Fietsen in Carambeí

 

door: Peter Bosch

 

Eén van de redenen dat Jan Verschoor naar Brazilië emigreerde, was dat hij het zat was om in Nederland in weer en wind op de fiets zijn kost te moeten verdienen. Hij was in Zuid-Holland vertegenwoordiger van de Singer-naaimachines. Jan leed aan astma en het klimaat dat hij moest trotseren tijdens zijn fietsreizen deed hem geen goed. Toen hij naar Brazilië emigreerde, heeft hij zijn fiets dan ook niet meegebracht.

Arie de Geus, de oudste zoon van de patriarch Aart Jan de Geus, handelde in ´s Gravendeel in fietsen. Arie is als voorloper in 1912, samen met zijn broer Leen en zwager Jacob Voorsluys naar Carambeí gekomen, gelokt door de verhalen van Jan Verschoor die hier al woonde sinds 1911. Toen de rest van de familie De Geus naar Brazilië kwam in 1913, heeft Arie een lading fietsen mee laten komen omdat hij dacht dat die hier een gat in markt zouden zijn, maar dat viel tegen. Ten eerste moet je hier in Brazilië heuvel op heuvel af, en ten tweede was er in die tijd in Carambeí alleen een soort pad dat goed was voor paard en sjees maar voor een fiets bijna onmogelijk te berijden. Ook de fietsenverkoop in de stad Ponta Grossa liep niet denderend. Er waren maar een paar straten geplaveid met ronde hobbelsteen waartegen de Nederlandse fietsbanden niet goed bestand waren. De fiets is nooit echt een veelgebruikt vervoermiddel in Carambeí geweest.

Maar er komt verandering in; niet alleen in Carambeí trouwens, maar in heel Brazilie.

Doch, het is niet zoals men verwachten zou een vervoermiddel geworden, nee, de fiets wordt praktisch alleen maar voor de sport gebruikt.

Pas zat ik op het straatje naar de tuin te kijken toen er een stuk of vijf, zes fietsers voorbijkwamen. Niet zomaar fietsers die voor hun plezier een rondje reden, nee, deze mannen zagen eruit of ze aan één of andere wedstrijd meededen. Ze stopten onder onze grote kapokboom om wat uit te blazen in de schaduw. Toen ik wat beter keek, zag ik dat het maar gewoon amateurs waren die gezond trachtten te blijven. Maar ik was bang dat deze mannen een beetje te ver gegaan waren met gezond proberen te blijven, want er waren er een paar bij die volgens mij beter verder konden gaan met een ambulance. Hun ogen stonden bol en waren vuurrood en het zweet liep in stralen van het voorhoofd. Ze kwamen uit Ponta Grossa en hadden er dus al zeker zo´n 30 kilometer op zitten, berg op berg af. En nu moesten ze weer helemaal terug!

Maar nou komt de moraal van het verhaal. Doordat de fiets niet gebruikt wordt als gewoon vervoermiddel, maar slechts voor de sport, wordt er ook verwacht dat men zich ernaar kleedt. Je kan niet zomaar met gewone kleren op de fiets gaan zitten. Hoe oud je ook bent! Van dichterbij bekeken waren de fietsers allemaal mannen van over de veertig jaar, maar… een sporttenue dat ze aanhadden! Nou, om je dood te lachen. Net balletdansers met hun ballroomblitzgekleurde strakke broeken om hun niet weg te moffelen ronde welvaartsbuikjes geplakt… ze hadden beter kunnen gaan diepzeeduiken met die pakjes. Hoewel de flikkerende kleuren alle vissen zouden hebben afgeschrokken.

Je houdt het niet voor mogelijk wat mode doet met mensen. Je weet echt niet wat je ziet als je daar zo´n stelletje aan ziet komen fietsen, kromgebogen over hun stuur. Alles is aerodynamisch, van helm tot strakke hemden en broeken. Hoe hard de tegenwind ook is, niks beweegt er aan het lichaam, de lucht vloeit over ze heen alsof het niks is.

De helm heeft ook al zo´n eigenaardig design, er zit een punt aan die naar voren steekt, ook al voor de aerodynamica, denk ik. Maar als je dan zo´n fietser van voren aan ziet komen met helm diep getrokken over z´n zonnebril, lijkt het net een soldaat uit de Eerste Wereldoorlog met gasmasker op, maar dan in alle kleuren van de regenboog.

Ik kan het niet laten. Ik zie Grootopa weer lopen langs de Avenida dos Pioneiros, lekker lurkend aan z´n pijpie, genietend van het mooie weer. Daar komt dan zo´n fietser aan. Opa staat stil om goed te kijken wat dat eigenlijk is wat daar zo hijgend op de fiets aankomt. Dan, als hij het masker ziet, schrikt Opa en instinctmatig krimpt hij een beetje in elkaar terwijl hij zich alle kanten uitdraait om te kijken waar de gele, dodelijke wolk mosterdgas vandaan moet komen. Gelukkig blijkt de hemel schoon te zijn en nergens is iets vreemds te zien.

Als de fietser voorbij is, kijkt Grootopa hem nog lange tijd na, niet gelovend wat hij ziet. Bij iedere trap glijden de in strakke broek gewikkelde billetjes van de ene naar de andere kant op het gladde, dunne fietszadel. Zoiets had Opa nooit verwacht nog eens te zien. Toen hij er zeker van was dat de fietser hem niet meer kon horen barstte Opa uit in een schaterlach. Met tranen in zijn ogen staat hij nog enige tijd na te snikken. Nu had hij weer eens een prachtig verhaal om thuis aan Oma te vertellen. Opa moest weer lachen toen hij zich voorstelde hoe die fietser er van voren uitziet in dat strakke pakje, staande naast zijn fiets… Jammer dat Arie de Geus deze tijd niet mee kan maken, denkt Opa, nu is er tenminste markt en afzet voor fietsen. Al zijn het natuurlijk niet meer van die oerdegelijke, zware mannenfietsen die hij honderd jaar geleden importeerde uit Nederland en waar Kees de Geus iedere zaterdag op naar Ponta Grossa fietste over een weggetje vol stenen, gaten, zand en modder als het regende, om bij zijn Jannigje te wezen. Nee, vandaag de dag zijn het vederlichte fietsen met 36 versnellingen… Kees had slechts de kracht en motivatie gedreven door de liefde.

Maar nu weer even serieus. We moeten eerlijk blijven. Ik steek nu wel de gek met die strakke broeken van onze atleten, maar die zijn tweehonderd jaar geleden ook al mode geweest, al waren ze toen niet zo kleurrijk. In de jaren zeventienhonderd en de eerste helft van de jaren achttienhonderd hadden de elite en hoge officieren allemaal van die strakke, witte broeken aan. Goed hoog opgetrokken tot ver boven de navel. Kijk maar eens naar een schilderij van de historische helden uit die tijd. We zien Napoleon staan in zijn witte broek en we kijken niet eens vreemd op, weet u hoe dat komt? Dat komt omdat ze toentertijd slim waren. Zo´n strakke broek tussen je benen verraadt namelijk heel veel. Moet je eens indenken hoe zo´n broek je staat in de winter als het vijf graden vriest! Wees er maar zeker van dat iedereen gelijk weet hoe koud jij het hebt, mijn vriend.

En wat hebben de mannen van toen gedaan om niet om hun mannelijkheid bespot te worden? Heel simpel, net als de vrouwen die in de vorige eeuw ontdekten dat je met een opgevulde beha jarenlang de mannen voor de gek kan houden, gebruikten onze historische helden een opgevulde “peha”. Wat ik met “peha” bedoel laat ik aan ieders eigen fantasie over.

Wie mij niet geloven wil, moet de volgende keer als hij naar een schilderij van de helden van toen kijkt maar eens goed opletten. Dat is cultuur die je op school niet leert.

Maar we gaan weer terug naar onze fietsen. Fietsen is inderdaad heel gezond. Jammer dat het zo moeilijk te beoefenen is in ons Carambeí. In het boek “Over Levensverhalen Vertellen I” uitgegeven ter ere van het 100-jarig bestaan van Carambeí, schrijft de heer Rodrigo Horochovski het volgende: “Langs de Avenida komt men verschillende industrieën tegen, veel winkels en grote, comfortabele woningen. Degene die goed oplet ziet iets wat men niet vaak in een Braziliaanse stad tegenkomt: bijna langs de gehele Avenida ligt een fietspad waar fietsers rustig kunnen rijden en dat zijn er heel wat in deze stad”.

Wat ik hierover wil zeggen is dat je wel echt met de analytische blik van Grootopa moet kijken wil je langs de Avenida een fietspad zien waar fietsers “rustig“ kunnen rijden. En ik wil langs deze weg alle fietsers in Carambeí waarschuwen dat als je dat fietspad gaat gebruiken je ook echt dat strakke fietserstenue aan moet trekken, in alle kleuren van de regenboog, zodat je goed opvalt en niet voor je sokken gereden wordt.

 

Dit artikel is geplaatst in het maandblad De Regenboog nummer 147 – in Juni 2011