Carambeí – over scherpschutters en krachtpatsers

 

  • door Peter Bosch

 

Toen in het begin van de vorige eeuw onze grootopa´s en oma´s naar Brazilië vertrokken, was de Boerenoorlog in Zuid-Afrika net een paar jaar afgelopen. De verhalen over die oorlog zijn de wereld rondgegaan en hebben de boeren beroemd en berucht gemaakt als de beste schutters die er bestonden. Stuk voor stuk scherpschutters. Eigenlijk waren deze Zuid-Afrikaanse boeren al vóór deze oorlog tegen de Engelsen berucht doordat ze hele legers negerstammen slechts met een handjevol scherpschutters versloegen en soms zelfs uitmoordden.

Grootopa heeft die boeken allemaal gelezen en hij kent de verhalen van Pieter Maritz en de Wessels-familie uit zijn hoofd.

Bijna alle jongens die hier in Carambeí geboren zijn in de twintiger en dertiger jaren hebben deze boeken gelezen. Zij droomden dat ze ook zulke scherpschutters waren. Hollanders in Afrika, net als zij zelf, Hollanders in Brazilië. En in feite hebben ze dat ook getoond. In die tijd was wapenbezit en jagen op herten helemaal vrij. Geen haan die er naar kraaide als er toen een jochie van twaalf jaar met een geweer rondliep dat groter was dan hijzelf. De jongens van die tijd hebben hun dromen uit kunnen leven. Dat er geen ongelukken gebeurd zijn, is natuurlijk een waar wonder, want ze maakten zelf hun munitie. Ze vulden de hulzen met kruid, dan de kogel erop… goed aanstampen en maar schieten. Deze hulzen barstten soms wel eens naar achteren zodat de schutter de vlam in zijn gezicht kreeg. Ik denk niet dat de jongens dat aan hun papa en mama vertelden.

Grootopa weet nog goed dat de eerste Hollandse Brazilianen naar het leger moesten in Castro. De Carambeíanen zijn daar beroemd geworden als de beste schutters van de kazerne, zoals Alois Esser en Kees de Geus die kampioen is geworden tijdens zijn diensttijd. Vijfhonderd meter afstand, en hij schoot midden in de roos. Het was die dag waarschijnlijk wel windstil!

De eerste Carambeíanen die in dienst moesten, zo midden jaren dertig, voelden zich de eerste dagen niet zo op hun gemak in de kazerne. Ze waren totaal anders opgevoed dan hun Braziliaanse collega’s. Toen in 1913 de families De Geus, Los, Voorsluys en Harms in Carambeí arriveerden, vormden zij samen met de Verschooren en Vriesmannen een Hollandse bevolking van 52 personen. Zij leefden in de kolonie samen met veel Duitsers die hier al een jaar of zeven à acht woonden. Maar de Duitse kolonie liep niet goed en toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, was het al snel helemaal gedaan. Keizer Wilhelm had wel andere zorgen aan zijn grote snor hangen dan zich druk te maken over het Projekt – Landbau und Colonisation Carambehy -, in Brazilië. Dus het duurde niet lang of Carambeí was helemaal in handen van die paar Nederlandse families.

In de praktijk leefden de families in Carambeí eigenlijk als één grote familie met alle voor- en nadelen van dien. Ze hielden van elkaar, ze roddelden onder elkaar en wisten alles van elkaar en ruzieden met elkaar, maar toch … als puntje bij paaltje kwam hielden ze elkaar allemaal vast zoals broers en zusters dat doen.

Maar door deze samenleving hadden de jongens en meisjes amper contact met de buitenwereld en leefden hier in een soort beschermde oase. Dus toen onze jongens in het leger kwamen, voelden ze zich daar totaal vreemd. De taal hadden ze wel zo´n beetje geleerd, maar ze spraken het met een sterk accent waardoor ze altijd direct de bijnaam Holandes of Alemão kregen. Thuis waren ze opgevoed met bidden vóór het eten, en danken erná, en ook nog een stuk uit de Bijbel lezen ´s middags ná het eten. Maar in de kazerne kwamen ze tussen een stel van die wilde Brazilianen terecht die dat helemaal nooit deden. De jongens leerden daar dus voor het eerst een beetje werelds te leven.

Doch, eenmaal over de eerste schok heen, hadden zij het al gauw geweldig naar hun zin. Ze waren gewend om heel vroeg op te staan en de hele dag te werken tot ‘s avonds laat. Terwijl het leven in de kazerne door hun collega’s als zwaar werd ervaren, was het voor de Carambeíanen niks. Voor onze jongens was het lekker uitslapen want ze werden pas om zes uur gewekt door brullende sergeants. Thuis moesten ze vaak om vier uur opstaan om de koeien te halen en te melken.

De jonge Holandeses waren al gauw bekend als prima schutters, ijzersterk en absoluut betrouwbaar.

De meestal kleine Brazilianen, keken met ontzag naar sommige van onze reuzen. Grootopa weet nog het verhaal van Ai de Geus en Willy Verschoor. Die waren samen in het leger. Ai had de kracht van wel drie Brazilianen samen. Op een dag was hij ondeugend geweest en moest in de bak. Willy liep over het terrein toen hij opeens een brul hoorde. “Hee, Willy!!”. Verbaasd keek Willy omhoog en zag daar Ai half uit de gevangenis hangen. Hij had de tralies opengebogen zodat hij er met zijn hoofd makkelijk door kon. Stomverbaasd stond Willy naar z’n vriend te kijken. Door het gebrul van Ai kwamen er nog meer kijken wat er aan de hand was. Een kapitein vloog kwaad naar boven. “Wie heeft die tralies kapotgemaakt?” – Met gebogen hoofd torende Ai boven de kapitein uit. “Ik, Kapitein” – zegt hij dan. De kapitein keek eens naar de armen en machtige borst van onze Holandes, maar kon het toch niet helemaal geloven. “Buig ze dan weer dicht”- commandeerde hij. Ai draaide zich om, pakte de stangen beet en boog deze weer op hun plek. De kapitein was zo onder de indruk dat hij Ai maar weer losliet.

Grootopa vindt het vreemd dat hij nu in Carambeí niemand meer vindt die in het leger zit. Vroeger was dat anders. In de dertiger en veertiger jaren gingen onze jongeren naar de kazerne in Castro. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden veel jongeren die in Nederland geboren waren opgeroepen om in Nederland in het leger te dienen. Sommigen van onze Braziliaanse Hollanders moesten in Brazilië in het leger. Van de De Geuzenjongens heeft niemand tijdens de oorlog naar het leger gehoeven, daar heeft de gouverneur van Paraná, Manoel Ribas, indertijd voor gezorgd. Daan Los heeft tijdens de oorlog in Castro gelegen. Hij weet nog goed dat ze regelmatig moesten oefenen met snel paarden gereedmaken voor de strijd, mocht die eens uitbreken. Maar Daan, als echte nuchtere Hollander, vond dat allemaal maar zeer nutteloos want volgens hem zou de oorlog allang afgelopen zijn voordat zij hun paarden voor de kanonnen gesjord zouden hebben.

Later zijn er nog velen in dienst geweest. In de gelederen van Rio de Janeiro, in de jaren vijftig, toen deze stad nog de hoofdstad van Brazilië was, kon je namen vinden als Harms en Elgersma tussen al de Silva´s en Gomes’.

Daarna zelfs in nóg hogere sferen. In de jaren zeventig liepen er Aardoom- en Dijkstrajongens wacht rond het regeringspaleis in Brasilia. Dat was anders wat!

In de eindjaren zestig waren er al heel wat Carambeíanen in dienst geweest. Maar geen een die er nog echt zin in had. Eén van onze jongens, Klaas, vroeg aan een veteraan of deze geen goeie manier wist om aan de dienstplicht te ontkomen. De veteraan gaf Klaas de tip om zich heel dom te houden want “dan word je gelijk ontslagen”. Klaas maakte zich een beetje zenuwachtig want hij had nog nooit toneelgespeeld en wist niet precies hoe hij zich moest gedragen om dom te lijken. Eenmaal op de keuringsdag was Klaas aardig van streek en besloot toch maar gewoon te doen want anders kon hij weleens in de problemen komen. Hij werd naar binnen gestuurd en stond zenuwachtig in zijn onderbroek voor een man met streng gezicht waarvan hij dacht, “die vent heeft van zijn levensdagen nog niet gelachen”. De Commandant vroeg: “Náám!”. Klaas schrikt en zegt: “Wat?”. Als hij al in het leger gezeten had, was hij natuurlijk regelrecht de bak in geslingerd, maar deze keer hield de commandant zich in en vroeg: “Hoe heet jij?”. Klaas keek om zich heen en vroeg: “Wie, ik?”. De commandant barstte bijna en gaf een brul: “Eruit jij … !!!”. Dus Klaas had zijn doel bereikt al had hij nog niet precies door hoe hij dat eigenlijk klaargespeeld had.

Dus zo liepen er in die jaren in het Braziliaanse leger jongens rond die luisterden naar namen als Hennie, Haije, Auke, Kees, Leen… Alleen Klaas hoorde je niet, nee, die was het leger te slim af.

Grootopa herinnert zich één van onze Hollanders die carrière heeft gemaakt in het leger. Jan Vriesman, beter bekend als Jan Fabriek, heeft het tot kapitein gebracht en is zelfs naar Egypte gestuurd in 1960, toen de Verenigde Naties zorgden voor de bescherming van het Suezkanaal dat pas weer geopend was.

Dat men nu absoluut geen wapens meer in huis mag hebben, vindt Grootopa toch wel jammer. Ergens kan hij het natuurlijk wel begrijpen, maar toch… Het gaf vroeger een zekere sfeer, dat jagen op herten, capivara’s en vossen. Hij zal nooit vergeten hoe Kees van Jannigie hem kleurrijk vertelden hoe deze samen met Jan van Kampie drie herten hadden geschoten. Kees woonde boven op de heuvel bij het Wolvenbos en Jan had zijn bedrijf op de andere heuvel dat ‘Het Kampie’ werd genoemd. Lopend is de afstand zo’n twee kilometer maar hemelsbreed misschien zevenhonderd meter. Jan en Kees waren neven en heetten beiden De Geus van hun achternaam, en ze waren beiden met twee nichten getrouwd die allebei Jannigje heetten en Vriesman van hun achternaam. Dus alles in familie. Het was melkenstijd. Kees en Jannigje zaten onder de koe. Opeens hoorde Kees een schel gefluit. Dat moet Jan zijn! Hij liet de koe staan en ging kijken. Ja, daar stond op de andere heuvel Jan te seinen. Ze waren zo op elkaar ingespeeld dat Kees precies begreep wat Jan bedoelde. Jacht… drie herten… op het kamp… stuur je hond… wij wachten ze op in het bos… hun vluchtpad…

Kees wist precies wat hij moest doen. Ten eerste, ophouden met melken, daar zorgde Jannigje wel voor, en zijn geweer pakken. Ten tweede, zijn hond naar de herten sturen, die zal de beesten op de vlucht jagen en Jan en Kees wisten precies waar ze heen zouden vluchten, naar het bos onder aan de rivier en daar zouden de twee Nimrods de beestjes opwachten.

Even later zaten Jan en Kees verscholen in het bos, ieder aan een kant van het pad. Daar kwam het eerste hert. Jan mocht het eerst schieten want de beesten liepen op zijn land. Dus hij mikte zorgvuldig en schoot. Mis! Kees had het beest ook al op de korrel, trok de haan over en daar lag het hert, morsdood. Daar kwam het tweede hert. Jan schoot… Weer mis! Kees schoot, en daar lag het tweede hert. Kees kon uit de verte zien dat Jan helemaal overstuur was. Zoiets was hem nog nooit overkomen. Het derde hert kwam schichtig aanlopen. Het noodlot sloeg toe. Jan schoot weer mis en Kees legde het beest neer. Grootopa weet nog dat Kees Jan heeft moeten beloven dit nooit aan iemand te vertellen. ‘Natuurlijk niet’- had Kees gezegd; maar ja, zo’n prachtig verhaal is niet geheim te houden, dus diezelfde avond nog…

 

Dit artikel is geplaatst in het maandblad De Regenboog nummer 148 – Juli 2011