GROOTOPA VERTELT: OUDE SPREUKEN

 

Door:  Peter Bosch – Carambei, PR

 

Grootopa zit in de keuken aan tafel. Het is twee uur in de morgen. Het is bladstil buiten en de volle maan schijnt zó fel dat alles licht lijkt. Hij was uit bed gegaan omdat hij niet kon slapen. Hij voelt zich melancholiek. Daar heeft hij de laatste tijd vaak last van. Een paar weken geleden was er weer een oude vriend gestorven. Aart Jan de Geus, beter bekend als Arthurzinho of Ome Aart, is 100 jaar geworden. Ome Aart was een echte grootopa net als Grootopa zelf. Hij was kleinzoon van de oude Aart Jan de Geus die met zijn grote familie in 1913 in Carambei aankwam. Grootopa begint zich steeds eenzamer te voelen. Bijna al zijn oude vrienden of bekenden zijn gestorven. Er zijn nog maar een paar oudjes van de eerste generatie over.

Hij mijmert wat na over het oud worden. Iedereen wil oud worden, maar het oud zijn niet. En té oud worden helemaal niet. Als je gezond bent gaat het nog wel, maar zo gauw je jezelf niet meer kan behelpen is het leuke eraf. Grootopa’s grootste angst is altijd de gedachte geweest dat hij niet meer mag of kan beslissen waar hij naartoe wil.

Grootopa hoorde pas op tv een hilarisch verhaal. In een ouderdomstehuis ergens in Europa, hij weet niet meer waar, wonen veel oudjes die daar niet willen blijven. Ze willen naar huis en het gebeurt geregeld dat er een paar weglopen en dan gezocht moeten worden. Al gauw wist iedereen waar de oudjes te vinden waren… ze zaten altijd bij een bushalte of op een station. Toen hebben de oppassers iets heel origineels bedacht. Ze hebben vlak bij het tehuis een valse bushalte gezet. Er komt daar nooit een bus langs. En wat doen de oudjes? Zo gauw ze de poort door zijn, gaan ze op de bank van die bushalte zitten wachten op een bus die nooit komt. Doordat ze vaak ook geen idee van tijd meer hebben, blijven ze daar rustig zitten wachten… een hele morgen of middag en dan worden ze door de oppassers weer binnengehaald.

Een feit is dat als je heel oud wordt, je ook geen echte vrienden meer hebt… die zijn meestal allemaal gestorven. Heel oude mensen ontvangen visite van familie of bekenden die veel jonger zijn dan hij- of zijzelf, en de oudjes missen hun echte vrienden van vroeger. Grootopa peinst even over hoeveel vrienden iemand kan hebben. Echte vrienden, vrienden voor het leven, bij wie je je meest intieme problemen kwijt kan en bij wie je weet dat je geheimen veilig zijn. Een paar honderd Facebook vrienden? Grootopa snuift verachtelijk, daar heb je absoluut niks aan. Echte vrienden heb je vaak niet meer dan twee of drie.

Heel oude mensen worden ook niet meer echt serieus genomen wat betreft de dagelijkse beslissingen. Dat was vroeger anders. Vroeger hadden de indiaanse stammen bijvoorbeeld, hun oude wijzen. Oude mannen die een heel leven achter zich hadden en die wisten dat de samenleving in hun gemeente afhing van ethiek en moraal. Voor oorlog voeren hadden ze speciale oorlogsopperhoofden.

Ja, vandaag de dag hebben de oudjes maar weinig in te brengen. Eigenlijk wel begrijpelijk, denkt Grootopa, het zakenleven gaat ons boven de pet en het geld is een plastic kaartje. Bankbedoeningen doe je via internet op je mobieltje. De jongelui zijn onstuimig en alles moet snel gebeuren… niemand die nog echt eens iets overpeinst. Grootopa wel, hij overpeinst het leven en mijmerend trekt hij aan zijn gedoofde pijpie. Hij heeft zijn pijp uit maar houdt hem wel in zijn mond anders kan hij niet goed nadenken. Dan komt hij tot de conclusie dat hij alleen maar het soort wijsheden kan verkopen als die van een oude indiaanse of Chinese wijsgeer. De mensen zouden luisteren en het misschien interessant vinden, en misschien zou het via Facebook de wereld rond vliegen, maar er zal niks veranderen.

Grootopa weet twee Cherokee spreuken die voor emigranten in een kleine gemeente heel goed vallen, “daar waar mijn voeten staan ben ik op mijn plek” en “oordeel nooit over een ander vooraleer je twee manen lang in zijn mocassins hebt gestaan “. Heel wijs.

Een mooie spreuk die vroeger in Carambeì is gebruikt tegen een Hollandse pionier die gedurende jaren allerhande werkjes deed buiten de kolonie en zich maar niet in Carambeí vestigde, was – “Een rollende steen vergaart geen mos“. De spreuk heeft gewerkt. Jan is gestopt met zwerven, heeft hier in Carambeí een bedrijf opgebouwd en is later een leidinggevende figuur geworden.

 Nu hij aan de pioniers denkt, moet hij plots denken aan de reden waarom ze toen geëmigreerd zijn. Vaak wordt in de geschiedenisboeken geschreven dat ze een uitdaging aannamen, maar Grootopa is het daar niet helemaal mee eens. Zal er echt iemand geëmigreerd zijn alleen maar omdat het voor hem een uitdaging was? Grootopa gelooft dat niet zo. De mensen emigreren omdat hun huidige situatie niet goed is of omdat ze een moeilijke toekomst zien, zij het voor hen zelf of voor de kinderen. Vaak is het een vlucht of het volgen van een droom.

Jongere mensen gaan soms wel achter avontuur aan, maar vaak is het omdat ze weten dat ze een veilige haven achterlaten waar ze weer terug kunnen komen indien nodig. Als iemand een echt veilig en zeker bestaan heeft, gaat hij niet met vrouw en kinderen naar een onbekend land.

 Grootopa denkt weer aan de oude Aart Jan de Geus die bijna 60 jaar was toen hij emigreerde met zijn grote familie. Toch was het voor hem eigenlijk geen uitdaging naar het onbekende. Twee van zijn zonen en een schoonzoon, jongemannen met heel verstandige hoofden, waren vooruitgestuurd en hadden Aart heel goed ingelicht, dus wist hij precies wat hij hier zou vinden. Niet voor niks dat hij het aandurfde om alle schepen achter zich te verbranden om met het hele gezin naar Brazilië te emigreren en daar een nieuw bestaan op te bouwen. Hij bracht al zijn geld mee in de vorm van goud, hoorde Grootopa destijds. Aart heeft hier in Brazilië kunnen doen wat de droom is van alle boeren op aarde. Hij heeft al zijn kinderen een groot brok land kunnen nalaten. Zoiets gebeurde in Europa al in geen eeuwen. Daar erfde de oudste zoon praktisch al het onroerend bezit. De rest moest wat anders worden. Velen werden priester of officier in het leger of werden de avonturiers die achter een droom aan gingen en emigreerden naar andere landen… maar ze deden dit omdat ze geen keus hadden. De oudste zoon, die alles had geërfd emigreerde niet! Hij keek wel uit!!

 Aart Jan had volgens zeggen zijn bezit in Holland omgezet in goud. Hoe werkten trouwens de banken in Ponta Grossa rond 1900? Ponta Grossa heeft een unieke groei doorgemaakt eind jaren achttienhonderdnegentig en de beginjaren negentienhonderd vanwege de aanleg van de spoorbaan. Vandaar dat er al een bank in die stad was toen de Nederlanders hier aankwamen begin vorige eeuw. Hoe zal Aart Jan zijn goud bewaard hebben? Zal hij het in een kluis van de bank bewaard hebben of ergens omder de vloer van het kaashok hebben begraven. Grootopa is hier altijd heel nieuwsgierig naar geweest.

Toen Aart Jan stierf in 1929 hadden dus alle kinderen recht op een deel van zijn vee en land. Ook de twee dochters die nog in Holland woonden. Grootopa herinnert zich wat Bas hem vertelde. Bas was een kleinzoon van Aart Jan. Hij was zoon van één van de dochters die in Holland gebleven waren. Hij was misschien net tien jaar toen de familie in 1930 bericht kreeg over de erfenis in Brazilië… 26 stuk vee en 400 hectare land. Toen hij dit trots op school vertelde, geloofde niemand dit omdat zo veel land in Holland alleen maar voor miljonairs was weggelegd.

Een bekende gezegde in de kolonie was “daar zit een ‘luchie’ aan” , als er iets niet helemaal betrouwbaar was. Nu hij aan ‘luchie’ denkt, herinnert Grootopa zich een prachtig voorval. Het was beginjaren zeventig. Een boer van Arapoti had last van zijn ingewanden en moest ten einde raad naar een specialist in Ponta Grossa. Hij had niet genoeg zelfvertrouwen om zelf de bijna 160 kilometer over een gevaarlijke grondweg te rijden, dus reed hij met iemand mee. Het onderzoek was volgens de boer een heidens iets. Hij werd als een kikker opgeblazen en toen “vanachteren gegrepen”. Al de lucht die in hem gespoten was moest er later natuurlijk weer uit, en het eerstvolgende uur na het onderzoek was dan ook een luidruchtige periode. Nadien dacht hij dat het gevaar wel geweken was en hij liep het ziekenhuis uit naar de auto waar de chauffeur zat te wachten. “En… hoe gaat het?” – vroeg de man aan de boer. ”

“Ach” – zei de boer zielig kijkend – “ik verstond de dokter niet zo goed, maar ik geloof dat het met wat medicijnen wel te beteren is. Hij heeft me tenminste een hele lijst voorgeschreven” – de boer liet hem het doktersvoorschrift zien.

De terugweg verliep aardig, maar duurde lang en de gaten van de weg deden geen goed aan de boer zijn buik. Zijn ingewanden borrelden steeds meer en hij had steeds meer moeite om de gasbel tegen te houden. Hij vroeg de chauffeur even te stoppen om te plassen… zogezegd. De boer stapte de auto uit en liet zich verlichten. Wat een opluchting. Hij vergat zelfs te plassen. De boer klom de auto binnen en daar gingen ze weer, al hobbelend over de rot weg. Het duurde maar een kwartier of het was weer mis. De boer kon het niet meer harden en het zweet liep over zijn voorhoofd. De chauffeur had niks in de gaten en praatte aan één stuk door, met het zijraampje wijd open en zijn arm achteloos naar buiten hangend. Toen kon de boer het niet meer houden, zachtjes opende hij zijn sluis en het gas suisde geruisloos naar buiten. Ffffffffffffffffffffffff……..

De boer voelde als een wonder de pijn samen met het gas verdwijnen. Wat een opluchting! Maar toen kwam de stank. Verschrikkelijk. Het werd gewoon heet in de auto. De chauffeur gooide plots zijn arm naar binnen, hij greep het stuur stevig vast en zei met stokkende stem – “Goeie God… een dood beest!!”, en hij draaide bliksemsnel het raampje dicht!!!! De boer zag dit gebeuren. Hij bekaaide bekant zelf ook, vertelde hij Grootopa later. De situatie was hachelijk en hilarisch tegelijkertijd en hij kon het bijna niet laten om in een bulderende schaterlach uit te barsten. Maar hij kon zich inhouden.

Na een poosje kokhalzen besloot de chauffeur het raampje weer te openen en voorzichtig snoof hij de frisse buitenlucht in, bang dat het nog steeds niet te harden was. Toen hij voelde dat de lucht buiten veilig en schoon was draaide hij het raampje helemaal open en even later was het leed geleden. Hoofdschuddend zei de boer langs zijn neus weg, heel onschuldig, – “Tsjonge, wat kan een dood beest stinken, hé!?”.

Grootopa sloft weer naar bed. Hij voelt zich nog steeds zorgelijk over de toekomst, maar dan schiet hem het beste gezegde in dat er voor hem bestaat. Het is geen oude Chinese wijsgeer die dit gezegde bedacht heeft, nee, het is een gezegde dat een Zuid-Hollandse boer uit Arapoti gebruikte als iedereen in het nauw zat, – “Mensen maak je niet druk want morgen schijt er misschien een kraai die vandaag nog geen kont heeft!”.

Vol goede moed kruipt Grootopa weer onder de dekens.