Grootopa verteltHet KI-station

 

door: Peter Bosch

 

Nee, nee, nee!! Grootopa verzint niets. Grootopa was overal zelf bij. Hij heeft alles meegemaakt, alles gezien, alles gehoord, alles zelf geproefd… en geroken. O, hij heeft zo veel meegemaakt, samen met al die mensen die de kolonies opgebouwd hebben. Wat hebben ze hard moeten werken allemaal, en wat hebben ze zware tijden gehad, maar wat hebben ze ook samen kunnen lachen om de komische gebeurtenissen. Volgens de Joden is de grootste deugd van de mens de capaciteit om om zichzelf te kunnen lachen, en die deugd bezaten de pioniers. Niettegenstaande alle moeilijkheden en tegenvallers,… bleven ze lachen. Als ze ook niet om zichzelf hadden kunnen lachen, was de kolonisatie misschien nooit geslaagd.

Het is nu alweer december 2011, bijna kerst en oud en nieuw, en Grootopa herinnert zich de eerste kerst die ze gevierd hebben in Gonçalves Junior, meer dan honderd jaar geleden. Ze dachten toen aan de familie in Nederland die waarschijnlijk een mooie kerstboom had staan met dure glazen ballen, ballen die ieder jaar weer heel voorzichtig uit de watten gehaald werden om de boom te versieren. Ze zouden dicht bij de kachel zitten want buiten was het ijskoud natuurlijk en er zou wel een pak sneeuw liggen.

In Gonçalves Junior was het een snikhete kerst. Maar kerst is kerst en daarom had iedereen voor een kerstboom in huis gezorgd, meestal een klein pinheiroboompje dat werd versierd met witte watten en een paar van gekleurd papier gemaakte sterren, en sommigen zelfs met uit Nederland meegebrachte kerstversieringen. Onder de kerstboom lag wat snoep in een mooi doosje verpakt en zelfgemaakte koekjes. Zo hadden de immigranten onder elkaar toch de sfeer van kerst en dat hadden ze hard nodig om de moed erin te houden en om door te gaan. Vooral voor de kinderen was het belangrijk. Voor een kind bestaat er geen mooiere tijd in het jaar dan de kerstweek. Gelukkig kunnen kinderen dingen snel vergeten en overgroeien ze hun verdriet, en het kerstfeest lijkt helend te werken voor wonden aan de ziel. Ja, de geschiedenisboeken vermelden dat ze het moeilijk hebben gehad in Gonçalves Junior, maar toch is er geen beschrijving in die boeken die de realiteit kan weergeven. Grootopa ziet het in flitsen weer levendig voor zich, een moeder gebogen over het kistje van haar kind barst in snikken uit, de hartverscheurende snikken doen haar lichaam schokken… De vader staat er handenwringend bij en kan geen woorden vinden om zijn vrouw te troosten… dan ziet hij de kinderen huilend kijken naar hun ouders die elkaar zure verwijten naar het hoofd slingeren over wie wie heeft overgehaald om naar dit rot land te komen…

Maar op kerstavond lijkt het of alles toch weer goed zal komen. Het schemerde, de korte, tropische schemering die snel voorbij zou zijn, en in de huisjes werden de kaarsen en olielampen alvast aangestoken. Grootopa ziet het weer allemaal als in een film voor zich. Daar zaten ze, vader, moeder en twee kinderen op de veranda van hun kleine huisje in Gonçalves Junior. Door de zachte wind hadden ze gelukkig eens een keer niet zo veel last van de muggen hoewel ze zo nu en dan toch een insect moesten doodslaan. Ze spraken niet, ieder was in zijn eigen gedachten verdiept. Het gezellige, stille samenzijn. Vader tuurde omhoog en wees met een vinger, allemaal keken ze naar de nachthemel en zagen het Zuiderkruis duidelijk staan. In de verte werd met een mooie schorre stem het Stille Nacht gezongen… en even later klonk er een blijde kinderschaterlach.

Als we aan Gonçalves Junior denken, lijkt het net of het daar alleen maar ellende is geweest voor iedereen, maar dat is natuurlijk niet het geval. Net zo goed als niet alle Nederlandse emigranten daar havenarbeiders waren! Velen hebben ellende meegemaakt vooral door sterfgevallen van kinderen, vrouw en moeder, en zij die dan niet heel stevig in hun schoenen stonden, konden dit niet aan. Maar velen hebben niets van dit verschrikkelijke meegemaakt en vooral in het begin hadden ze in die kolonie best veel plezier. Op foto’s van die tijd zie je veel lachende mensen, vaak met gitaar en accordeon in de hand en met elkaar dansende stelletjes. Mensen onder elkaar vinden altijd wel een manier van vermaak. Vooral degenen die in Nederland al met land en dier gewerkt hadden, hadden het best naar hun zin in de kolonie. Zo was het met de familie Vriesman. Jan Vriesman had zijn leven lang met spa en riek gewerkt en de familie leefde best aardig in Gonçalves Junior niettegenstaande dat het geld praktisch op was. Maar het overlijden van zijn vrouw, Jacoba, heeft van Jan een verbitterd man gemaakt, zó dat hij het later zelfs in Carambeí niet meer kon uithouden. Hij is toen terug naar Nederland gegaan met zijn dochtertje, zijn vier zoons achterlatend in Carambeí waarvan de jongste slechts acht jaar oud was.

Het was heel hard werken vroeger, ook in Carambeí. De koeien gaven bijna geen melk in vergelijking met de koeien die vandaag de dag op stal komen. Dat zijn gewoon wandelende melkmachines. Toen de eerste boeren in Carambeí kwamen, hadden ze koeien die zo’n zes liter melk per dag gaven. Maar toch, ze gaven dezelfde hoeveelheid werk als koeien met een hedendaagse melkproductie. Ze moesten gevoerd worden, opgehaald op het land ’s ochtends vroeg in het donker, bij wind en regen, en ze moesten gemolken worden met de hand. De koeien ophalen in het donker vond Opa altijd een hele gewaarwording. Op extra donkere dagen zag je vaak geen hand voor ogen. Grootopa kwam het huis uit en pakte zijn schoenen die altijd buiten op de veranda bleven staan. Hij klopte ze eerst even goed uit want er kon wel een schorpioen of een kleine slang ingekropen zijn, dan stak hij zijn blote voeten erin, sokken dragen was geen gewoonte toentertijd, en liep dan het donkere erf op. Omdat ieder zijn bedrijf natuurlijk perfect kent, liep hij als een blinde gewoon op zijn gevoel. Hij stak de stallantaarn aan, opende dan de staldeur en ging vervolgens met voorzichtige stappen het land op. In het donker hoorde hij niks anders dan de diepe zuchten van de koeien en als het gevroren had het kraken van het bevroren gras. Hij wou de stilte niet verbreken dus zei Opa zachtjes – “ko, ko, koooo…” – En dan hoorde hij de beesten steunend opstaan om naar de stal te lopen waar het zwakke, gele flikkerlicht van de petroleumlamp hen opwachtte…

Jarenlang hebben de eerste boeren zo geboerd. Koeien die weinig melk maar veel werk gaven. En wat was het een geworstel om altijd maar weer voor voer te zorgen. Die tijd waren spurrie en klaver de meest gebruikte gewassen. De foto van Bezemer met de zeis aan het spurrie maaien is bekend in de geschiedenisboeken van Carambeí. Maar van spurrie schijten de koeien ontzettend en van te veel klaver krijgen ze vaak windpens. Als dat gebeurde, moesten de kleine jongens het beest een hele tijd in beweging houden want daar zou de windpens van wegtrekken. De jongens hebben wat afgelopen met een stokkie het beest almaar weer opjagend. Ze zagen de opgezette pens niet verminderen, dus riepen ze –“Pa, het helpt niks, mag ik ophou…”-, maar onveranderlijk kwam er dan een snauw – “Déurloopu!!!”-, en daar konden de jochies het mee doen.

In de dertiger jaren, kwamen er nieuwe mensen naar de kolonie en die begonnen over de noodzaak van moderne technologie te praten. Grootopa herinnert zich dat de coöperatie daar gehoor aan heeft gegeven. Siem Biersteker bracht nieuwe kennis wat betreft landbouw, Steffen Elgersma stelde toen al voor dat er melkcontrole gehouden moest worden, meester Jacob Voorsluys gaf lezingen over veevoeding en zo probeerde de kolonie zich technologisch omhoog te werken. Het eerste zaadje van wat jaren later de DAT zou worden, is toen geplant.

Eind jaren veertig bracht Bauke Dijkstra eersteklas vee mee naar Carambeí en, zeer belangrijk, ook een goeie stier. Deze stier had helemaal geen zin om naar Brazilië te vertrekken en is overboord gedoken om terug naar Friesland te zwemmen. Ze hebben hem weer aan boord gehesen en toen met veel zoete beloften toch naar Brazilië gekregen. Ja, stieren, daar kan je wat mee beleven. Dit was de grote stap in de richting van het in Carambeí opbouwen van één van de beste veestapels van Brazilië.

“Een goeie stier is het fundament van je bedrijf”, zei Bronkhorst in Arapoti altijd en daar zijn alle boeren het mee eens. Maar een stier op je bedrijf is ook levensgevaarlijk. Er zijn heel wat ongelukken gebeurd met deze machtige, wilde dieren. Ze zeggen niet voor niets ‘gevaarlijke stierenogen’! Koeien kijken dom uit de ogen, een stier kijkt kwaadaardig.

In 1955 is in Castrolanda het KI-station ingewijd waar met de modernste technologie van die tijd het sperma van de beste stieren gewonnen werd om de koeien in de kolonies kunstmatig te insemineren. KI staat voor Kunstmatige Inseminatie. Dat was een hele verbetering. Ten eerste hoefde men geen stier meer op het bedrijf te hebben en ten tweede had men zo de bloedlijnen van de koeien onder controle, en dat was veel waard vooral met de groeiende handel van het steeds bekender wordende vee van de Hollanders uit de kolonies. Door het hele land werden de zwartbonte koeien verhandeld.

Begin jaren zestig. Grootopa is op een dag nieuwsgierig en gaat een kijkje nemen hoe dat nou precies in zijn werk gaat op het KI-station. Diep onder de indruk loopt hij met zijn handen op zijn rug door het gebouw naar de reusachtige dieren te kijken die gelukkig individueel in sterke hokken vastzitten. Als hij over de deur van het hok kijkt, steekt de stier onveranderlijk zijn kop omhoog en geeft een diepe snuif. Aan ieder hok hangt een bord met de stoere namen van de stieren: Midhukster Patriot, Villeneuve, Star, Astronaut, Centurion Rocket… Dan komt hij bij het laboratorium waar een geleerd uitziend man in een witte jas achter zijn tafeltje zit. Opa laat hem maar rustig doorwerken, hij wil de vooruitgang niet storen met domme vragen. Opa loopt weer naar achteren en ziet daar een koe staan met haar kop tussen de staken. Hij noemt haar voor het gemak Clara Vier. De stieren hadden Clara Vier ook al opgemerkt, hoort Opa aan het bonken en stampen in de hokken. Hij ziet een man naar een van de hokken lopen, op het naambordje staat Pansy Foundation. De stier staat met zijn neus in de lucht te wachten en de man kan zo een touw aan de neusring binden. “Die vent kan goed met die beesten omgaan”, zegt Opa bij zichzelf. De man doet de deur open en daar komt Pansy Foundation in volle majesteit aanstappen. Kop in de lucht, snuivend en het slijm slingert alle kanten uit. Eén brok spieren en opgekropte energie. De man houdt hem stevig vast, dicht bij de ring. Opa ziet dat de man met de witte jas ondertussen ook is gekomen. Hij staat dicht bij Clara Vier en heeft één of ander rubber ding in zijn handen. Pansy Foundation krijgt steeds meer haast en heeft alleen nog maar oog voor Clara Vier. De Witte-Jas had zijn aandacht niet… en dat was nou zijn fout. Pansy Foundation steigert en… maar de Witte Jas is hem net voor en duwt heel snel het rubberen ding tussen Pansy Foundation en Clara Vier en het nageslacht van Pansy Foundation wordt opgevangen in een glazen fles. Opa ziet aan de oren van Pansy Foundation dat hij doorheeft dat-ie genaaid wordt… helemaal voor de gek gehouden! Hij daalt weer neder, maar al zijn majesteit is verdwenen. Opa heeft met het beest te doen. Van de stoere Pansy Foundation is nog maar een Pansy overgebleven. Zelfs de kleine stierenogen staan niet wild meer, en met zijn kop omlaag wordt Pansy terug naar zijn hok geleid… zonder gesnuif en zonder gespetter. Grootopa heeft genoeg gezien en loopt weg. Toen hij langs het laboratorium kwam, zag hij nog net de Witte-Jas Pansy’s nageslacht in pipetten opzuigen en in de diepvries doen. Ja, denkt Opa, de mens krijgt de natuur steeds meer in zijn macht. Dat is technologie. Het natuurlijke genieten verdwijnt!!

En zo werd het vee in de kolonies steeds beter geselecteerd. Maar er moest meer gebeuren. In de jaren zeventig is de DAT (Departamento de Assistência Técnica) opgericht, de grote kracht hierachter kwam van Dim Vermeulen. In die jaren kwam ook de eerste generatie jongeren van de universiteit af zoals veeartsen, landbouwingenieurs, ingenieurs, bedrijfskundigen, enz… velen van hen werden meteen aangesteld door de DAT om de boeren technische voorlichting te geven. Dim leidde dit met ijzeren hand en hij wist precies wat hij van zijn jongens wilde. Nou, zijn jongens hebben wat afgereden in hun witte Fusca’s door de kolonies, alle boeren langs. Grootopa herinnert er zich een paar, Henk Kassies, Jaap Voorsluys, Wim Jonker, Carlito Los, Richard Biersteker en dan nog een paar uit Nederland gehaalde technici zoals Toby Katsman, Sjaak de Best, Willem Stenveld… En we mogen zeggen dat Dim en zijn jongens perfect werk geleverd hebben. De koeien-, varkens- en kippenboeren hebben hiervan tot het uiterste geprofiteerd. Opa moet ook denken aan Hans Peeten die hier de vollegrondzaai praktisch heeft ingevoerd met medewerking van boeren zoals Franke Dijkstra die als één van de enthousiaste voorlopers dé grote propagandist van deze techniek door heel Brazilië is geworden, en in het buitenland, en dat tot zelfs op universiteiten in de Verenigde Staten waar notabene deze techniek oorspronkelijk ontwikkeld is. Frankes leuze is – “No Tillage and Sustainability”.

Deze vollegrondzaai was in de jaren veertig, vijftig al ontwikkeld in de Verenigde Staten nadat in de jaren dertig die bijzondere Dust Bowls of Black Storms ontstaan waren, vooral in staten als Nebraska, Kansas en Oklahoma. De hoogvlakten waren daar door de jaren heen zo uitgemergeld door diepploegen en het planten van monoculturen dat wanneer er een droogteperiode kwam de bovenste laag van de grond één dikke laag los stof werd. Toen, door een vreemd klimaatfenomeen, kwamen er windstormen opzetten die ontzettend grote stofwolken de lucht inbliezen. De grootste is ontstaan eind jaren dertig in Oklahoma. De stofwolk werd 800 meter hoog en over de 300 kilometer breed, ja, u leest het goed, 300 kilometer, en die is van Oklahoma over Washington tot een eind de Atlantische Oceaan op geblazen… zo´n 2500 kilometer van de plaats waar hij ontstaan was. Door het stof kon men geen meter ver meer zien. Duizenden boeren zijn toen failliet gegaan. De kranten over de hele wereld stonden er vol van. Het geluk was dat de stofwolk ook over Washington gegaan is en als de President niet op tijd zijn kantoorraam dicht had gedaan, had zijn stoel helemaal onder het stof van Oklahoma gezeten. Diep geschrokken heeft de Amerikaanse Regering alle specialisten van het land opgetrommeld en gezegd dat er een oplossing moest worden gevonden en dat dit zich niet mocht herhalen. Toen is deze nieuwe methode ontwikkeld.

In de kolonies hebben we ook onze kleine dust bowls gehad, maar het grote probleem hier was in feite het spoelen. Wanneer het land er prachtig glad en ingezaaid bijlag, kwam er zo’n typisch Braziliaanse regenval, en we weten allemaal hoeveel water er dan kan vallen in één uurtje. Met zo´n bui spoelde soms wel meer dan 30 % van het bouwland de rivier in. Groot verlies voor de boer. Maar toen kwam Hans Peeten met de nieuwe methode en de boeren met de moed om die hier te testen. Dat is de redding van de landbouw in Brazilië geweest!

De DAT-krant met haar technische artikelen was een bekend en graag gelezen blad in heel het land. De jaren zeventig en tachtig waren op dit gebied de jaren van een gigantische technische vooruitgang. Ook de zuivelfabriek heeft hier natuurlijk van geprofiteerd want die kreeg de beste melk van Brazilië aangevoerd en haar producten werden bekend als zijnde van de hoogste kwaliteit. Goeie melk, goeie producten, slechte melk, slechte producten… zo is dat nu eenmaal.

Nu, bijna zestig jaar later, moet Grootopa nog lachen als hij denkt aan Clara Vier toen hij het KI-station uitliep, zij keek hem na met zulke domme niet-begrijpende ogen… mooie tijden waren dat. Het boeren was in die tijd al heel wat anders dan toen ze in 1909 in Gonçalves Junior aankwamen. De meesten kwamen zonder misschien ooit een koe aangeraakt te hebben. Daar zaten ze toen, zonder leiding of enige technische voorlichting. Dat kon toen alleen maar misgaan!

Opa steekt zijn pijpie weer aan. December 2011, het jaar dat de historie ingaat als “Ano Brasil–Holanda”. Dat is een eerbetoon aan de ploeteraars van het begin van de vorige eeuw. Deze hadden nooit durven dromen dat het de kolonies ooit zó goed zou gaan. Grootopa zelf ook niet, trouwens.

 

 

Dit artikel werd reeds geplaatst in het Maandblad De Regenboog nummer 153 – December 2011