Grootopa vertelt – Leed

 

door: Peter Bosch

 

 Grootopa staat in de tuin, het is fris ‘s morgens en de zon probeert door het dikke wolkendek, dat aan de horizon hangt, heen te breken. Hij staat heel stil voor zich uit te staren zonder iets te zien. Door de kou komt er bij iedere ademhaling een beetje damp uit zijn mond die door de wind weer ogenblikkelijk verdwijnt. Als een beetje gebogen standbeeld staat hij daar met zijn jas dicht om hem heen geslagen.

Grootopa is onder de indruk van wat er de laatste maanden in de wereld gebeurt. Hij had nooit verwacht dat er in de eenentwintigste eeuw zoiets nog zou gebeuren. Zoveel haat, gewelddadigheid… hij kan het niet snappen.

De wreedheid die de mens kan doen is in de wereldgeschiedenis overal terug te vinden: de verschrikkingen tijdens de inquisitie; de zogenaamde heksen en ketters die levend op de brandstapel werden gezet terwijl de familie moest toekijken; en de nazi’s, hoe die hun “medische” studies op de joden uitvoerden. Ja, als de fanatieke mens de macht krijgt over anderen kan hij de vreselijkste misdaden begaan. Nee, er is eigenlijk niks nieuws gaande onder de zon.

De IS, de Islamitische Staat, moordt alles uit wat op zijn weg komt en begaat de meest misselijkmakende wreedheden op simpele en hulpeloze burgers voor de tv. Miljoenen mensen kunnen als toeschouwer meekijken op het moment waarop dit gebeurt op hun iPhones die ze in de palm van hun hand hebben. Duizenden mensen moeten vluchten. Het grote probleem is dat degenen die nu vluchten, vooral de kinderen en de jongeren, zullen opgroeien met een gevoel van diepe haat en later willen ze maar één ding… wraak nemen. En zo houdt deze kringloop, die al eeuwen bezig is, nooit op.

Vóór de twintigste eeuw kreeg een volk amper nieuws over de oorlog in het eigen land te horen. De ware gebeurtenissen hoorde men pas veel later. De afschuwelijke misdaden die begaan werden, kwamen de mensen vaak pas maanden of jaren na afloop van de oorlog ter ore.

In de Eerste Wereldoorlog, begin twintigste eeuw, was de communicatie nog steeds langzaam en incompleet. In de Tweede Wereldoorlog wist de wereld door de radio al sneller wat en waar de dingen gebeurden.

Tijdens de oorlog in Vietnam startte een nieuw communicatietijdperk. Voor het eerst konden de mensen de oorlog volgen op tv. Maar doordat er nog geen directe uitzending mogelijk was, werden de beelden mooi bewerkt vóór ze de mensen bereikten. Toch was er nooit tevoren zo´n intens meeleven met een oorlog geweest.

Nu, via YouTube, zien miljoenen en miljoenen mensen in hun handpalm op iPhone praktisch op het moment dat het gebeurt, hoe de meest misselijkmakende gruwelijkheden worden gepleegd op onschuldige mensen, zonder enige censuur, zelfs kinderen kunnen meekijken. Tijdens alle oorlogen zijn zulke verschrikkelijke dingen gebeurd. Lees de verhalen maar over de martelingen die de Japanners de Chinezen aandeden, en zo zijn er nog vele en vele voorbeelden… daar gebeurden martelingen waarbij de onthoofdingen die we nu zien eigenlijk nog een redelijk snelle en pijnloze dood zijn. Zo zien we dat in alle religies de gekste dingen gebeuren en Grootopa is zich bewust dat deze IS niet de islam als zodanig vertegenwoordigt. De IS baseert zich slechts op een verbasterde interpretatie van enige stukken van de islamitische leer. Jonge mensen die een hersenspoeling ondergaan en daardoor helemaal door het dolle raken… de blik die we op de tv in hun ogen zien is die van ongekende en meedogenloze haat. Haat tegen alles en iedereen. Haat die erin gepropt is door heel slimme mensen die met hun gevaarlijke tong overtuigend en vol beloftes de jongelui gek praten. En de beul die we in dat zwarte gewaad zien staan met dat kromme Arabische zwaard, is waarschijnlijk niet eens Arabier… het kan een Belg, Engelsman of Nederlander zijn! Haatzaaiers zijn de gevaarlijkste mensen die er bestaan. Met praten haat en verderf strooien, terwijl ze zelf heel veilig in hun holen weggescholen blijven, creëren ze een collectieve angst in veel landen.

Grootopa wil er eigenlijk niet meer aan denken. Hij kijkt naar de verte en ziet dat het een mooie dag zal worden en waarschijnlijk heel warm. De koude ochtendbries trekt weg. In Carambeí is dat een voordeel, het is ‘s nachts en ‘s ochtends altijd lekker fris hoe warm het overdag ook wordt. Hij haalt zijn pijp uit z´n zak en begint deze te stoppen. De heerlijke zoete tabaksgeur verbetert zijn humeur. Hij doet de vlam erin, zuigt diepe teugen… en dan dwalen zijn gedachten weer terug naar het leed van uiteengescheurde families door de oorlogen. In Syrië zien we tienduizenden mensen ten einde raad naar andere landen vluchten, hun families uiteengescheurd.

Bij deze gedachte herinnert Grootopa zich plots wat er in Carambeí is gebeurd tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1939 arriveerde Lolke Dijkstra met zijn zoons Auke en Klaas. Hij was een streng man. In zijn staalblauwe ogen was een vastberaden geloof te lezen. En ook al was hij met 55 jaar al door een lang leven gestempeld, hij leefde nog steeds onder de Bijbelse morele waarden, dezelfde waarden waarmee hij was opgevoed, en zo voedde hij zijn kinderen op en zou hij ook zijn kleinkinderen willen opvoeden. Deze typische Dijkstra-blik kan je nog terugvinden in veel van zijn nakomelingen.

Lolke was geboren in 1885 te Wommels en in 1916 getrouwd met Geertje Gorter. Hij was van boerenafkomst en geboren op een veebedrijf, maar had in Friesland niet dit beroep beoefend. Hij was de industrie en de commercie ingegaan. In Heerenveen had hij een margarinefabriekje geëxploiteerd en ook een levensmiddelenzaak die tijdens zijn afwezigheid door zijn vrouw werd gerund. Zijn bedoeling was om in Carambeí een veehouderij te beginnen en om zijn vrouw en kinderen, drie dochters en vier zonen, die in Friesland waren achtergebleven, over te laten komen zo gauw hij zich definitief had gevestigd. Hij had geluk, want al snel nadat hij in Carambeí aankwam, vertrok de familie Valeton naar Curitiba, en zo kon Lolke een praktisch klaar bedrijf kopen achter op Pilatus. Dit was voor hem een uitstekende gelegenheid om zich te vestigen, omdat op het bedrijf een flinke woning en een veestal stonden.

Toen echter de rest van de familie uit Nederland wilde vertrekken, kon er niet meer naar Brazilië gereisd worden. In september was Duitsland Polen binnengevallen en dat was het begin van de Tweede Wereldoorlog. Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen en binnen vijf dagen moest het land capituleren voor de onverslaanbare militaire macht van de Duitsers die toen absoluut het machtigste leger van de wereld hadden.

Grootopa kan zich nog levendig herinneren hoe zwaar van zorgen het leven van Lolke was de volgende jaren. Zijn zoon Auke werd opgeroepen om als soldaat in één of ander land aan het front te vechten, waar de jongen mensen moest doodschieten en grote kans liep zelf te sneuvelen. Hij wist niet waar Auke was al die jaren. En wat nog meer was, zijn vrouw met de rest van zijn kinderen zaten in Nederland dat bezet was door de Duitsers en van wie hij ook geen nieuws kreeg of wist in wat voor een situatie ze leefden… en of ze überhaupt allemaal nog wel leefden! Onrustige, slapeloze nachten, en als hij wel sliep werd de slaap meestal verstoord door nachtmerries.

Tijdens de oorlog runde Lolkes vrouw, Geertje, de winkel in Heerenveen en zo slaagde zij erin met hulp van haar kinderen in het levensonderhoud te voorzien van haar gezin.

Het gezin bleef om deze reden gedurende de gehele oorlog van elkaar gescheiden, bijna zes jaar. De oorlog bracht ook voor Carambeí de nodige problemen met zich mee. Zo werden mannen en jongens, die gezien hun leeftijd daarvoor in aanmerking kwamen, door de Nederlandse regering opgeroepen voor de militaire dienst. De oudere Nederlanders die hier al zo’n dertig jaar leefden, vonden dit maar raar en een moeilijk te begrijpen zaak.

Geheel anders dachten daarentegen de bewoners afkomstig uit Nederlands-Oost-Indië hierover. Zij voelden de band met het oude vaderland nog sterk en beschouwden deze oproep als volkomen vanzelfsprekend. Onder andere vertrokken: Auke Dijkstra, Keimpe van der Meer, Dim Vermeulen en Sjef van Santen. Ongeveer een zestiental jongeren vertrok “naar de oorlog”. Alle jongens die gegaan zijn, zijn levend teruggekomen.

Grootopa heeft achteraf weleens gehoord dat Auke Dijkstra vlak voor het einde van de oorlog in 1945 in de Koninklijke Nederlandse Brigade “Prinses Irene” is gegaan. Deze Prinses Irene Brigade is door Nederlanders opgericht in Engeland en heeft een belangrijke rol gespeeld, samen met de geallieerden, in de oversteek van Engeland naar de Franse kust en later bij het vrijmaken van Frankrijk, België en Nederland. Op 5 mei 1945 capituleerde het Duitse leger officieel in Nederland en was er feest in het land.

Toch, als Grootopa er zo over nadenkt, moet hij toegeven dat er verder in Carambeí eigenlijk heel weinig te merken is geweest van de oorlog… het leven ging gewoon door. Maar niet voor Lolke! Niemand ontving geloofwaardig nieuws over hoe de toestand in het oude vaderland verliep. De kranten in Brazilië hadden het over de oorlog, maar Nederland werd amper genoemd.

Lolkes geloof heeft hem deze jaren gesteund. Overdag werkte hij hard mee in het coöperatieve leven en drukte op die manier zijn zorgen naar de achtergrond. Grootopa herinnert zich dat de oude fabriek door de gezondheidsinspectie van de regering afgekeurd werd. We mochten geen producten meer naar São Paulo exporteren, alleen maar in de staat Paraná. Toen kreeg hij de verantwoording over het uitwerken van een plan voor de bouw van een eenvoudige, doeltreffende zuivelfabriek, overeenkomstig de hiervoor in Friesland geldende normen, waarmee hij goed bekend was. Voor de bouw had de coöperatie geld nodig en verwachtte aanvankelijk een lening uit Holland, maar door de oorlogssituatie in Europa is deze lening er nooit gekomen. Toen heeft iedereen zijn steentje bijgedragen en het geld is bij elkaar geschraapt. Lolke deed actief mee aan de opbouw van de nieuwe fabriek en in 1943 werd hij tot Commercieel Directeur van de Coöperatie benoemd. Maar dan was de werkdag voorbij, de zon daalde en het werd donker. Op die momenten miste hij zijn vrouw en kinderen verschrikkelijk. Dagen, weken, maanden… jaren gingen voorbij. Iedere dag deed Lolke zijn gebed en was er absoluut zeker van dat dit gebed verhoord zou worden. Grootopa ziet de oude man weer zitten met verkrampt gevouwen handen, ogen dicht, iedere dag weer.

Toen de oorlog afgelopen was en er weer brieven verstuurd konden worden, ontving Geertje onverwachts eindelijk weer een brief van haar man in de postbus die buiten aan de straat stond. Vijf jaren hadden ze niks meer van elkaar gehoord. Met trillende handen scheurde ze de enveloppe open – “Hij leeft nog… alles is goed in Brasil… Klaas is inmiddels getrouwd met één van de dochters Harms, Wendelina, en ze hebben al een dochtertje en een zoontje… en ze is in verwachting van de derde baby…”. Geertje, nu tegen de zestig jaar oud, vergat alle narigheid van de laatste jaren en rende naar huis. Ze sprong zomaar over het hekje heen, zonder het te openen, om het nieuws aan de kinderen te vertellen dat vader nog leefde en dat Klaas getrouwd was en dat ze nu allemaal oom en tante waren… en dat zij zelf nu Beppe Geertje was!

Toen Lolke zijn familie eindelijk kon herenigen in 1945, waren zijn kinderen plots allemaal volwassen. Hun jongste zoon, Bauke, een jongetje van 11 jaar toen hij vertrok, was nu een jongeman van 17 die bouwtechniek studeerde en zijzelf waren nu Pake Lolke en Beppe Geertje, oude mensen van zestig jaar. Maar ze hadden het allemaal overleefd in een tijd waarin miljoenen en miljoenen gestorven waren. Het leven was goed… God was hen genadig geweest en Hij had hun gebeden gehoord. Pake Lolke heeft eens gezegd dat hij het liefst zijn kleinkinderen de hele dag op zijn knieën wilde hebben om ze te vertellen over de Here Jezus. Jammer dat hij daarvoor te vroeg gestorven is. Hij heeft maar weinigen van zijn grote schare kleinkinderen gekend.

Terug in Friesland heeft Lolke het druk gehad met het plannen en regelen van de definitieve emigratie. Nu moest hij daar alles verkopen en ook de hele familie overhalen om met hen mee te komen naar dat verre Brazilië. Hij heeft Carambeí beschreven als een waar paradijs op aarde, natuurlijk. Toch hoefde hij helemaal niet zoveel moeite te doen want wat de familie doorstaan had die oorlogsjaren en vooral de laatste winter, de hongerwinter, was een ellende om nooit meer te vergeten.

Toen hij de mogelijkheden in Brazilië hoorde, besloot ook zijn vijftien jaar jongere broer Bauke met zijn grote familie naar Carambeí te emigreren. Bauke was veeboer in hart en nieren. Hij kreeg van de Nederlandse regering toestemming om veertig dragende stamboekvaarzen uit Nederland mee te nemen. Hoewel hij bij een eventuele verkoop van dit vee in Brazilië een enorme som geld had kunnen beuren, hield Bauke zich aan de belofte die aan de vergunning verbonden was, dat hij het vee in Brazilië zélf zou gaan exploiteren en op deze wijze propaganda zou maken voor het zwartbonte Friese stamboekvee. Hij was “de Fries die als pionier naar Brazilië vertrekt met zijn gezin en 41 stuks vee” uit het blad DE WEEK.

Bauke was al door zijn broer op de hoogte gesteld van de totaal andere omstandigheden in de Zuid-Amerikaanse veehouderij, en daardoor was hij al bij voorbaat vertrouwd geraakt met hetgeen hem te wachten stond. Zo kwamen ze gezamenlijk naar Brazilië op het schip Lely in januari 1947, vanuit Rotterdam. De komst van deze twee families was een geweldige aanwinst voor de kolonie.

We mogen gerust zeggen dat de naam Dijkstra een begrip is geworden in de Braziliaanse melkveehouderij en landbouw.

De groep Duitsers van toen had het in die tijd verre van gemakkelijk. Ze spraken openlijk heel weinig over de internationale toestand en probeerden zich zo neutraal mogelijk op te stellen, vooral toen in augustus 1942 Brazilië de zijde van de geallieerden koos en aan de asmogendheden de oorlog verklaarde. Hierna mocht de Duitse taal niet meer in openbare gelegenheden gesproken worden. Omdat het Nederlands voor Brazilianen veel overeenkomst vertoont met het Duits, gebeurde het wel dat ook aan Nederlanders verboden werd hun eigen taal te spreken.

Over taal gesproken, Grootopa herinnert zich een voorval van een jochie uit Arapoti. Voor de pionierskinderen van een jaar of zes, zeven die naar school moesten, was de Portugese taalles een verschrikking en dat kwam hoofdzakelijk door de verbos (werkwoorden). Dat is een heel ingewikkeld iets waarmee de meeste geboren Brazilianen ook moeite hebben. Het ergste was dat de kinderen de verbos moesten leren in het weekend om deze op maandag aan het tafeltje van de juffrouw foutloos op te dreunen. Het was zaterdagmiddag en het jochie lag in zijn slaapkamer te proberen om het in zijn hoofd te krijgen. Omdat hij absoluut niet wist wat het allemaal betekende en er ook de nut niet van inzag, lukte het niet en met betraande ogen liet hij zich radeloos op zijn schrift vallen dat hij het liefst zou willen verscheuren. Toen kwam moeder binnen en ze vroeg hoe het ging. Dat had ze beter niet kunnen doen want door het beetje medelijden dat in moeders toon klonk, schoot het zelfmedelijden van het jochie omhoog. Hij barstte in tranen uit en zei: –“Ik kan het niet… ik snap hier niks van… ik ga niet meer naar school … dit leer ik toch nooit!”. Moeder keek eens in het schrift en had natuurlijk geen idee van hoe ze haar jochie kon helpen, dus zei ze alleen maar: –“Als alle andere kinderen dit altijd hebben moeten leren, kan jij dat ook!”. Ze pakte hem bij de arm en zei: –“Rust eerst maar even wat uit en ga dan met pa mee naar de Kop van Pisa…”. Dat vond het jochie wel interessant natuurlijk. Er was pas een nieuwe familie uit Nederland aangekomen met een stel kinderen, ook van zijn eigen leeftijd, en daar was hij best nieuwsgierig naar.

De immigrant kwam met zijn familie uit Friesland en hij was een zeer zelfverzekerd man. In zijn gedachten ziet Grootopa het jochie met z´n vader naar het bedrijf van de nieuwe kolonist rijden want –“misschien hebben die mensen wat nodig”. Ze kwamen aan in de blauwe pick-up en zagen de boer voor de staldeur met z´n knecht staan praten. De boer praatte aan één stuk door en de knecht knikte begrijpend en toen de boer naar het land wees draaide de man zich om, kroop door de heining van prikkeldraad heen en liep zelfverzekerd het land in. Het jochie zag dat verwonderd aan. Zal die nieuwe boer al Braziliaans spreken? Zijn eigen vader kon nog geen woord en maakte zich verstaanbaar bij de knechten door met zijn armen te zwaaien en alles zo´n beetje vóór te doen. Maar deze boer sprak zo te zien vloeiend Braziliaans. Ook vader had dit schouwspel bedenkelijk aangezien en toen hij de boer de hand geschud had vroeg hij hem of die knecht Hollands sprak. De boer lachte en zei: –“Nee, nee! Ik heb ontdekt dat als je héél duidelijk en langzaam Fries tegen die mensen spreekt… ze alles perfect verstaan”. Hij keek naar de de knecht die al een eind in de wei liep en zei: –“Ik heb hem gezegd ‘Helje de kei efter ut it lân’… en dan hoef ik alleen maar te wijzen en klaar”. Het jochie stond er stil bij te luisteren en bedacht toen dat zijn vader het niet gemakkelijk zou krijgen want die kon geen Portugees en ook geen Fries, dus het zal een hele toer worden. Op de terugweg bedacht hij bij zichzelf dat het misschien makkelijker zou zijn eerst Fries te leren en dan het Portugees… of zouden er in het Fries ook verbos bestaan. Grootopa neemt een diepe teug aan zijn pijp en bedenkt dan dat in Brazilië de naam Dijkstra uitgesproken wordt als Diekstra, dat moet toch een teken zijn dat het Fries ze nader aan het hart ligt dan het Nederlands.

Hij kijkt weer op en ziet dat de verre heuvelruggen al gezalfd worden door de stralen zonneschijn. Grootopa voelt zich dan weer heel dankbaar dat in Brazilië en Carambeí nog steeds in alle vrede en geluk te leven is.

 

Geplaatst in De Regenboog: December 2014