beslist de moeite waard om dit onderdeel van de taal even langs te lopen.

Er kan bijvoorbeeld een werkwoordstijd mee gefabriceerd worden die in het Nederlands officieel niet bestaat: “Ik liep me af te vragen waar deze keer de ‘Aan alle lezers’ over zou gaan en nu zit ik me het hoofd te breken over wat er zoal te maken is van deze veelzijdige werkwoorden”. In het Portugees zou hier de `gerundio` gebruikt worden, in het Nederlands bestaat die tijd dus niet maar we kunnen hem wel maken met zitten, staan, liggen en lopen, we zijn niet voor één gat te vangen. Het is één en dezelfde ‘tijd’ maar ga de werkwoorden a.u.b. niet willekeurig door elkaar gebruiken. Hij ‘zit’ of ‘staat’ te wachten bij de bank, dat hangt ervan af, maar niet: hij ‘ligt’ te wachten bij de bank, op de bank liggen is weer wel goed, maar dat gaat ergens anders over. Iemand ‘ligt’, ‘zit’ of ‘staat’ te slapen, je hébt van die mensen, maar hij `loopt` tv te kijken is buitengewoon onwaarschijnlijk.

Verder zijn die werkwoorden te gebruiken om een plaatsbepaling aan te geven. Edoch, het is niet heel eenvoudig een keus te maken, je zit er zomaar naast. Staat het postkantoor aan de Hoofdweg of ligt het aan de Hoofdweg? En wat doet het op de hoek; het postkantoor staat op de hoek, toch? Het boek ligt op de tafel en het bord staat op tafel; er is duidelijk verschil tussen – een fles die ‘ligt’ of één die ‘staat’ -, maar de drank ‘zit’ in de fles, of in de man en u weet: ‘als de drank zit in de man dan zit de wijsheid in de kan’, en dan loopt alles fout. En een broek dan? De spijkerbroek ligt in de kast, zit lekker en of hij goed staat, daar zit ik niet mee. De

Nederlandse kolonies liggen in Brazilië en wie daar woont zit goed. De inwoners staan hun mannetje, verder staan ze achter hun product en dat product ligt goed in de markt; ze blijven er dan ook niet mee zitten. En ‘ermee zitten’ in dit geval is weer heel wat anders dan die ‘daar zit ik niet mee’ van die broek.

Wat dat betreft zit het Portugees een stuk eenvoudiger in elkaar, het werkwoord `estar` gaat met een boog om een dergelijk probleem heen. Ik zit medelijden te hebben met mensen die Nederlands willen leren, en snap niet dat ze niet huilend weglopen omdat ze het niet meer zien zitten.

Of de taal nog honderd jaar standhoudt, valt te bezien. Het zit eraan te komen of staat te gebeuren dat dit stukje cultuurgoed verloren gaat maar gelukkig wijst alles erop dat andere culturele kenmerken blijven (be)staan. En dat zit dan wel weer goed.

Tineke Voorsluys