IN DE KERK

 

 

door Peter Bosch

 

 

Grootopa zit, zoals gewoon, vijfentwintig minuten voor de dienst begint al in de kerk. Het is warm al is het nog midden in de winter. Er klinkt een zachte muziek uit de luidsprekers. Opa luistert wat beter en herkent het lied Amazing van Thomas Newton. Om zo´n mooi lied te maken zou je je toch voorstellen dat Thomas Newton een monnik was die helemaal alleen in zijn donkere kloosterkamer zat toen hij hieraan werkte, met geen ander licht dan een kleine kaarsenkandelaar. Niks is minder waar. Thomas Newton leefde in de tweede helft van de jaren zeventien honderd en was kapitein op een schip dat slaven transporteerde van Afrika naar Noord-, Midden- en Zuid-Amerika , en terwijl onder in het donkere ruim de mensen huilden en stikten in hun eigen vuil zat Thomas in zijn kapiteinkajuit één van de prachtigste melodieen te schrijven die er ooit gecomponeerd is.

Grootopa ziet steeds meer mensen de kerk binnenkomen, praktisch in dezelfde volgorde en op dezelfde tijd als iedere zondag. Ook de laatkomers zijn altijd dezelfden. En zoals  iedere week weer, gaat iedereen op zijn “eigen” plek zitten, of in ieder geval er dichtbij. Hij ziet ook verschillende stelletjes waarvan de man of vrouw braziliaan is en misschien oorspronkelijk uit een heel andere kerk komt. Maar dat geeft vandaag de dag gelukkig niks meer. Opa herinnert zich dat zijn kleindochtertje hem eens vroeg –‘Opa, wat is eigenlijk het verschil tussen presbiteriaan, protestant, evangelisch, gereformeerd, hervormd, luthers en katholiek?’- Hij had toen eerst heel geleerd naar boven gekeken, diep nagedacht, en toen eerlijk moeten toegeven dat hij daar geen uitleg voor had. ‘Mijn lieve kind, dat moet je toch maar aan de dominee vragen’- heeft hij toen voorgesteld. Of het meisje daar ooit de moeite voor heeft genomen weet Opa niet.

Precies om tien uur gaat de deur van de konsistoriekamer open en komen de diakenen, de ouderlingen en de dominee binnen. De laatste ouderling geeft de dominee plechtig een hand en doet de deur achter zich dicht. Grootopa is nieuwsgierig wat de ouderling eigenlijk zegt tegen de dominee, zou dat nog hetzelfde zijn als vroeger, een gezegende dienst, of zou hij hem maar gewoon succes wensen?

De dienst begint. De liturgie is door de jaren heen gelukkig niet veel veranderd vind Opa, alleen de psalmen en gezangen die gezongen worden zijn niet meer ouden. Er worden veel liederen gezongen die Opa nog nooit gehoord heeft en hij mist de psalmen waar hij zo lekker méé kon galmen.

Na het gebed en de informaties over de gemeente roept de dominee de kinderen op om naar de zondagschool te gaan en dan gebeurt er iets waar Grootopa zich iedere zondag weer over verbaasd. Als hij gedurende het zingen en gebed voorzichtig rondkijkt ziet hij op z´n hoogst een stuk of drie kinderen, maar wanneer de dominee de kinderen oproept voor de zondagschool doemen er plotseling over de dertig kinderen uit het niets op, en als ze weg zijn merk je eigenlijk niet eens dat ze in de kerk waren.

Grootopa kijkt rond, ziet de mensen zitten en herkent nog bijna alle families van vroeger. Velen zitten nog op de plaats waar in de jaren zestig zij als kinderen met hun ouders zaten. Je kan nu in het jaar 2011 bijna niet meer spreken van een kolonie, daar zijn we te groot voor geworden en te veel gemengd met mensen van buiten, maar toch is het nog steeds een gemeente van mensen die heel dicht bij elkaar staan. De kerk is altijd het middelpunt van de gemeente geweest en geeft veel mooie herinneringen. Hij denkt dan aan de kerstdiensten en trouwerijen of het dopen van een kleinkind, maar ook zoveel trieste herinneringen en hij denkt aan de rouwdiensten die hier gehouden zijn, zo triest, vooral van kinderen en jonge mensen. Een totaal verslagen gemeente zat er dan in de kerk te kijken naar een kist, of soms twee, overdekt met een zwarte doek. Er bestaat geen grotere pijn voor de mens dan het verliezen van een kind, dat is tegen de regels van de natuur in, en het is toch zo vaak gebeurt in Carambeí, Castrolanda en Arapoti. Opa krijgt het moeilijk als hij denkt aan het verdriet die de ouders hebben moeten verdragen en schudt even zijn hoofd als om die nare gedachten weg te schudden. Op zulke momenten merkt iedereen het weer hoe fijn het is om te weten dat je in een gemeente woont, tussen mensen die je kan vertrouwen en die elkaar proberen te helpen als de last te zwaar wordt om alleen te dragen. Ja, daar is Grootopa zeker van, de kerk is niet weg te denken uit onze kolonies, hoe groot en rijk we ook worden.

Hij denkt aan de jaren zestig De kolonie bestond toen al meer dan vijftig jaar, maar was nog echt een kolonie in de ware zin van het woord en het Nederlandse was nog praktisch de dagelijkse voertaal. Alle families hadden een schare kinderen en in de kerk had iedere familie zijn vaste bank, sommige hadden zelfs twee banken nodig.  Dat was een mooie tijd vond Opa, misschien wel de mooiste tijd die de kolonie gekend heeft.

In die tijd werden alle volwassenen door de kinderen Oom en Tante genoemd, of ze familie waren deed er niet toe. De kans was natuurlijk zeer groot dat het een echte oom of tante was, want door de jaren heen waren alle families wel zo´n beetje onder elkaar getrouwd. In die jaren was er bijna nog niemand met een braziliaan getrouwd, dat is pas in de jaren zeventig in gekomen. Opa ziet ze nog zitten Ome Leen, Ome Aart, Ome Wim, Ome Daan, Ome Ai, Ome Lolke … en alle tantes, Tante Ant, tante Went, Tante Wennie, Tante Niesje, Tante Leentje, Tante Suze, en noem  maar op… En allemaal hadden ze tussen de zes en acht kinderen. De kinderen waren in die jaren tussen de vijf en twaalf, dertien jaar, en zij moesten dan gedurende de hele dienst stilletjes in de bank blijven zitten.  Dat viel natuurlijk niet mee, vooral gedurende de preek, daar luisteren kinderen van die leeftijd misschien twee minuten naar. Opa moet glimlachen als hij aan het geschuifel en gewoel in de kerk van toen dacht, vooral het krakend geluid van de snoeppapiertjes die de kinderen kregen om zoet te blijven zitten. Om de paar minuten hoorde je een moeder  “Ssssstt!!” zeggen, of zag hij één van de kleine een draai om z´n oren krijgen .

De gewoonte om iedereen maar oom en tante te noemen bracht wel eens een probleem voor de kinderen. Meester Sijpkes was hier nog niet zolang of hij trouwde met de een van de De Geus dochters, en was toen in één keer oom van de halve kolonie.  Maar de kinderen hebben hem nooit Ome Henk genoemd, hij is altijd gewoon Meester gebleven. Grootvader kan zich trouwens niet voorstellen dat de kinderen de meester in school oom zouden noemen. Hij ziet het al gebeuren, – ‘Ome Henk, mijn rekensom komt niet goed uit…’!- Hij ziet de meester al opvliegen.  Het was ook zo´n probleem toen Dominee van Hattem met zijn familie kwam. De kinderen zagen de deftige mevrouw van Hattem en durfden haar geen tante te noemen, maar toch, de gewoonte maakte het moeilijk om het niet te doen, dus daar werd wat op gevonden, ze noemden haar gewoon Tante Mevrouw.

De preek is net begonnen, in het Portugees, maar Grootopa kan zijn gedachten er niet bijhouden. Ineens moest hij weer denken aan ome Henk Kooy. Kooy werkte al jaren voor de cooperatie in een leidende funktie (misschien ook wel vaak met een lange ‘ij’!) en was een man die van punctualiteit hield… ook in de kerk. Hij had de gewoonte om als hij vond dat het tijd was dat de dominee eens een punt achter zijn verhaal zette, te gaan zitten draaien op zijn plek. En als hij vond dat het écht tijd was voor het ‘amen’ stak hij heel breeduit zijn arm in de lucht en keek eens goed naar zijn horloge en dan naar de dominee. De dominee deed net of hij niks zag, natuurlijk, maar misschien zonder het zelf te merken ging hij toch wat sneller preken.

Rond kijkend viel het Grootopa op dat de mensen nu niet meer in zondagse kleren komen. Nu hoeft dat ook niet meer. Maar vroeger had iedereen speciale kleren om naar de kerk te komen. Dat moest toen ook wel want alle boeren en veelal ook hun vrouwen, werkten hard mee op het bedrijf en door de week kon je aan de mensen ruiken waar ze mee bezig waren geweest: Kippen vangen, varkens laden, kuilgras steken, enz…

Nu hij aan luchtjes denkt herinnert hij zich dat hij net in de krant gelezen heeft dat de koeien een probleem vormen voor het milieu. De methaangassen die uit hun ingewanden komen zijn namelijk slecht voor de ozonlaag in de hoge atmosfeer die de mens tegen de ultravioletstralingen van de zon beschermd. Wat dat precies betekent snapt Opa niet, maar hij begrijpt wel dat de mens weer iets heel gevaarlijks heeft ontdekt. Tot gisteren totaal onschadelijk  beschouwd, was nu ineens een koeienscheet gevaarlijker dan dat hij ooit heeft kunnen dromen en in de toekomst misschien wel verantwoordelijk voor het uitsterven van de mensheid op de aarde.

Over gassen gesproken. Opa moet opeens denken aan een leuk voorval die vroeger in de kerk is gebeurd. Wij allemaal hebben wel eens last van gassen en alle dagen laat iedereen die wel op een zeker moment de vrije gang gaan. Als we in publiek zijn houden we ons in of we doen het heel voorzichtig en lopen dan gauw weg zodat niemand weet wie de omgeving heeft verpest. Maar in de kerk doen we ons best om alles in te houden want je kan daar niet weglopen en iemand anders de schuld geven. Jaren geleden zaten alle ooms en tantes met hun kroost in de kerk toen Ome Bas ineens last kreeg van een luchtbel in zijn buik. Bas was één van die mensen die wij levenskunstenaars  mogen noemen, altijd opgewekt, vrolijk en vol grote verhalen en streken. Maar die zondag voelde hij zich niet zo lekker. Eerst probeerde hij de gasbel weer terug te duwen maar dat lukte niet zo goed. Dus hij zat een beetje draaien en te doen om te kijken of er opluchting kwam maar nee hoor, hij voelde dat het mis ging. Dus concentreerde hij zich goed op de uitlaat en probeerde de lucht er heel langzaam en stilletjes door te laten vloeien zoals zo velen van ons dat wel eens doen als de nood het hoogst is. Of niet soms?  Maar ja, op zulke kritieke momenten kan het noodlot toeslaan. In die jaren lagen er nog geen kussens op de banken en we zaten regelrecht op een kale, gladde plank. En in plaats van het geluid te dempen werkt zo´n gladde plank juist als versterker. Dus in plaats van als een zachte gevaarlijke wind kwam deze er al toeterend uit. De kerk was ineens doodstil.  Zelfs de kinderen hielden op met schuifelen.Toen draaiden ze als één allemaal naar de kant waar Bas zat. Want van hem kon je zo’n streek verwachten. Maar wat doet Bas? Hij draait zich snel om naar Ome Jaap die op de bank achter hem zit en kijkt hem met een beschuldigend gezicht aan. Jaap had niet de snelle tegenwoordigheid van geest als Bas en raakte in de war en voelde een hittegolf naar zijn hoofd vloeien en werd vuurrood. Dan kijkt Bas weer voor zich, heel serieus, schudde meewarig zijn hoofd en wachtte tot de dominee weer verder gaat.

Dát zijn nou de leuke dingen voor de mens!!

Vandaag de dag is trouwen in blijde verwachting heel normaal. Vroeger was dat anders! In zo´n geval wist iedereen dat het stelletje móest trouwen. Foei toch! Heel wat hebben er moeten biechten voor de in de kerk en ook nog moeten beloven het nóóit meer te doen. Ja, waar dat nou precies op slaat heeft Grootopa nooit begrepen…

De trouwerijen waren vroeger ook heel anders. In de kerk stond er hoogstens één fotograaf die wat fotos nam op momenten dat hij de dominee absoluut niet lastig viel. Vandaag de dag mag je blij zijn als je de dominee nog ziet staan. Er staan soms wel tien beroepsfotografen in zwart pak en flitsende apparaten en die duiken dan net als een stel aasgieren over het bruidspaar heen om maar geen detail te missen. De ouders die op de voorste bank zitten zien er dan maar zielig uit. De vader van het bruidje kijkt nog even naar een ouderling met een gezicht van – ‘Ik kan er echt niks aan doen… ik heb niks meer te vertellen’, en geeft zich dan over en laat alles maar over zich heen komen.

Op het feest zelf gaat het ook heel anders. Vroeger kon men nog rustig praten op het feest dat meestal gehouden werd in een mooi versierde stal met dennetakken en rozepapier. Er werden voordrachten gedaan en leuke schetsjes over het leven van het stelletje, alles onder leiding van een ceremoniemeester die het feest aan de gang hield. Er stond toen al wel een clugebouw in Carambeí, maar om daar een feest in te houden was meestal niet naar de smaak van het bruidstel want men mocht er namelijk niet in dansen omdat deze gebouwd was met het hout van de oude kerk die afgebroken is toen de huidige kerk  eind jaren vijftig is gebouwd. Vandaag worden er reuze feesten gehouden in de grote Clube Social en is het lawaai van de muziek zo hard dat je eigenlijk alleen maar een beetje ja en nee zit te knikken net doende of je alles verstaat, en vaak even heel hard meelacht, ook al weet je absoluut niet waar de mop over ging. Nee, je kan het beste maar gaan dansen…

Onder de preek ziet Grootopa dat sommige mensen het toch wat moeilijk krijgen met het opletten. Hij moet een beetje glimlachen en denkt aan Dominee van Hattem. Dominee van Hattem had de meest origineele methode om de mensen allert te houden gedurende zijn preek, die Grootopa zich kan herinneren. Velen hebben het misschien nooit precies in de gaten gehad maar hij deed het volgende: Dominee´s jongste zoontje kon geen sekonde stilzitten, die was altijd in de weer, en dat wist de hele gemeente. Doch in de kerk was hij toch meestal redelijk stil. Maar wat deed dominee nou? Als hij merkte dat er velen van zijn publiek indoezelden  zei hij ineens keihard midden in de preek: “Arie Willem, opletten!!!” En iedereen was plots weer helemaal wakker. Alleen Arie Willem, arm jochie, die voelde zich dan net als Pietje Bell, vol zelfmedelijden.

En zo had iedere dominee zijn eigen kort belangrijk tijdperk. Dominee Muller hield zijn kudde in bedwang met zware preken over zijn geliefde onderwerp ‘De tien geboden’. Hij had toen die tijd één meevaller en dat was dat de kolonie nog niet zo leed onder de wereldse invloed van buiten. De jongetjes in de jaren 30 waren trouwens net zulke grote deugnieten als vandaag de dag. In die jaren stond er een kleine WC buiten de school, je weet wel, zo´n klein romantisch schijthuisje. Maar de jongetjes van toen, de opa´s van nú dus, hadden een leuk spelletje uitgedacht. Als er een meisje naar het hokje ging hoorde je al gauw een schreeuw van – ‘ Jongens, een meid op de plee!!’ – en dan rende er een stelletje op af en gooiden zomaar het hele hokje omver. Tot aan de dag dat ze niet goed opgelet hadden wie er in het hokje gegaan was en dat pas merkten toen die omgeduwd was … daar zat namelijk de juffrouw op de troon, in volle glorie. Toen hebben ze dat spelletje maar afgeschaft.

Dominee van Hattem en Meester Sijpkes hebben in feite de ouders van nu opgevoed. Grootopa keek eens in de kerk rond en zag daar al die gedegen mannen en vrouwen met hun kinderen zitten, sommigen al zelf opa en oma. Allemaal zo tussen de 50 en 60 jaar. Grijze haren of kaal en heel serieus kijkend zitten ze daar in de banken. Een paar ervan in het voorgestoelte als ouderling en diaken. Grootopa weet nog heel goed dat deze eerbiedwaardige ouders ook hun wilde jaren hebben gehad en goed ook. Wie het meest geleden heeft om dezen op het rechte pad te houden is Dominee Witzier geweest. Hij had de eerste generatie onder zijn hoede waarvan bijna alle jongelui in Ponta Grossa of Curitiba ‘verder leerden’ en dus een heel ander blik van de wereld hadden dan de vorige generatie die praktisch niet uit de kolonie was weggeweest. Deze jongelui wisten precies wat er in de wereld buiten de kolonie te koop was.

Dominee Witzier heeft heel wat zaterdagavonden midden in de nacht de beruchte bailes in donkere, lege kippenschuren, alleen belicht met wat flikkerlichten die flitsten op het ritme van de harde rock’n’roll muziek, afgelopen en die met moeite iets over twaalven laten stoppen, onder luid protest van de jongelui. Volgens hem was het grootste probleem niet de wilde dans op de muziek van Creedence Clearwater Revival, nee, het probleem was de schuifeldans op de zogenaamde ‘musica lenta’ zoals van Lobo, en dat begon altijd zo tegen middernacht. Daar kreeg je alleen maar ‘moet-trouwerijen’ van, volgens de Dominee. De jongelui in de jaren zeventig hbben een hele overgang meegemaakt. Ze hadden vroeger als kinderen van tien of twaalf leren walsen van hun moeders op de muziek van Strauss, doch een paar jaar later kwamen de platen van The Beatles, The Rolling Stones, enz… de kolonie binnen. Strauss en James Last lagen in één keer in de hoek. Grootopa denkt dat die nooit meer gespeeld zijn.

‘Amen!’- zegt de dominee en Grootopa schrikt wakker uit zijn herinneringen. Het orgel begint te spelen en het geluid klinkt indrukwekkend door de kerkzaal. Hij kijkt naar de organist die vandaag eens niet achter de schutting zit en ziet Egbert wiegend op de melodie de toetsen bespelen. Opa krijgt een gevoel van respect voor hem die iedere zondag weer, week na week, jaar in jaar uit, trouw de dienst komt begeleiden met muziek. Opa kan zich geen kerkdienst indenken zonder dit orgelmuziek. Gelukkig zal Egbert dit nog wel enige tijd door blijven doen. In zijn gedachten zet Opa de kerkorganisten van de laatste 40 jaar op een rijtje, mevrouw van Westering, Struiving, Ome Auke en nu Egbert. Maar wie zal hem opvolgen? Grootopa weet dat hij zich hier niet te druk over hoeft te maken want er is talent genoeg in onze gemeente, maar of dat talent meekomt met zoveel toewijding en discipline als onze organisten tot nog toe hadden is nog een vraag.

Eenmaal buiten ziet Opa de meeste mensen nog even napraten over het weer en over de prijzen van soja en melk, en ook nog iemand die zei – ‘het was een goeie preek vandaag’. Opa schaamt zich een beetje want hij heeft door zijn mijmeringen zelf helemaal niet goed opgelet en weet niet meer waar het precies over ging. Maar hij maakt zich daar maar niet te druk over, hij heeft al zoveel gehoord dat er wel niet veel nieuws gezegd zal zijn. Hij steekt zijn pijpie aan een loopt met zijn armen achter zijn rug naar huis. Het is zondag dus er zal wel een pan lekkere soep staan wachten.

Dit artikel is geplaatst in het maandblad De Regenboog nummer 151 – Oktober 2011