GROOTOPA VERTELT: OP DE WEI

 

Door: Peter Bosch – Carambeí, PR

 

Grootopa is vroeg opgestaan en gaan wandelen. Het is rond halfzes in de ochtend en het schemerlicht zal al gauw door de zonnestralen vervangen worden. Opa ziet dat het een mooie dag wordt en wandelt in gestadige pas door, de frisse ochtendlucht diep in zijn longen ophalend. Het heeft al een paar dagen achtereen geregend en al die dagen was het weer grauw, nat en vies, maar vandaag zal de zon gaan schijnen, en de wereld zal weer mooi lijken. Hij loopt langs een melkboerderij waar de bedrijvigheid te horen is aan het zoemen van de melkmachine en het rammelen van een emmer. Hij voelt de warmte uit de schuur komen. Dan ziet hij dat er een kleine vrachtwagen staat met hoge hekken en een trekker met voorlader is bezig iets op de bak te laden. Opa staat stil en kijkt eens goed naar wat er aan de hand is. Hij kan eerst niet goed zien wat er op de voorlader ligt dat ruw op de bak van het vrachtwagentje geloosd wordt. Plots ziet hij dat het een koe is. Eerst denkt hij dat ze dood is, maar dan hoort hij een zwak gekreun… de koe leeft nog. Aan de vreemd kromgebogen rug ziet Opa dat het beest zijn rug gebroken heeft. Opa kijkt eens in de stal en heeft gelijk door wat er gebeurd is, de vloer is van spekglad cement gemaakt en daarbij nat en onder de stront. Het beest is natuurlijk heel ongelukkig uitgegleden en heeft daardoor haar rug gebroken. Voor de boer een groot verlies. En om het verlies een beetje te minderen heeft hij een slager uit Campo Largo laten komen, één die overal verongelukte dieren opkoopt. Deze slager komt altijd ´s nachts of ‘s morgens heel vroeg, zodat hij geen last krijgt met de politie, want deze hele business loopt zwart. Grootopa had te doen met het beest, een gebroken rug, met de laadschop op een vrachtwagen gemikt worden als een stuk oud vuil en dan ook nog een anderhalf uur moeten rijden tot de slagerij waar ze waarschijnlijk met een grote voorhamer de hersens ingeslagen zal worden.

Opa loopt maar snel door, zijn ochtendwandeling is verpest. Vegetariër zal hij worden… hij hoeft nooit geen vlees meer, alleen maar groente. Alleen maar groente? Dat vindt Opa toch wel een rare gedachte. Moet je eens indenken, alleen maar sla, tomaten en komkommer. Nee, dat gaat toch wel wat te ver, minstens zo nu en dan toch ook maar een eitje of een stukkie vis… en zo nu en dan een lekker stukje karbonade. Na wat beter nadenken, besluit Grootopa toch maar geen vegetariër te worden, maar het vlees dat hij gaat eten komt voortaan alleen maar bij de Perdigão of Sadia vandaan, daar worden de dieren tenminste pijnloos gedood, in zoverre dat mogelijk is. Opa denkt aan Hendrik Harms van vroeger, hoe zal die de beesten geslacht hebben? Dat ging waarschijnlijk ook niet zo diervriendelijk, maar één ding is zeker, Hendrik martelde zijn varkens absoluut niet vóór het slachten. Opa loopt door en mist de prachtige zonsopkomst helemaal. Hij kan het beeld van die arme koe niet vergeten. Dierenbeulen, zegt-ie hardop. Maar wat kan hij daar nu aan doen? Dan krijgt hij ineens een goed idee, hij gaat het alle mensen vertellen door in het Maandblad te schrijven wat hij gezien heeft. O zo, hij gaat de macht van het geschreven woord gebruiken!!

Ja, Grootopa noemt De Regenboog nog steeds Maandblad en vindt eigenlijk dat de naam nooit had moeten veranderen. Hij denkt aan vroeger toen Keimpe dit blad praktisch alleen schreef. Het mooiste van al vond Opa de kleine stukjes met de intelligente humor van de drie personages die Keimpe verzonnen had: Krampie, Kastrie en Poti… Carambeí, Castrolanda en Arapoti. Deze personages liet hij op leuke wijze heel in het kort een situatie beschrijven. In die jaren was er geen telefoon, geen televisie, niks. In Castrolanda en Arapoti luisterde men naar radio Hilversum, iedere avond, en dan moesten de kinderen heel stil zijn want vader en moeder wilden geen woord missen. Zodoende wist men in de kolonies praktisch meer van Nederland en van het wereldnieuws dan van wat er in de kolonies gebeurde, hoewel de afstand tussen de kolonies helemaal niet zo groot is, voor Braziliaanse begrippen natuurlijk. Daarom was het Maandblad toen zo belangrijk! Zo kwam men tenminste iets te weten van hoe het in de andere kolonies reilde en zeilde.

Grootopa loopt langzaam de berg op. Het is vroeg en hij kan lekker midden op de weg lopen want er rijden nog geen auto’s en zo hoeft hij niet zo op zijn stappen te letten, want er liggen nog steeds bagger en waterplassen langs de weg, en kan hij lekker door mijmeren. Als hij zo denkt aan de geschiedenis van de kolonies krijgt hij een gevoel van dankbaarheid aan die paar mensen die er de moeite voor genomen hebben om deze op te schrijven. Als zij dat niet gedaan hadden, zouden de prachtige boeken die van het jaar uitgekomen zijn ter ere van het honderdjarig bestaan van Carambeí, zeer zeker niet compleet geweest zijn. Hij denkt aan Keimpe, Henk Kooy en Borger in Carambeí, in Castrolanda aan mevrouw Kiers en in Arapoti aan Bronkhorst, Floor Bosch en Tiny Salomons. De boeken die zij geschreven hebben, worden met het jaar waardevoller.

Diep in gedachten verzonken loopt Opa verder met zijn uitgebrande pijp scheef in de mond. Hij ziet de plas baggerwater niet liggen en stapt er met één voet pardoes middenin. Opa is ineens weer helemaal wakker en vergeet alle historie. Verdorie, zijn schoen en sok zijn drijfnat. Nou ja, die worden thuis wel weer gewassen in de wasmachine en droger. De vrouwen van vandaag hebben toch maar een kattenleven vergeleken met vroeger, kleren-wasmachine, vaat-wasmachine of een dienstmeid die alles doet. Nee dat ging vroeger wel even anders en Opa denkt aan toen ze hier pas waren, in de beginjaren negentienhonderd. In de stad was wel zeep te krijgen maar dat was duur spul dus maakten de pioniers het zelf van vet en soda. De eerste keren dat ze het maakten kwam er een vreselijk stinkend spul uit hun toverpot, maar met de tijd kregen ze het proces redelijk onder de knie en maakten ze zelf zeep om kleren, vaat, kinderen en zichzelf te wassen. Hij kan zich het recept nog aardig herinneren. Het vet kwam voornamelijk uit de ingewanden van geslachte varkens en koeien, soms werd ook het vet van de buik van het varken gebruikt, maar dit werd toch liever gebruikt om spek van te maken. Hieraan werd een zekere hoeveelheid soda toegevoegd en dan werd dit mengsel opgewarmd in een grote ijzeren of bronzen pan op laag vuur om langzaam tot het kookpunt te komen, dat moest wel zo´n twee uur duren. Gedurende het opwarmen werd het mengsel met een houten lepel constant in beweging gehouden, tot het vet helemaal gesmolten was. Als de inhoud mooi egaal was, zonder stukjes, als een gladde pasta, werd het in houten vormen gegoten en voor twee dagen op een koele plaats gezet, beschermd tegen zon en regen, tot het hard was geworden. Dan werd het in stukken gesneden en zo hadden ze voor een paar maanden zeep. Het hele gedoe stonk natuurlijk wel, maar als het proces goed gebeurde, waren de kleren die ermee gewassen werden prachtig schoon en roken ze best fris… en vroeger gebruikte iedereen deze zeep dus een geurtje meer of minder maakte ook niks uit. Alleen op feestdagen, dan wil iedereen op zijn mooist wezen.

Het vertier in Carambeí was vroeger vooral gebaseerd op picknicken en kamperen. Dit werd dan gedaan op mooie plekjes in de natuur, liefst dicht bij een rivier met een mooi zwemplekje onderaan een kleine waterval. Kamperen ging met een paar families tegelijk, ouders en kinderen, meestal ook echt familie van elkaar. Dat waren dan prachtige dagen en de kinderen genoten met hun ouders die dan ook de grootste lol hadden, meestal wat opgehitst door de pinga en caipirinha’s. Opa ziet Daan nog net als Tarzan van de ene boom naar de andere slingeren, en ome Siebe een lied zingen – ‘ik drink nooit geen pinga meer alleen maar koffie en capilé…’,- wat dat ook betekenen moge.

De grote feesten werden gehouden op de wei. Dan kwamen alle mensen van de kolonie, ook de Brazilianen uit de Vila. Iedereen feestte mee. Er werden spelletjes gedaan te voet en te paard voor groot en klein. De winnaars kregen dan een prijs, en de eerste prijs was wel iets heel speciaals voor die tijd… een reep chocola. Vandaag de dag liggen de supermercado’s er vol mee, maar toen, in de jaren dertig en veertig, was chocola een rariteit. Toch waren er die liever iets nuttigs hadden. Grootopa herinnert zich nog dat Kees de eerste prijs haalde met ringsteken te paard. Trots stapte hij naar voren om zijn premie te ontvangen, maar toen ze hem een reep chocola toereikten, stak hij zijn hand niet uit. De ceremoniemeester keek hem niet begrijpend aan, toen zei Kees – ‘Ik heb liever de tweede prijs’ – dat waren mooie zilveren sporen. Ja, Kees had met zijn vooruitziende blik wel in de gaten dat die reep chocola de volgende ochtend op zou zijn en dat hij hem waarschijnlijk ook nog zou moeten delen met zijn broers en zusters, dat waren er een stuk of tien, terwijl de zilveren sporen over zeventig jaar nog aan de muur van één van zijn dochters zouden hangen.

Het eten op zulk een groot feest was altijd brood met churrasco. De grote lappen vlees werden een avond van tevoren in tonnen met azijn, zout en uien gedaan om de hele nacht te marineren. De volgende dag werden de lappen aan vlijmscherpe houten spitten geregen en dan boven gloeiend vuur gehangen dat in een geul gemaakt was en waarvan de vlammen niet te hoog mochten zijn anders verbrandt het vlees van buiten en is het van binnen nog rauw. Churrasco maken was de specialiteit van de Carambeianen. De Castrolenadezen en Arapotianen konden er niks van. Als er op de fokveedag in Arapoti churrasco gemaakt moest worden, werden er dan ook specialisten uit Carambeí gehaald… de neven Willy en Daan Los. Prachtig was dat om te zien, Daan mager en pezig, Willy groot, dik en sterk en eeuwig met een sigaret in zijn mond. Alle twee een hoed op en daar stonden ze dan met bloeddoorlopen ogen van de rook de groene immigranten van Arapoti vlees te voeren. Het vlees bakken was voor de kinderen van Arapoti helemaal prachtig om te zien. De jongetjes van rond de acht tot tien jaar, bijna allemaal met kaal geschoren koppies met alleen een kuifje haar op het voorhoofd, stonden daar rustig de hele ochtend naar te kijken. Je moest wel echt boerenbloed in je aderen hebben vloeien wilde je liever naar de koeien kijken dan naar die twee Carambeiaanse helden die hun sigaret oprookten zonder hem zelfs maar één keertje uit de mond te halen, en als die op was werd er gelijk weer een andere aangestoken. Met open mond stonden de jongens te kijken als Willy en Daan met schorre stem met elkaar spraken, in het Portugees, dat klonk helemaal stoer natuurlijk, de sigaret scheef in de mond en terwijl ze praatten kwam de rook door hun neusgaten naar buiten. Dát was nog eens roken. En volgens de jongetjes van Arapoti konden zelfs Old Shatterhand en Lucky Luke niet zo goed roken als de cowboys uit Carambeí.

Als je de namen van de Carambeianen in de verhalen van vroeger hoort, raak je in de war. Ze heetten allemaal Jan, Leen, Leentje, Willy, Hennie, Lolke, Bauke en dat geeft de grootste verwarring, want je weet namelijk nooit precies over wie men het eigenlijk heeft, opa, vader, zoon of neef? En dan nog, Leentje, Willy en Hennie waren namen die werden gebruikt voor jongens én voor meisjes dus dat was helemaal verwarrend. Als je in de jaren zestig, zeventig heel hard door de kerk zou roepen – ‘Jan en Leen, kom naar buiten’-, was in een klap de halve kerk leeg. Maar daar is natuurlijk wat op gevonden. Eerst kregen alle Leenen als roepnaam de naam van hun vader bijgevoegd. Zo hadden we hier Leen-Wim, Leen-Jaap, Leen-Ai, Leen-Gijs, Leen-Bas, bijvoorbeeld, maar toen ze groter werden kregen ze andere bijnamen. Daar waren ze in Carambeí vroeger trouwens heel sterk in. Grootopa probeert zich er een stel te herinneren:- Leen potlood, Jan biciclet, Jan winkel, Jan fabriek, Jan kampie, Leen meu fio, Chicletão, Chico pança, Chico poeira, Vaca, Tio pé, Zebu, Mole, Coelho, Sapo, Berne, Dentinho, Picante, Pincha, Wim kip, Tutus, Bossie, Gigante, Fonfon en ga zo maar door. We hebben er zelfs tussen van wie de meeste mensen waarschijnlijk de echte naam niet eens weten zoals Chanco en Panoka, bijvoorbeeld.

Dus werden de mensen van de andere kolonies vroeger onderwezen door de Carambeianen, hoe je hier moest overleven. En niet alleen van die kleine dingen zoals churrasco bakken, nee, ook in het zakelijke leven.

Toen de Castrolanda-groepen arriveerden in de beginjaren ‘50, hadden deze in Nederland al een coöperatie voor Castrolanda gesticht, doch de statuten werden in Brazilië niet goedgekeurd en moesten aangepast worden aan de Braziliaanse wetgeving. Dat is toen gedaan door Keimpe van der Meer. Met dit probleem eenmaal opgelost kon deze coöperatie samen met de coöperatie van Carambeí een Centrale Coöperatie vormen, wat het zakelijke leven in het begin van de nieuwe kolonie natuurlijk erg vergemakkelijkte. De nieuwelingen uit Castrolanda waren in Nederland praktisch allemaal lid van één of andere coöperatie geweest en kwamen natuurlijk met veel nieuwe ideeën aanzetten, maar die werden meestal niet met het verwachte enthousiasme door de Carambeianen ontvangen, en dat gaf nogal wat wrijving. Dus de bestuursvergaderingen van de Centraal waren nou niet direct evenementen waar de afgevaardigden van Castrolanda en Carambeí iedere maand weer zo graag naar toe gingen. Zeker niet. Maar toch liep de zaak goed en het belangrijkste was dat men groeide.

Hoewel allemaal Nederlanders, waren de mensen van Castrolanda toch anders dan die van Carambeí. Er is niks wat de mens onderling sterker bindt dan de taal. Het waren allemaal Nederlanders, maar toch… Er is nooit een homogenere groep emigranten naar Brazilië gekomen dan de mensen van Castrolanda. Deze kwamen hoofdzakelijk uit het noordoosten van Nederland – Groningen, Drenthe en Overijssel. Zij konden onder elkaar aan hun dialect precies horen wie uit welke provincie kwam, maar voor de Carambeianen klonk het allemaal hetzelfde. Ze spraken heel snel en slikten de woorden half in. Zo was er op een dag afgesproken dat Jan van Kampie een paar nieuwe boeren uit Castrolanda zou ontvangen omdat ze batata-doceranken wilden kopen. Jan was net wat stro in de kalverhokken aan het strooien toen de visite arriveerde. Het waren een paar vrolijke en snelpratende jongens van Rabbers. Jan wilde goeiendag zeggen maar ze waren hem voor en zeiden met uitgestoken hand – ‘goei’ndag, de Geus, wie kom’n uut Kas’land en wold’n groag wat petatt’n rank’n koop’n’ zoas afsprook’nis’ – Jan schrok zich te barsten. Hij verstond namelijk niet wat er gezegd werd! Hij was in Brazilië geboren en het enige Nederlands wat hij geleerd had, was het plat Hollandse dialect wat gesproken werd in Zuid-Holland in de buurt van Dordt, ‘s-Gravendeel en Zwijndrecht. Dát was voor hem de Hollandse taal. Grootopa weet nog hoeveel moeite het mevrouw Boot gekost heeft om het Carambeí kerkkoor ‘Heilige Nacht’ te laten zingen in plaats van –‘Haaaaaailugge naaaeecht’. Steeds weer opnieuw liet zij het koor herhalen tot het fatsoenlijk Nederlands klonk. Maar daar stond Jan toen met z’n mond vol tanden en hij dacht – ‘Sodekraai, ik ben het Hollands verleerd!!’. Hij verstond absoluut niet wat die mensen uit Castrolanda zeiden. Gelukkig konden dezen natuurlijk ook wel gewoon Nederlands spreken en zo is alles toch nog weer goed gekomen.

En zo liep de integratie tussen de kolonies best aardig. In Arapoti zijn mensen uit Castrolanda en Carambeí gaan wonen en zo had deze kolonie dus meteen familierelaties met alle andere kolonies. Maar toch, de kinderen die daar geboren werden voelden zich Arapotiaan en geen Castrolandees of Carambeiaan.

Later, intern op het Instituut in Castro, trokken de jongelui van de kolonies helemaal met elkaar op en men zou toch kunnen verwachten dat de drie kolonies binnen een paar jaar tot één grote coöperatie uit zouden kunnen groeien,… maar daar is nooit niks van gekomen en het zal wel nooit niks worden ook. In Nederland zelf zijn de honderden melkcoöperaties van vroeger allemaal aaneengesloten en reusachtige wereldconcerns geworden, kijk maar naar Friesland Campina. Maar de drie, laten we eerlijk zijn, kleine coöperaties, door de Nederlandse immigranten opgericht in de staat Paraná, vlakbij elkaar, zijn niet in staat om als één grote coöperatie samen te werken. Wat daarvan de reden dan ook wezen mag. Nu weet Grootopa natuurlijk ook wel dat het helemaal niet zo zeker is dat het de boer ten goede zou komen als de drie één zouden worden. Dat is beslist helemaal niet zeker… Als ze elkaar maar niet gaan beconcurreren, en de verkoopprijs altijd een beetje voorzichtig met elkaar afspreken is er volgens hem niks aan de hand. Integendeel. Het zal toch wel héél lang duren voordat de rest van Brazilië melk met kwaliteit produceert die kan tippen aan de melk die door onze drie coöperaties geleverd wordt.

Grootopa loopt nog steeds in zijn gedachten verdiept, en zijn doorweekte sok en schoen maken bij ieder stap dat vieze natte geluid… schhhullll… schhhulll… Hij lacht een beetje in zichzelf en denkt aan hoe de mensen hem zouden zien als ze hem daar zo zien sjokken. In de zeventiende eeuw waren volgens de Engelsen de Hollandse boeren de lelijkste mensen van Europa, ze hadden namelijk geen kont, volgens hen. Nou, denkt Opa, als ze mij hier zo zien sjokken denk ik niet dat ze van opinie veranderen.

Met de opkomende zon wordt zijn humeur ook weer beter. Hij is de koe helemaal vergeten, en staat er plotseling versteld van hoe ver hij al gelopen is, praktisch zonder het zelf te merken. Ja, als men in gedachten verdiept is en over iets piekert, lijkt het wel of je op de automatische piloot gezet wordt. Zo moet Grootopa opeens denken aan een prachtig verhaal dat hij eens in Castrolanda gehoord heeft. Écht gebeurt, volgens zeggen. De immigranten daar hadden in de jaren vijftig niet allemaal een auto, dat was veel te duur, dus gingen zij met andere vervoermiddelen naar het centrum, naar een feest of naar de kerk. Ja, en dan zaten ze in het stof of in regen en wind natuurlijk. Pa Kiers had daar wat op gevonden en van een wagentje achter de trekker een mooie huifkar van hout gemaakt, zo konden ze lekker schoon en droog reizen. De hele familie Kiers paste erin en ook nog wel wat buren, indien nodig. Op een avond kwam de familie van een feest op het centrum terug naar huis rijden. Het regende een beetje, Jan had een beschermende regenjas over het hoofd getrokken… en daar gingen ze. Toef toef toef toef. Het wagentje hobbelde met zijn waardevolle vracht langzaam over de modderweg huiswaarts. Eerst bij de buurman aan om die te lozen. Kiers rijdt het pad van het bedrijf van de buurman op, stopt zo dicht mogelijk bij de deur van het huis en wacht verscholen onder de jas tot de buurman een schreeuw zou geven van ‘goeienavond en bedankt!’. Hij zat op de tuffende trekker te wachten maar niemand zei niks. Een beetje geërgerd, maar voorzichtig om niet nat te worden, kijkt hij achterom, – “Waarom zegt die vent nou niks?!”, denkt hij. Dan krijgt Kiers de schrik van zijn leven. Hij ziet geen kar meer achter de trekker!! Hij gooit de jas van het hoofd om goed te kunnen kijken en kan het bijna niet geloven. Hij kijkt het pad af maar ziet daar ook niks. Dan vliegt hij weer recht voor het stuur van de trekker en vol gas rijdt hij terug, zonder jas over het hoofd, het kan hem niks meer schelen dat hij nat wordt… Daar ziet hij in de verte opeens de kar staan. Gelukkig. Wat was er nou gebeurd? Toen hij met trekker en kar over een bruggetje reed, is de pen eruit geschoten en bleef het karretje staan, terwijl Kiers rustig door tufte, kromgebogen over het stuur en hoofd onder de regenjas, diep in gedachten. De jongens, de vrouw en de buurman hebben nog wel heel hard staan roepen – en denk erom dat de buurman dat kon! – maar pa Kiers hoorde niks en tufte onverstoorbaar door. Zijn vrouw vroeg hem later waar hij trouwens zo aan zat te denken dat hij niks hoorde. Pa Kiers heeft het nooit verteld maar Grootopa heeft een vermoeden. Kiers zat namelijk in alle besturen die er waren in de kolonie, ook in het bestuur van de Centrale Coöperatie, en de volgende maandag zou hij in Carambeí weer vergadering hebben. Grootopa wil er wat om verwedden dat Kiers zich daarop zat voor te bereiden.

 

Dit artikel werd geplaatst in het nummer 152 van het maandblad De Regenboog in november 2011