Wat zouden ze ervan vinden?

 

door: Peter Bosch

 

Honderd jaar. Ja, een volle eeuw. Kunnen wij ons wel indenken hoe het hier was toen Jan Verschoor voor het eerst met de trein op station Carambehy aankwam? Wat zou hij gezien hebben? En toen een paar maanden later Leen Verschoor tekende voor het eerste perceeltje land van de Brazil Railway Company, nu precies honderd jaar geleden, wat zou hij van het land gevonden hebben?

Er stonden praktisch geen bomen, alleen wat natuurlijk bos dicht aan de rivieren, onderaan en tussen de heuvelruggen, zoals kenmerkend is voor de Campos Gerais waar de regio Carambeí ook onder valt.

Kunt u zich indenken wat hij voelde om eindelijk zijn vrouw en kinderen uit het broeierige, dichte bos in de bergen van Gonçalves Júnior te kunnen halen om hier op de open heuvels in de frisse lucht en altijd waaiende wind een nieuw bestaan op te bouwen?

De wind, daar gaf een echte Zuid-Hollander niks om. Hij was wel meer gewend in Nederland. Dat deerde allemaal niks, als ze maar weg konden uit die vreselijke plek waar al zoveel vrouwen en kinderen gestorven waren, begraven in naamloze graven met slechts een houten kruisje dat de plaats aangaf waar ze lagen. Kruisjes die snel zouden verdwijnen en met deze, de ligging van het graf. Niemand zou meer weten waar en wie daar liggen. Doch, ze mogen nooit vergeten worden!

Je moet wel gek zijn om daar in dat bos te blijven wegkwijnen. Gelukkig, gek waren onze voorouders niet. Zo vertrokken de gebroeders Verschoor met hun families naar Carambeí en een paar maanden later kwam Jan Vriesman ook met zijn dochter en zoons. Allemaal lieten ze familieleden op het Vrouwen-Kerkhof achter.

Ja de wind, heerlijk, als het maar niet méér dan een forse bries was. Doch de wind van Carambeí is meestal veel sterker en als het dan stormde wist men niet waar beschutting te zoeken. Dus iedereen plantte bomen om zijn bedrijf. Meestal dennenbomen die snel groeiden en hun gebouwen beschermden tegen de eeuwige wind.

Dus het is eigenlijk de wind geweest die de kolonie zo heeft veranderd want de meeste bomen die er nu staan, zijn al bijna honderd jaar geleden geplant. Daarom is het voor ons zo moeilijk om een voorstelling te krijgen van hoe Carambeí er als kale, glooiende vlakte uitziet. Toch was het toen zo. Waardeloze grond volgens de Braziliaanse buren.

Een van de verhalen die de ronde doen, is dat toen de Hollanders hier kwamen de Braziliaanse buren dit land “Pelados” noemden, waar ze naakt of kaal mee bedoelden, en dat Jacob Voorsluys dit heeft verstaan als “Pilatos”. Daarom heet deze lange heuvelrug nog steeds Pilatos. Of dat waar is…?

Nu, honderd jaar later, beginnen velen de grote oude bomen om te hakken. Reuze dennen en eucalyptusbomen worden krakend geveld. De kolonie wordt er mooier door en het lijkt dat het minder benauwd wordt, dat we beter kunnen ademen en dat er meer licht schijnt. Op vele plekken zien we voor het eerst de horizon weer.

Honderd jaar. Wat zouden de eerste kolonisten zeggen als ze de kolonie van nu eens zouden kunnen zien? Zouden ze trots zijn of misschien hun hoofd schudden, niet begrijpen waarom we nu in een eeuwige haast schijnen te leven. Zullen ze vreemd opkijken als ze zien dat hun Hollandse nageslacht ver in de minderheid is in het nu 17 duizend inwoners tellende Carambeí?

Ja, we zijn een gemeente geworden en we hebben een echte burgemeester en een Gemeentehuis, net als vroeger in Dordt waar Jan Verschoor een eeuw geleden heeft moeten melden dat hij ging emigreren naar Brazilië.

Of zouden ze denken; nou, het is er niet erg op vooruitgegaan hier, je kan verdorie nergens fatsoenlijk meer wandelen. Ja, er is wel een asfaltweg dwars door de kolonie gelegd, de Avenida dos Pioneiros, en dat asfalt is natuurlijk wel beter dan de modderige gaten en lagen stof die er vroeger op lagen, maar het wandelen hier is onmogelijk. Iedere keer als je een motor hoort brommen, moet je in de berm duiken want dan scheurt er weer zo’n lawaaierig gevaarte vlak langs je heen.

Laten we onze voorouders, die hier als eerste pioniers kwamen, voor het gemak even grootopa en grootoma noemen. Zij die toen vertrokken zijn uit Nederland waren allemaal nog in de negentiende eeuw geboren. Wij leven nu in de eenentwintigste eeuw. Zodoende mogen we nu dus écht zeggen dat onze voorouders historie zijn en leefden in een tijd die wij ons niet meer voor kunnen stellen, maar… zij ook zeker de onze niet.

Wat zou grootopa opkijken als hij al die luxe auto’s ziet staan bij de kerk. Dat was vroeger wel anders toen iedereen lopend of met de sjees naar het kerkje kwam. En ook al lag er veel stof op de weg, daar hadden ze toen niet eens zo veel last van want er kwamen geen razendsnelle auto’s voorbij die het stof opgooiden dat een paar minuten in de lucht blijft dwarrelen.

Eén van de goede oude gewoontes van
vroeger wordt nog steeds door velen in ere gehouden, en dat is dat op zondag de familie vaak bij elkaar komt. Lekker bij opa en oma op visite. Maar nu vraag ik me af hoe onze grootopa aan zijn pijp zou lurken als hij ziet waar wij zo op de zondag op de televisie naar zitten te kijken. Ik heb zo het idee dat grootoma hem niet lang naar al dat gedoe zou laten kijken en het ding snel uit zou laten zetten.

En dan hebben we nu, honderd jaar later, misschien nog een ander probleem als onze grootoma eens om het hoekje zou kunnen kijken. Namelijk, vandaag de dag trouwen onze kinderen met Braziliaanse meisjes en jongens, vaak nog katholiek ook. Dat zou vroeger absoluut niet door de beugel gekund hebben. Toch heb ik het gevoel dat als ze de lachende gezichtjes van hun kleine achterkleinkinderen zien, ze in hun hart weten dat dit geloofsverschil maar een klein en onbelangrijk detail is.

In Carambeí is er voor het eerst gevoetbald in de jaren 30. Er was een trein die om de één of andere reden voor een paar dagen op het Carambeí-station stil is blijven staan. En zoals echte Brazilianen dat altijd doen, zetten een stelletje jongens die met de trein reisden twee stokken in de grond en zo hadden ze een doel gebouwd. De jongens van Leen Los, die in de buurt van het station woonden, zagen dat spel met de bal vol interesse aan. Het duurde maar even of ze werden uitgenodigd om mee te spelen. Zo is het voetballen de kolonie in gekomen. Daarna is deze sport nooit meer gestopt. Als er maar even niet gewerkt hoefde te worden, rolde de bal over het gras en de jongens erachter aan. Maar het werd wel een hele toer om op de zondagen te kunnen voetballen want dat was tegen de streng calvinistische regel van onze grootopa, en vooral grootoma, in. Op de zondag moet men rusten … alleen melken, dat mag wel, want een koe kun je kwalijk met een vol uier laten lopen. Maar rennen achter een bal niet.
Moesten onze grootopa’s en –oma’s ons eens hebben zien juichen voor de tv toen op zondag de wereldcup finale draaide.

De tijden zijn inderdaad veranderd. Jammer voor de taal. Het Nederlands wordt steeds minder gesproken, zelfs de Portugeestalige kerkdiensten hebben al in grote mate de overhand. Het duurt niet lang of de Nederlandstalige diensten zullen alleen nog maar in het ouderdomstehuis gehouden worden.

Toch zullen onze grootopa’s trots mogen zijn op veel dingen. De groei van de Coöperatie die ze met zoveel moeite samen hebben opgebouwd, is nu uitgegroeid tot een miljoenenzaak, en het Batavo-merk, dat ze voor het eerst in 1928 op hun kaas gebruikten, heeft nationale bekendheid gekregen en heeft een waarde die zij in hun stoutste dromen nooit voor mogelijk gehouden hebben. Zouden ze het erg vinden dat het niet meer écht van ons is? Nou ja, er zit toch nog altijd wel melk van onze koeien en vlees van onze kippen en varkens in…

In de tijd dat onze grootopa’s en –oma’s geboren werden, zo midden tweede helft van de jaren achttienhonderd, waren de meest vooraanstaande personen in de steden, en vooral in de dorpen van Nederland, de dominee, de burgemeester de dokter en de schoolmeester. Meestal ook in deze volgorde. Eenmaal in Brazilië, honderd jaar geleden, was het voor onze pioniers onmogelijk om hun kinderen te laten studeren, daar werd niet eens aan gedacht zelfs. Meester Jacob deed zijn best om de kinderen te leren lezen, schrijven, rekenen, en niet te vergeten Bijbelse geschiedenis bij te brengen, maar daar bleef het wel zo’n beetje bij. Dus we mogen gerust aannemen dat grootoma er geweldig trots op zou zijn als ze nu kon zien wat velen van haar nakomelingen geworden zijn. We hebben hier in de kolonie ingenieurs, dokters, onderwijzers, dominees, architecten, veeartsen, advocaten en noem maar op, allemaal heel belangrijke mensen … toen, in die tijd, zo rond de twintigste eeuwwisseling.

Moeten we ons eens voorstellen dat onze grootoma nu, honderd jaar later, een kerstdienst mee kon maken. Wat zouden haar gevoelens zijn? Ik zie het vrouwtje zitten. Heel streng en rechtop met de rug tegen de bank. De dienst begint in het Portugees … Oei! Een diepe rimpel komt er boven grootoma’s neus en haar mondje staat strak. Zou Hij dit wel verstaan? Ook mist oma dat de mannen netjes in pak in de kerk zitten, en de vrouwen dan, die komen zelfs in lange broek, met gulp erin nog wel! Volgens haar ging het vroeger toch wel meer volgens de regels. Een beetje bezorgd zit zij daar tussen de moderne mensen van vandaag en zij vraagt zich af of het wel goed gaat met haar uit de mouwen gegroeide gemeente. Dan staat het koor voor in de kerk op en zingt een mooi lied en even later klinken de zware basstemmen van het mannenkoor door de zaal en oma kan niet voorkomen dat ze haar ogen sluit van genieting. En wanneer daarna de Sonata groep begeleid door gitaar en orgel met zachte stemmen het Stille Nacht zingt, laat oma zich door de melodie meeslepen. Haar mond staat niet meer strak en de zorgelijke rimpel is weg. Nu weet ze zeker dat alles wel goed komt.

Voor het vieren van het Honderdjarige bestaan van onze kolonie wordt er hard aan het Historische Park van Carambeí gewerkt. Het Museum is al een paar jaar geleden opgericht om de geschiedenis te bewaren. Nu wordt er een heel park omheen gebouwd. Het is in één woord prachtig geworden. Vooral ook de beelden van mensen en dieren. Die geven een speciale sfeer aan het geheel en maken dat de bezoekers altijd even iets langer blijven kijken dan dat ze normaal hun blik snel over de dingen laten glijden.

Maar hoe zouden grootopa en -oma hierop reageren? “Gij zult u geen eigen beeld maken…” staat er in de heilige geschriften. Maar och, het is ook niet met de bedoeling van eerbied gemaakt. Men moet het zien als een schilderij of foto. Een manier om een paar speciale mensen in het licht te zetten. Zij die de moed hadden te vertrekken met vrouw en kleine kinderen, naar een vreemd land, waar ze tot dan toe misschien nog nooit van gehoord hadden. Natuurlijk gingen ze met een droom in het vooruitzicht. In de reclame die ze over Brazilië gehoord hadden, was het of ze regelrecht naar het paradijs vertrokken. Ik denk weleens dat als ze geweten hadden dat ze hier in een soort tropische groene hel terecht zouden komen, ze misschien hun avontuurlijke drift wat getemperd zouden hebben. Maar ze zijn gekomen en hebben zich er doorheen geslagen al was het vaak met de moed der wanhoop.

Als grootopa het museum inloopt en daar zoveel van hun oude spullen netjes bewaard ziet, krijgt hij een brok in de keel. Dan ziet hij daar een paar personen uitgebeeld. Hij bekijkt ze met gemengde gevoelens. Aan een kant zegt zijn streng gelovige opvoeding: “Gij zult u geen eigen beeld…”, doch aan de andere kant voelt hij zich trots op de erkenning die ze krijgen van hun nakomelingen voor wat zij, grootopa’s en –oma’s, voor deze kolonie hebben betekend. Tevreden kijkt hij rond. Wat mooi!

Buiten loopt grootopa naar het beeld van de zaaiende boer dat voor het museum staat. Ja, denkt hij, inderdaad, zo zaaiden wij vroeger in 1911, honderd jaar geleden. En dat deden we ook zo in 1912, dertien, veertien, … twintig. Jarenlang hebben wij zo moeten zaaien. Als ik nu zie wat voor machines er over het land gaan…

Grootopa loopt verder het park in maar draait zich nog even om en kijkt aandachtig naar het beeld van de zaaier en mompelt dan tegen zichzelf: “Toch wel een bietjie te klén ventjie!” Hij lurkt aan zijn pijpie en loopt genietend het mooie park in. Trots op wat hij door middel van zijn nageslacht bereikt heeft.

Dit artikel is geplaatst in het maandblad De Regenboog nummer 145 – april 2011