Grootopa vertelt – Naar ‘t Instituut

 

door: Peter Bosch

Grootopa loopt in een dikke jas langs de weg. De zon is nog niet te zien in de vroege, koude morgen. Het is midden in juni en de winter is al te voelen. De mist hangt als een dichte wolk over het land. Grootopa’s bril is beslagen door de vochtdruppeltjes. Dan hoort hij het geluid van een zware motor, hij doet snel een stap wat dieper de berm in en hij houdt zijn hoed vast. Even later raast een gele autobus voorbij waarop met grote zwarte letters ESCOLAR staat… de schoolbus. Eén van de jongens kijkt door de achterruit en zwaait met een Braziliaans vlaggetje. Het is wereldkampioenschap voetbal, deze keer in Brazilië, en de vaderlandsliefde viert hoogtij. Grootopa steekt glimlachend zijn duim in de lucht. Daar gaat de toekomst, denkt hij bij zichzelf. Wat zullen die kinderen worden later, als ze groot zijn? Boer zullen ze niet allemaal worden. De laatste tijd worden er steeds meer nazaten van de pioniers iets anders, en dan wel meestal ver uit de kolonie in een andere stad. Grootopa denkt aan de jaren zestig, zeventig, in die jaren begonnen praktisch alle kinderen verder te leren na het lager onderwijs dat in de kolonies zelf werd gegeven, maar de grote meerderheid werd later toch weer boer, zij het dan wel op een meer professionele manier.

De meeste jongeren uit de kolonies hebben het op school goed gedaan en werden als goeie of heel goeie leerlingen beschouwd. Ook al waren de kinderen opgegroeid ver buiten de “geciviliseerde” wereld, in het binnenland van Brazilië, toch hadden ze stuk voor stuk een ruime algemene kennis opgedaan op de lagere school, en ook van het nieuws dat ze hoorden over Radio Hilversum en uit wat ze lazen in de weekbladen die ze opgestuurd kregen door oma uit Nederland. Dit laatste was vooral het geval in de jonge kolonies Castrolanda en Arapoti. Weekbladen zoals de Sjors en Tina kwamen in grote pakketten om de twee, drie maanden op het postkantoor aan… dat was prachtig voor de kinderen. Voor de vrouwen was vooral de Libelle hét blad. Verder waren De Spiegel en Panorama erg in. Die weekbladen brachten, buiten de mooie stripverhalen, ook allerhande nieuws over landen, politiek, cultuur, sport, enz… waar de kinderen en de jongelui heel veel van opstaken.

Op de lagere school hadden we het geluk dat er in de kolonies Hollandse leraars waren. Deze beroepsleraars konden stuk voor stuk prachtig vertellen en alles wat je over geschiedenis, aardrijkskunde, enzovoort van hen leerde vergat je nooit meer. De meeste Braziliaanse leraars en leraressen konden daar niet aan tippen! Velen zullen Meester Epema nooit vergeten. Die was helemaal een meesterverteller. Grootopa weet zeker dat velen zich zullen herinneren waar ze waren en wat ze aan het doen waren toen het schokkende bericht kwam dat Meester Epema verongelukt was met zijn vrouw, schoonzoon en kleinkind. Verschrikkelijk.

Grootopa dacht weer aan het feit dat de afgestudeerde jongeren toch weer allemaal boer werden in de kolonies, net zoals de jongeren die niet wilden doorstuderen of niet zo goed konden leren dat ze een toelatingsexamen voor de universiteit konden halen. Zelfs de ‘hopeloze gevallen’, zoals de onderwijzers sommige leerlingen noemden, werden gewoon boer en ook zij hebben het stuk voor stuk “gemaakt”. Deze drang om boer te worden heeft de kolonies geforceerd om uit te breiden en meer land te kopen in de nabijheid van de kolonies of soms in andere gemeentes of deelstaten.

De Hollandse studenten hebben een heel goede reputatie opgebouwd op de scholen en universiteiten. Velen werden beschouwd als koppie-koppie en haalden cijfers ver boven het gemiddelde. Grootopa glimlacht als hij aan koppie-koppie denkt en herinnert zich weer iets van heel vroeger, toen de familie Hendrik Harms honderd jaar geleden naar Carambeí kwam.

Hendrik Harms was in Nederland al getrouwd met Teuntje de Geus en dus schoonzoon van Aart Jan de Geus. Hij kwam in 1912 alleen naar Carambeí om de kat uit de boom te kijken. Toen hij zag dat hier een toekomst lag, kwamen in 1913 zijn vrouw en de kinderen, Johanna, Leentje en Johan, samen met de rest van de familie de Geus.

In 1914 werd hun vierde kind geboren, een zoon. Het eerste kind van Nederlandse ouders in Carambeí. Hij werd Arthur genoemd, de Braziliaanse versie van Aart. De grootouders vonden dit maar niks en konden het moeilijk verwerken. “Waarom niet gewoon Aart?… Echt weer iets voor Hendrik!”, mopperden ze. Maar Hendrik trok zich niks van dit alles aan. Nu, zo veel jaren later, moet Grootopa toegeven dat door dit kleine eigenwijze voorbeeld Hendrik Harms best als de eerste ware immigrant beschouwd mag worden, niet zomaar een kolonist. Een kolonist komt naar een ander land om dit te veranderen naar zijn wil, naar zijn cultuur… een immigrant komt naar een land om zich daar aan te passen en verder te leven, helemaal ingeburgerd.

Hendrik was een wat apart figuur in de kolonie die tijd. Hij was afkomstig uit Overijssel, geen boer, maar slager van beroep en beroemd om zijn heerlijke rollades. Behalve slager was hij een zeer kundig smid, timmerman, metselaar en meubelmaker. Zijn meubels werden van massief hout en zo degelijk gemaakt dat deze gedurende de volgende eeuwen gebruikt kunnen worden. Hij was uitermate intelligent en was een man van vele gaven. Daarom wordt nu nog weleens in Carambeí gezegd als iemand intelligent is dat deze een “Harmsen kop” heeft.

Iemand met zulke gaven kan emigreren naar elk land van de wereld. Hij zal het overal “maken”. Hendrik is een belangrijk persoon geweest in de kolonie. Hij heeft huizen gebouwd en een smederij en zagerij opgezet met zijn zonen. In zijn werkplaats werden karren en karossen gemaakt, want hij was ook een kundig wagenmaker. Met de lichte charrete voor twee of drie personen, getrokken door één paard was het best comfortabel rijden. Hendrik heeft ook nog geprobeerd een steenbakkerij in Carambeí op te zetten, maar dat is niet gelukt omdat er in Carambeí geen goede steenbakkersklei werd gevonden, daarvoor moest je meer in de buurt van Castro zijn.

In zijn latere jaren, als oude man, is Hendrik begonnen met houtsnijden als hobby. En zoals in alles wat hij deed waren zijn werken ware meesterstukken. Er bestaan in de kolonie heel wat tot in de perfectie uitgebeelde paarden en stieren, onder andere, van de oude Hendrik.

Ja, vandaag de dag hoeven de jongelui voor de middelbare school, als ze willen, de kolonie Carambeí niet meer uit. Toch gaan de meesten studeren in Ponta Grossa, met de bus. ’s Morgens vroeg naar de stad en ‘s middags weer thuis. Dat was in de jaren zestig, zeventig wel anders, Toen was het niet zo gemakkelijk om op een dag even heen en weer gaan. Toen lagen Ponta Grossa en Castro “ver” weg, en vooral Arapoti lag helemaal afgelegen. De meesten gingen naar het Instituto Cristão in Castro. Het Instituut was een internaat en het werd in die jaren geleid door een Nederlandse directeur, de heer Geuze, samen met zijn Nederlandse rechterhand, de heer Scheffer.

De leerlingen van Carambeí waren praktisch allemaal intern van maandagochtend tot zaterdag twaalf uur. Van Castrolanda deden de meesten dit ook zo, hoewel er ook waren die iedere ochtend kwamen en dan ’s middags naar huis gingen om thuis te slapen. Maar dit was voor velen te moeizaam. Doch, de kinderen uit Arapoti moesten allemaal intern. Arapoti lag zo´n honderdtwintig kilometer ver over een bijna onbegaanbare weg. Die leerlingen gingen maar eens in de twee of drie maanden naar huis. Dit was een verschrikking, vooral voor de kleineren in het eerste jaar. Daarna waren ze eraan gewend en dan ging het wat beter. De meeste Braziliaanse leerlingen waren intern.

Grootopa moet denken aan een kleine Arapotiaan, een jochie van amper twaalf dat door zijn vader op de bus gezet werd in Arapoti om in Castro toelatingsexamen voor het Instituut te gaan doen, eind 1968. Hij kon amper Portugees. Zijn oudere broer zat al drie jaar op het internaat en kwam eens in de drie maanden naar huis. Voor zijn jongere broers en zusje was deze broer bijna een vreemde. Het jochie zag er tegenop als een berg om naar ‘t Instituut te gaan, maar om zijn leven lang onder een koe te zitten leek hem ook niks. Hij had vaak tegen zijn vader gezegd tijdens het appelbomen snoeien, als er dan eens een vliegtuig heel hoog overvloog, dat hij als hij groot was in een laboratorium zou werken en heel veel zou vliegen. Maar toen hij schoorvoetend naar de blauwe pick-up liep om naar het busstation gebracht te worden, zou hij liefst gevlucht zijn onder naar de rivier of onder het bed gekropen zijn. Maar er zat niks anders op. Het was zaterdagochtend en de volgende maandag zou hij exame de admissão moeten doen om op het Instituut te mogen leren. Bij het station aangekomen kocht zijn vader het buskaartje naar Castro en overhandigde dit aan het jochie die met zijn kleine harde koffer aan zijn voeten stilletjes stond te wachten. “Zo m’n jongen, hou je taai, hé!”. Het jochie knikte en wilde niet laten merken hoe moeilijk hij het had. Eigenlijk was hij gewoon bang om alleen met de bus 120 km ver weg te gaan. Vader zei weer met nadruk: “In Castro staat Niek bij het station op je te wachten en dan gaan jullie samen naar het Instituut”. Eindelijk arriveerde de bus, bijna een uur te laat. Vader gaf hem nog een schouderklopje en hij klom de bus in en ging op zijn plek zitten na zijn koffertje boven in het rek te hebben gestopt. Het was een veilig gevoel om dat koffertje dicht bij hem te hebben. Daar zaten wat kleren in en een handdoek, een washandje en een stuk zeep en een paar sokken. Ook een pakje boterkoek door moeder zelf gemaakt en die hij zo graag lustte. Het koffertje was voor hem als een soort link met thuis. Hij zat naast het busraampje en zag vader nog net met de camionete wegrijden. Hij voelde zich al misselijk voordat de bus ging rijden. Hij wist niet eens waar Castro precies lag! Naast hem zat een oude man met een strohoed op. Toen ze in Sjakkeriva aankwamen, zoals in Arapoti Jaguariaíva werd genoemd, vroeg het jochie voor de zekerheid: “Aqui não é Castro?” Na nog bijna een uur of langer rijden over de hobbelige grondweg die nog nat was van een paar dagen regen, dus heel moeilijk berijdbaar, kwamen ze in Joaquim Murtinho en weer vroeg hij voor de zekerheid: “Aqui náo é Castro?” Hij wist zelf wel dat het een heel domme vraag was, maar zijn onzekerheid was te groot. De oude man glimlachte vriendelijk en zei van niet. Toen weer verder rijden en het jochie werd met de minuut misselijker. De man naast hem zat een of ander sterk ruikend iets te eten en de geur maakte dat zijn maag draaide. Het duurde maar even of hij stak zijn hoofd naar buiten en braakte in de wind. Er kwam gelukkig niet veel uit omdat hij van spanning bijna niks gegeten had die dag. Hij haalde zijn grote rooie boerenzakdoek uit zijn zak en veegde zijn mond schoon. Gelukkig had mama die zakdoek op het laatste moment in zijn broekzak gestopt want, “die kan je nog weleens nodig hebben”.

Na een voor hem eindeloze tijd kwamen ze in Piraí do Sul, Piereï, zoals in Arapoti gezegd werd. De buschauffeur riep de naam van de stad, maar het jochie verstond er niks van, dus vroeg hij weer: “Aqui é Castro?” De oude man schudde vriendelijk zijn hoofd en zei van niet. Er stapten veel reizigers uit en andere stapten in, de oude man bleef gelukkig zitten want het jochie was al aan zijn stille aanwezigheid gewend en wilde niet graag dat er een andere vreemde naast hem kwam zitten en zeker niet iemand die zou gaan zitten eten.

De volgende stad was Castro, volgens de man. Het was al over drie uur in de middag en ze waren om elf uur weggereden uit Arapoti… vier uur over 120 kilometer. Hij stapte de bus uit met het koffertje goed vastgeklampt in zijn handen. De oude man had hem plechtig een hand gegeven, een heel slap handdrukje zoals hier gewoon is. Heel anders dan zijn vader altijd zei dat je een hand moest geven: “Een handdruk hoort een stevige hand te zijn, vergeet dat nooit!” Maar hij voelde dat het goed bedoeld was. Hij keek rond of zijn broer ergens te zien was. Niek was nergens te zien. Hij keek eens goed waar de bus gestopt was. Het zag er niet uit als een busstation, het leek meer op een gewone bar. Wat verderop zag hij een iets mooier gebouw waar een placa hing: “Bar e Restaurante Paschoal”. Aan de overkant van de straat was een praça. Toen hij z’n broer nergens zag dacht hij: “Ik ben verkeerd!”, en hij klom vlug de bus weer in en vroeg aan de chauffeur “Aqui é a estação de Castro?” Ja, het was hier echt Castro, dus stapte hij weer uit.

De bus reed weg en daar stond de kleine Arapotiaan niet wetende wat te doen. Hij besloot maar gewoon te blijven staan. Na een half uur hoorde hij opeens een bekende stem zijn naam roepen en door de opluchting vergat hij helemaal om kwaad te zijn. “Waar was jij?”, vroeg hij. “Ik was in de cinema”, was het antwoord. “In de cinema?”, vroeg het jochie vol ongeloof, “Was jij een film aan het kijken, op de zaterdagmiddag?” Dat was de eerste gewaarwording dat het leven buiten de kolonie Arapoti wel wat anders was.

De volgende dag was het zondag en dat werd een dag die hij nooit zou vergeten. ’s Morgens mochten ze tot half acht slapen. Door de week ging de sirene al om zes uur, maar op zondag mochten ze langer uitslapen. Om halftien was er dienst. Eerst met z’n allen in de Salão Nobre voor een korte preek en samen wat Psalmen zingen. Het jochie zal nooit de daverende stem vergeten waarmee doutor Josué zong. Hij vergat zelf te zingen, zó was hij onder de indruk, trouwens, hij kende niet één hino die er gezongen werd in het Portugees. De kleine doutor Josué had zoveel potentie in z’n stem dat hij de piano overtrof. Na de gezamenlijke dienst gingen er groepen naar de leszalen op de bovenste verdieping. De groepen werden niet helemaal volgens leeftijd ingedeeld en zo kwam het jochie in een klas waar hij waarschijnlijk de jongste was. Verder zag hij er als Nederlander ook nog echt als kind uit te midden van grotere jongens, allemaal Brazilianen en sommigen al zestien of achttien jaar oud.

Seu João leidde de les en op een zeker moment kwam het gesprek op Ethiopië. Dat land was in die tijd in het nieuws vanwege de modernisering die daar plaatsvond, als eerste te midden van alle landen van donker Afrika. Seu João vroeg of iemand wist hoe de keizer van Ethiopië heette. Iedereen bleef stil. Het jochie wist het wel, maar durfde niks hardop te zeggen. “Niemand?”, vroeg seu João met strenge stem. Toen zei het jochie zachtjes tegen de jongen die naast hem zat: “Haile Selassie”. De jongen verstond niet wat het jochie zei, maar riep toen: “Seu João, o piazinho aqui sabe!” Seu João deed z’n wenkbrauwen vragend omhoog naar het jochie tot deze met schroom en een rood gezicht antwoordde: “Haile Selassie”.

Muito bom!”, zei seu João. “En hoe wordt hij nog meer genoemd?”, hij keek weer naar het jochie dat prompt antwoordde, “O Leão de Judá – De Leeuw van Juda -”. De hele klas was nu geïnteresseerd en lette op. “Muito bom… en wat is de hoofdstad van Ethiopië?” “Addis Abeba”, antwoordde het jochie, nu met meer zelfvertrouwen, en voegde er toen aan toe dat Haile Selassie zogezegd een regelrechte afstammeling was van koning Salomo met de koningin van Sheba. Die eerste zondag heeft het hele verdere leven van het jochie vergemakkelijkt op ’t Instituut. Sindsdien stond hij bekend als “aquele piazinho que sabe tudo”. De volgende dag, maandag, moest hij het toelatingsexamen afleggen en dat viel niet mee vanwege zijn beperkte kennis van het Portugees. Toch heeft hij het gehaald. Het volgende jaar, 1969, zou hij ook op ’t Instituut studeren.

Grootopa ontwaakt weer naar het heden en ziet de gele bus in de verte stilstaan om een paar leerlingen in te laten stappen. De jongen met de vlag staat nog steeds voor de achterruit en slaat zijn vriendje voor z’n kop. De vaderlandsliefde wordt aangewakkerd door de strijd die gevoerd wordt op het voetbalkamp en de supporters van alle landen joelen op de tribune. Nu herinnert Grootopa zich weer de jaren vóór de oorlog toen Hitler Duitsland opbouwde. Het land beleefde een vooruitgang zoals in geen jaren had plaatsgevonden en de grote meerderheid van het volk aanbad de Führer. Ook het leger werd versterkt en het duurde niet lang of Duitsland had het machtigste leger van de wereld. De liefde en trots van de Duitsers in het buitenland, voor hen heimat, ook die in Carambeí woonden, was toen heel groot. De Carambeíaanse Duitsers en de Hollandse jeugd die met hen omging, hebben wat afgedanst op de prachtige Duitse marsmuziek. Hanna herinnert zich dat één van de danshits het lied “Für Adolf Hitler Kämpfen Wir” was. Niemand had natuurlijk een flauw benul van wat Adolf met z’n kornuiten in hun heimat aan het uitbroeden was. Maar later bleek dat de trots voor het vaderland wel heel diep geworteld lag… zo diep dat één van de Carambeíaanse Duitsers gedurende de oorlog tegen Hendrik Harms zei: “Hendrik, Ich bin neutral, aber England muss kaput”.

Gelukkig, denkt Grootopa, wordt vandaag de dag het patriottisme uitgevochten op de sportvelden. Hij hoopt zoiets verschrikkelijks als de twee Wereldoorlogen nooit meer mee te maken en hoopt dat het ook zijn nakomelingen bespaard blijft. Grootopa staat even stil om zijn brilglazen droog te vegen met z’n zakdoek. Hij wil ook z’n pijpie aansteken, maar doet het toch maar niet. Het is er nog te mistig en te nattig voor. Hij hoort weer een zwaar geronk aankomen, stapt snel weer diep de berm in en houdt z’n hoed vast. Een grote vrachtwagen scheurt rakelings langs hem heen. “Sodekraai, ik ga naar huis. Hier word ik van m’n sokken gereden!”

Geplaatst in De Regenboog: augustus 2014