Interview met Grootopa

 

Interview met Grootopa

 

Grootopa heeft ons geschiedenissen doorgegeven die niet in de boeken staan, maar die daarom niet minder informatief en interessant waren. Hij was daarbij zuinig met informatie over hemzelf. Omdat ik wat meer wilde weten óver Grootopa, heb ik hem het hieronder volgende interview afgenomen.

 

U heeft jarenlang de mensen in de kolonies geobserveerd en met hen meegeleefd, u heeft ook al jaren het nieuws gevolgd en dus moet u wel een grote mensenkennis hebben. Verbaast de mens u niet? En dan heb ik het niet alleen over de koloniemens, maar de mens in het algemeen. Kunt u dat uitleggen?

Wat me het meest verbaast, is dat de mens eigenlijk niks verandert door de eeuwen heen… De koloniemens ook niet. De mensen die ik honderd jaar geleden gekend heb, hadden toen precies dezelfde gevoelens als nu… ze waren blij, triest, gemeen, goedgeefs, ruzieden graag, hielden van roddelen, maar als puntje bij paaltje kwam was de hele gemeente als één blok. Wij zullen nooit veranderen, met de tijd wel anders handelen, maar van binnen zijn we nog hetzelfde. Eén grote deugd van de Carambeí koloniemens wil ik graag even noemen, dat is de hartelijke gastvrijheid waarmee ze je thuis ontvangen… altijd wordt er gevraagd of je mee wil eten, als het etenstijd is natuurlijk (rsrsrsrsrs…). Dit is een gewoonte sinds de allereersten hier kwamen. Van gouverneur tot landloper, hij werd uitgenodigd aan tafel. Deze hartelijkheid zit er nog altijd in.

We mogen trots zijn op wat er gepresteerd is in de kolonies, en ik weet dat u het daar helemaal mee eens bent. Kunt u iets zeggen over wat de technische vooruitgang ons gebracht heeft?

Nou en of we daar trots op kunnen zijn. Wij zijn referentie in het hele land op vele gebieden… landbouw en melk. Toen we hier aankwamen, honderd jaar geleden, daalden wij op technisch gebied wel in een heel ver verleden. We hadden best wel wat kennis in ons hoofd, maar om dat hier uit te voeren viel niet mee. In Gonçalves Junior was het helemaal erg. Daar hadden de meesten helemaal niks geen verstand van grond of planten of wat dan ook. Maar hier in Carambeí, toen de tweede groep kwam om de Verschoren en Vriesmannen te versterken: De Geus, Voorsluys, Los en Harms, kwam er kennis van zaken mee en dit is heel langzaam uitgegroeid tot een succes. Nu weer een aardigheidje over de mens: Vroeger werden de eerste trekkertjes en machines bereden door de boeren of boerenzoons zelf. Als je die oude dingen in het museum ziet staan, krijg je precies de indruk van hoe moeizaam en ongezond en gevaarlijk werken het toen was op die gevaartes. De boer deed het allemaal zelf zonder het flauwste benul van veiligheidsnormen! Nu zien we prachtige, moderne, computergestuurde machines, met een comfort waarvan men vroeger nooit had kunnen dromen over het land rijden… bestuurd door de knechten. De boer bestijgt deze geweldige machines alleen maar als er een optocht is op feestdagen. Dat zijn van die leuke dingen voor de mens.

Wat kan de geschiedenis ons leren?

Dat het doorzettingsvermogen alle moeilijkheden opzij schuift en dat dit een kwaliteit is die een pionier moet hebben anders kan deze beter thuisblijven.

Wat was het meest komische of bizarre dat u in uw leven heeft gezien of meegemaakt?

Als je zo oud wordt als ik dan heb je inderdaad héél veel gezien, gehoord, geroken en geproefd. We hebben héél veel gelachen… vaker om een ander dan om onszelf, natuurlijk. Het probleem is dat de komische gevallen meestal leuk zijn voor een ander en niet voor de betrokkene of zijn familie. Met mijn groeiende ouderdom is gelukkig ook mijn wijsheid gegroeid. En vandaag ben ik wijs genoeg om te weten dat vele verhalen eigenlijk pas na zo´n zeven generaties publiek gemaakt mogen worden. Daarom luister ik meer dan dat ik vertel. Rsrsrsrsrs…!!

Is er iets van vroeger dat u over zou willen brengen naar deze tijd? Of: waar heeft u heimwee naar?

Als ik vandaag de dag aan mijn pijpie trek, en ik zie al die mensen heen en weer rennen in grote haast, dan verlang ik weer terug naar de tijd dat we tijd voor elkaar hadden. Ik ben nu oud. Heel oud. Op mijn leeftijd ben ik eigenlijk niet meer dan een bezienswaardigheid. De jongere mensen kijken naar mij en vinden deze ouwe knakker wel interessant, glimlachen en vragen hoe het met me gaat, maar voordat ik mijn pijpie uit m´n mond haal en kan antwoorden geven ze me ongeduldig snel een handje of een schouderklopje en lopen weg. Ik ben al gestopt met antwoord proberen te geven. Ik knik alleen nog maar en zuig dan diep aan mijn pijpie.

Welke tijd heeft de meeste indruk op u gemaakt en waarom?

Ik vind dat voor Carambeí de jaren zestig en zeventig de mooiste jaren waren. In die jaren was er een zekere gelijkheid in de kolonie tot stand gekomen, wat betreft bezit en levensniveau. Er was ook een grote groep opgroeiende jeugd die een mooie opleiding kon volgen, en de mensen begonnen wat meer geld te hebben voor vermaak en vakanties. Ja, ik denk dat dit de mooiste tijd is geweest. Wat ik ook zo mooi vond toen, is dat een groot gedeelte van die jeugd ook nog goed communiceerde in het Nederlands, en dat na 60 jaar! Dat vond ik eigenlijk best indrukwekkend. In Engelse kolonies verdwijnt de Nederlandse taal meestal na één generatie.

U bent van het stichten van de kolonies tot nu, de moderne tijd, een altijd aanwezige geweest. U kent vast heel wat gerechten. Wat is uw lievelingsgerecht?

Oei, dat is een goeie vraag. Eigenlijk ben ik een zó simpele man dat ik je geen enkele naam van een gerecht kan noemen… trouwens, als de naam een beetje vreemd klinkt dan wil ik het eerst goed zien en ruiken voordat ik het in mijn mond steek. Maar het prakkie waar ik het meest naar terug verlang is aardappels met appelmoes en boterjus, en een goed doorgebakken stukkie vlees. Rabarber vond ik ook altijd zo lekker vroeger. Maar niks van dit al is hier te vinden. Jaren heb ik ernaar gesnakt.

Een prangende laatste vraag, als ik hem stellen mag is: Hoe oud bent u? Ze zeggen weleens: een tevreden roker is geen onruststoker, maar tegenwoordig vindt men roken maar niks. Bent u niet bang dat uw geliefde pijpie uw leven aanzienlijk zal verkorten?

Wat? De jeito nenhum!! Mijn pijpie blijf ik roken. De dokter zegt ook altijd dat roken slecht is, maar ik heb al wat vrienden die niet rookten naar het kerkhof begeleid, in diepe droefenis. Nee, laat die dokter maar kwaad op me zijn… ik rook m´n pijpie.

Hoe oud ik ben? Heel oud. Als ik het je zeg zal je het niet geloven. Maar dit blijft een geheim tussen ons tweeën. Goed? Kijk hier heb je m´n identiteitsbewijs… even wachten hoor, het is wel een beetje verfrommeld, maar nog wel te lezen. Ik moest het eigenlijk twintig jaar geleden vernieuwd hebben, maar ik vergeet het altijd. Oh, kijk, daar staat de datum, zie je de datum? Toch bijna niet te geloven hé?! Dus ik ben geboren in het jaar …

Wauw, ik had mezelf een idee gevormd over uw leeftijd, maar… Neeee! Jammer dat u erop staat het geheim te houden. Op deze leeftijd nog zó bij de tijd en zó vitaal. Dit zou indruk maken op de lezers. Maar goed, ik respecteer uw wens het niet openbaar te maken.

  

Teksten: Peter Bosch

Vragen: Tineke Voorsluys

 

Geplaatst in De Regenboog: Maart 2017

 

 

 

 

 

Eeltige handen

 Grootopa vertelt – Eeltige handen

 

door: Peter Bosch

 

Na een nacht harde regen was de morgenhemel helder, vogelgezang hing in de stralende lucht en tussen twee struiken flikkerden minuscule dauwdruppeltjes op een spinnenweb. Prachtig! Het hele landschap baadde in rust en in zonneschijn, maar Grootopa zag niets van dit alles. Hij liep te peinzen over iets wat hij zojuist had gezien in de krant. Ongelooflijk waar mensen zich vandaag de dag druk over maken. Namelijk, in de krant stond een tip om speciale handschoenen te gebruiken op de sportschool om geen eelt op je handen te krijgen.

Grootopa is er zich natuurlijk wel van bewust dat hij zich druk maakt over zo iets onbenulligs, maar geen eelt op je handen willen hebben, kan hij zich niet voorstellen. Tot een dertig jaar geleden was eelt op je handen hét symbool van hard en zwaar werken. Je gaf een boer een hand en deze voelde aan als een leren bankschroef. Het gekke is dat juist nu iedereen zijn spieren op de juiste plek wil ontwikkelen, en daar urenlang zweten op de sportschool voor over heeft, maar zijn handen lekker zacht wil houden met net geknipte, schone nagels. Grootopa denkt bij zichzelf: – “Man, ga toch in de tuin werken, dan zweet je veel harder dan aan touwtjes trekken in de airconditioning van de sportschool”.

Nee, vroeger was dat anders. Loop maar eens achter een ploeg die getrokken wordt door een paar paarden. Om daarmee rechte voren te trekken heb je kracht in je handen en schouders nodig, en toentertijd werden er geen handschoenen gedragen om handen te beschermen. Nee, die handschoenen groeiden op je handen in de vorm van eelt en de spieren ontwikkelden zich niet op de juiste plaats om stoer te lijken, nee, bij de boeren ontwikkelden de spieren zich vooral in de handen, de rest van het lichaam zwoegde in plaats van te trainen. Daarom zag een boer er altijd wat knokerig en krom uit,… maar blijf uit zijn handen!!

Als je vroeger een boer zag lopen in pak of met een nette tas in zijn handen stond dat een beetje vreemd, het paste niet bij die harige, eeltige handen en dat door de zon gegroefde, bruine gezicht. Hoe netjes hij zich ook kleedde.

Grootopa herinnert zich een boer in Arapoti die in de beginjaren zestig, net twee jaar in de kolonie, met zijn nieuwe, roodbruine leren aktetas, waar niet één waardevol papier in zat, alleen maar een prachtige vulpen die hij van zijn vader gekregen had, naar de bank ging. De tas zag en voelde vreemd aan in die eeltige handen. Ook al had hij een nette broek en hemd aan en een mooie witte strohoed op, toch stond die tas vreemd… het paste niet. Zijn zoon van veertien jaar ging mee om te vertalen. De boer had al dagen lopen repeteren wat hij zou zeggen tegen de gerente. Hij keek zijn zoon aan en zei: – “Ja m’n jongen, we zitten hier niet in de polder in Holland waar alles al geregeld is, hier, in dit vreemde land, moeten we voor onszelf zorgen”. De zoon knikte alleen maar stilletjes. Hij wist hoe radeloos de situatie was. Ze hadden in Holland alles verkocht, alle schepen achter zich verbrand en waren met een mooie dot geld naar de kolonie gekomen,… maar nu was het geld op. Zo snel dat het leek alsof ze het weggegooid hadden. Bij de coöperatie stond hij in het rood en het werd steeds moeilijker. Maar de boer was een trotse man die niet wou gaan bedelen bij de coöperatie. Nee, hij zou voor zichzelf zorgen dus daarom reden ze nu naar de bank. De boer verwachtte dat de bank hem zeker een lening zou geven. Hij was een harde werker, dat kon de gerente zo aan zijn handen zien. Hij had nu alleen maar wat geld nodig om door te kunnen boeren, hij zou alles, cent voor cent, met rente terugbetalen…; hij móest die lening hebben. Ze parkeerden de pick-up voor de bank en stapten binnen. Nu hij eenmaal daar was voelde de boer zich een beetje onzeker, maar hij liet zich niet kennen en stapte resoluut op de gerente af die hem hartelijk ontving met een brede lach en uitgestoken hand. Maar nadat hij met behulp van zijn zoon de zaak had uitgelegd, werd hem heel vriendelijk verteld dat de bank hem jammer genoeg toch geen krediet kon geven. Zoon durfde het amper te vertalen, maar zijn vader had het al begrepen. – “Krijgen we niks?”, vroeg hij alleen maar voor de zekerheid, terwijl een felle ergernis in hem opwelde. De gerente stond op als om te zeggen ‘ga nu maar naar huis’, en stak een slap handje uit naar de boer. Deze greep het handje vast in zijn eeltige knoest en gaf een goeie kneep zodat de man zijn mond vertrok. Gefrustreerd liepen ze naar de uitgang. Plotseling haatte hij alles om zich heen en eenmaal bij de deur kon de boer het niet houden, hij draaide zich om, keek de zaal in, stak zijn vuist in de lucht en riep keihard: – “Jullie kinne allemaal bárste met mekaar!!!”, en draaide zich om. Het was doodstil in de zaal en de klerken keken even verschrikt op van hun typemachines, maar toen had de boer zijn hand alweer naar beneden. Ze hadden absoluut niks begrepen van wat de boer gezegd had en dachten dat hij nog even had gegroet dus riepen ze allemaal terug: – “Tcháu, senhor, tenha um bom dia!”.

Zoon pakte zijn vader bij de arm en trok hem gauw naar buiten, bang dat deze weer een brul naar binnen zou geven. Maar de boer was helemaal gekalmeerd na zijn uitbarsting, hij klom in de pick-up en zei toen rustig: – “Zo, dat hebben we ook weer gehad… die bank hebben we ook niks aan. Nou, dan gaan we eerst eens even een lekker koppie koffie bij moe halen… morgen ga ik bij de coöperatie kijken. Dan moet het maar”. Nu hij wist waar hij aan toe was, leek het alsof al zijn krachten weer toegenomen waren en al zijn onzekerheid leek van hem af te zijn gegleden. In zijn lichtblauwe ogen stond nu een ongewone vastberadenheid te lezen.

Ja, denkt Grootopa, als ze toen niet samen de coöperatie hadden gehad was het allemaal niks geworden. Individueel waren de boeren als lucht bij de bank.

Deze frustratie had natuurlijk twee resultaten kunnen hebben, of ze gooiden er de pakken bij neer en zouden alles verkopen voor een waardeloze prijs en teruggaan naar Holland, of ze zouden juist zeggen ‘we zullen ze eens laten zien wat wij kunnen…’, en er dan keihard tegenaan gaan om te overleven. Dit laatste is wat die boeren toen gedaan hebben, er keihard tegenaan gaan. Vele slapeloze nachten doorstaan, maar uiteindelijk hebben ze het gered.

Grootopa realiseert zich weer alsof het de dag van gisteren was hoe moeilijk het was voor die boeren van vroeger om met nummers en geschrijf om te gaan. Zij voelden zich goed op het land of onder de koe, maar niet op de bank of op het kantoor. De meesten die in het coöperatiebestuur kwamen, voelden zich daar ook niet écht op hun plaats. Hij herinnert zich die keer dat de uitvoerend directeur van de CCLP de jaarbalans voorlas aan de fiscale commissie. De vertegenwoordigers van de drie coöperaties, allemaal simpele boeren, die eigenlijk alleen maar belang hadden bij drie nummers: salariskosten, melkprijs en eindresultaat, winst of verlies, zaten een beetje ongeduldig te luisteren. Daarna tekenden ze het papier praktisch zonder één vraag te stellen. Met hun eeltige, stijve handen, die niet gewend waren een pen te hanteren, maar meer hadden met koeienspenen, zetten ze hun handtekening houterig op het papier. Daarna maakten ze een toer door de fabriek. Toen ze door de kaasafdeling liepen kwamen ze langs een grote weegschaal en één van de boeren kon het niet laten, hij moest zich even wegen. Hij klom op het ding en toen het verwachte nummer aangegeven werd, zei hij tegen zijn collega: – “Moet je eens zien hier, precies het goeie gewicht! Nou, dan is die balans die we daarnet getekend hebben vast en zeker ook goed”.

Alles werd met de hand gedaan vroeger, aktes geschreven, rekeningen gemaakt. Later kwam het typemachine en toen de praktische rekenmachine. Wat was dat een uitkomst. Maar de echte grote sprong naar de modernisering werd gemaakt toen in de jaren tachtig de wonderbaarlijke computer werd geïnstalleerd in het coöperatiekantoor. Tot dan toe hadden we hier het woord computer praktisch allen maar in de Reader Digest gezien en in artikelen over de NASA. Toen wij dus het computertijdperk betraden in het coöperatiekantoor, was er maar één persoon die er verstand van had, die met dat ding om kon gaan. Die man werd vol ontzag aangekeken als was hij een of ander wereldwonder. Hij werd met de vinger nagewezen ‘die kan met computer omgaan’. Voor de gewone mensen waren die groene lettertjes en nummers op het scherm Hokus Pokus. De computerman werd door de directie in de watten gelegd want die dacht dat als deze weg zou gaan, ze niemand in de wereld zouden vinden die hem kon vervangen. Als ze toen hadden kunnen voorzien wat zo’n 20 jaar later een kind van vijf jaar met een computer zou doen…

Doch, al spoedig had de directie in de gaten dat er heel veel mensen waren, vooral jongeren, die precies wisten hóe je met de computer moest werken en dat het belangrijkste niet was te weten hoe je er mee óm moest gaan, maar om te beslissen wat er ín gestopt moest worden.

Grootopa voelt zijn gedachten weer op eeltige handen terugkomen. Hij weet dat als je vandaag de dag iemand ziet met harde, stroeve, eeltige handen deze hoogstwaarschijnlijk niet veel geld op zijn bankrekening heeft staan. Vroeger werd een schone, zachte hand door de boeren beschouwd als een wijvenhand, en de enigen in de kolonie die wijvenhanden mochten hebben, zonder dat ze als wijf beschouwd werden, waren de dominee en de schoolmeester. De boer en harde werkers moesten eelt op hun handen hebben. Toen echter de boeren erachter kwamen dat ze potlood en papier moesten gebruiken om hun bedrijf te runnen, en het zware handwerk beter aan knechten over konden laten, duurde het niet lang of je kon de boeren die nog echt eelt op hun handen hadden op je vingers tellen. Toen in de jaren vijftig, zestig de boeren wat serieuzer over de boekhouding van hun bedrijf begonnen te denken, hadden velen een speciaal boek daarvoor. Het leek een groot schrift met een dik, hard kaft in zwart, wit of grijs gekleurd. Vele boeren begonnen ieder jaar met de goede voornemens om het komende jaar de zaak eens echt professioneel te administreren. Maar de meesten hielden het maar een paar dagen of weken vol en ‘vergaten’ om verder te gaan. Heel wat kleine kinderen hebben deze boeken mooi vol mogen krassen en stoer mogen doen op school, want het bleef toch eeuwig leeg. Vooral als de vrouw er zich mee bemoeide, en haar man aanspoorde om toch eens wat meer te doen aan de boekhouding… dan deed deze er helemaal niks meer aan!!

Eens liet een boer zijn handen met opgezette gewrichten aan Grootopa zien: – “Man, mot je eens zien, met zukke vingers kan ik geen pen vasthouwe. M’n vingers zijn stijf van de rimmetiek”. Grootopa zag de bulterige vingers en stelde hem voor dan toch eens naar de dokter te gaan, want er waren daar best medicijnen voor, maar de boer ijsde terug: – “Ik ga niet naar dokters, die zijn niet te vertrouwen. Als ik me niet lekker voel neem ik gewôon een slokkie cognac, geen pinga, want dat is voor de kabokkels, nee, cognac, dat is beter dan die vergiftige pillegies en drankies die ze je veurschrijve”.

Zo ging dat vroeger. De boer die zich met een hamer op z’n hand slaat, een vloek slaakt, maar dan gewoon doortimmert, was als de dood voor een dokter in een witte jas en een injectiespuit in zijn handen! Nee, dokters, daar ging men alleen maar naartoe als het wel heel erg was…, maar ja, dan was het meestal te laat. Daarom vonden ze dat het niks hielp om naar een dokter te gaan. Het was altijd te laat. Grootopa is blij dat het nu anders gaat en is trots op de interne verzekeringen die we hebben in de kolonies. Vandaag, met de regelmatige check-ups, wordt er heel wat leed voorkomen.

Grootopa, loopt de keuken binnen en ruikt de verse koffie. Hij maakt een broodje klaar met ham en kaas. Terwijl hij de kaas snijdt moet hij opeens denken aan een prachtig verhaal, gebeurd tijdens een toneelopvoering van de toneelgroep van Carambeí in Castrolanda. Het was de gewoonte dat als men in de andere kolonies kwam er altijd heerlijke soep en broodjes met worst of ham en kaas klaarstonden om de hongerige gasten te ontvangen, klaargemaakt door de gastvrouwen van de kolonie. Terwijl de spelers het podium klaarmaakten, ging één van de spelers stiekem naar het zaaltje waar koffie, soep, en broodjes met kaas en ham klaarstonden. De man had honger, vooral lekkere trek, en hij at een broodje op met een warm koppie koffie. Heerlijk! Maar hij had nog veel meer trek, doch hij kon kwalijk alle broodjes opeten, nee, dat zou te veel opvallen. Hij keek voorzichtig om zich heen. Ja, hij was alleen. Hij hoorde de anderen hard bezig met het podium opmaken. Hij keek weer naar de heerlijke broodjes en kwijlde bijna van de trek. Opeens kreeg hij een ingeving, als hij nou eens alleen de kaas en ham opat? Dat zou niet zo opvallen! Ze zouden slechts denken dat de gastvrouwen van Castrolanda krenterig waren geweest en alleen maar koffie en droge broodjes hadden gemaakt. Jazeker, en dan zou hij zelf ook heel verontwaardigd meekijken. Zo gedacht zo gedaan, en hij begon de kaas en de ham tussen de broodjes uit te vissen. Plotseling kwam er een collega de kamer inlopen, die natuurlijk direct zag wat er aan de hand was, en vroeg: – “Hé wat doe jij?”. De tegenwoordigheid van geest van onze hongerige was geweldig… hij ging rustig door met snoepen en antwoordde: – “Jongen, ik heb honger, en in de hoogste nood smaakt het beleg zelfs zonder brood ”.

Zo’n reactie moet vereeuwigd worden, vindt Grootopa, en met genoegen stopt hij zijn eigen broodje in z’n mond.

 

Dit artikel werd in mei 2013 in De Regenboog geplaatst

Volharding

Grootopa vertelt – Volharding

 

door: Peter Bosch

 

Het regende pijpenstelen en van de zon was niks te zien. Het had trouwens de hele nacht gestort. Grootopa’s humeur loopt op zonlicht. Hij was gewend om iedere ochtend met het daglicht op te staan en zijn wandeling te doen, en als hij die moet missen zakt z’n humeur tot aan zijn sokken. Met zulk weer moet hij altijd aan vroeger in Holland denken… donker, grijs en nat.

Het is zomer, dus gelukkig niet koud. Grootopa kijkt naar de regen die tegen de ramen kletst, laat zich dan in zijn stoel zakken en zet de tv aan. Op BVN, de Nederlandse zender die hij meestal kijkt, draait sport. Sodekraai, denkt hij, wielrennen! Altijd als hij dát ziet realiseert Grootopa zich dat hij, en misschien ook wel de rest van de Nederlandse kolonies, geen Nederlanders meer zijn. In Nederland is iedereen gek op wielrennen, maar Opa vindt dat toch wel zo goed waardeloos! Toch heeft hij wel respect voor het uithoudingsvermogen van die wielrenners. Eens zag hij er één die het in zijn broek gedaan had van de inspanning… toch fietste hij door tot de finishlijn.

Opa schakelt over naar een ander kanaal. Daar draait een film over de Amerikaanse Revolutie. Hij ziet de twee legers, noord en zuid, elkaar aanvallen, recht op de kogels van de vijand af. Toen ze tegen elkaar op botsten, en schieten niet meer mogelijk was, hakten ze op elkaar in met de bajonetten waar ze maar raken konden. Grootopa zag daar een jonge soldaat op het gevecht afstormen en dacht bij zichzelf – “Jongen toch, blijf toch ver in de achterhoede en laat je met een schorre doodskreet tussen twee pollen gras vallen, met een scheve open mond en dichte ogen. Blijf roerloos liggen tot het oorlogsgeweld geluwd is, doe dan voorzichtig één oog open, kijk of de kust veilig is en dan pas langzaam opstaan, heel dramatisch, want er mocht eens iemand staan te kijken… en dan maken dat je wegkomt”. Ja, Grootopa is niet gek. Het zal toch je kind maar wezen.

Oorlogen hebben rijken grootgemaakt vooral door het land te veroveren. Maar wat een rijk machtig maakt is er bezit van te nemen en dat gebeurt slechts als het land bewerkt wordt door mensen die erop blijven wonen. Amerika is groot en machtig geworden door de volharding van de boeren, de settlers die het land veroverd hebben niettegenstaande alle moeilijkheden met indianen, bandieten en het trotseren van de genadeloze natuur… niets weerhield de boer. Onafhankelijk van het weer, regen of zonneschijn, de boer kan niet anders, hij moet doorploegen. Doorzetten! Als er een familie verdwijnt en het huis en land staan leeg, duurt het maar even of er komt een ander voor in de plaats. Doorgaan. Doorploegen. Onvermoeibaar.

Zo is het ook in de kolonies gegaan. De eerste boerenfamilies in Carambeí hebben heel hard moeten werken en maar heel weinig verdiend. Toen in de jaren dertig van de vorige eeuw de pas opgerichte coöperatie praktisch failliet was, en vooral ook de boeren zelf, gingen er heel wat stemmen op van – “Wij moeten terug! Repatriëren!” Maar dit besluit werd van tafel geveegd door één van de leiders die argumenteerde – “Nee! Onze ouders liggen hier begraven en wij gaan hier niet weg… wij moeten volhouden. Alles komt goed!” En dat hebben ze gedaan, ze hebben doorgezet en alles ís goed gekomen.

In Arapoti in de beginjaren zestig, toen de oogsten mislukten, twee vooraanstaande kolonisten al in het begin van de oprichting stierven en bijna de helft van de kolonie vertrok, was de school in één klap half leeg. De kerk was nog maar half vol, en de coöperatie had geen cent meer in kas. De situatie was zodanig dat een consultant tegen de voorzitter zei dat het voor de kolonie Arapoti “vijf voor twaalf” was en ze beter de hele zaak konden verkopen. Maar de voorzitter, Toon Kool, verzette zijn pruim, keek de consultant van onder zijn borstelige wenkbrauwen aan en antwoordde rustig brouwend – “Hoorrr eens, al was het vaif óverrr twaolf, wai gaon deurrr!”. Weer zo’n prachtig voorbeeld van boerenvolharding! En het is deze reactie geweest die er voor gezorgd heeft dat de kolonie Arapoti nu nog bestaat.

Onder de boeren, vindt Grootopa, is het toonbeeld van volharding de varkensboer. Om het als varkensboer vol te houden door de jaren heen moet je wel uit een heel speciaal soort hout gesneden zijn en een geloof hebben dat absoluut onwankelbaar is. Geloof is het vertrouwen in iets dat je niet kan zien, voelen of horen… je moet het gewoon geloven. En dat is wat de varkensboeren doen, ze geloven dat alles weer goed komt. En het komt ook altijd weer goed, voor een poosje, dan stort alles weer in elkaar. – “Niks van aantrekken, het komt wel weer goed. Ik weet niet wanneer, maar het komt goed”. Hét voorbeeld van doorzettingsvermogen… het toonbeeld van volharding. Grootopa vindt dat de varkensboer een beeld in het Parque Histórico van Carambeí verdient.

Natuurlijk, het volharden moet wel gepaard gaan met gezond verstand. Toen het in Arapoti al spoedig duidelijk werd dat de akkerbouw niet zou lukken, moest de kolonie overstappen op melkproductie. Voor vele boeren die naar Brazilië geëmigreerd waren omdat ze dachten dan voor altijd van het iedere dag moeten melken af te zijn, was dit een ijselijke tegenvaller, maar het kon niet anders. Dus de boeren van Arapoti bleven en gingen door, maar dan wel in een andere tak. Toen moest er een melkfabriek komen in Arapoti.

Grootopa vergeet nooit het prachtige verhaal dat hij eens gehoord heeft. Jaap, uit Carambeí, was een technisch zeer bekwaam man en buiten orgelspeler, jarenlang heeft hij kerkdiensten begeleid, was hij ook monteur en elektricien op de grote melkfabriek van Carambeí. Daarom is hij toen aangesteld om de elektriciteit in de melkfabriek van Arapoti aan te leggen.

Hij reisde iedere maandag met de bus naar Arapoti en op vrijdag ging hij weer terug naar huis in Carambeí. Op een zekere vrijdag waren er twee directieleden van de Emigratie Commissie uit Carambeí, in Arapoti. De twee mannen reden laat in de middag terug toen ze Jaap langs de weg zagen staan met een tas in zijn hand en een zak naast zich, op de grond. Ze stopten de auto. Jaap legde de zak voorzichtig op de vloer van de auto, zette z’n tas op de bank en klom toen zelf in de auto. Alles zeer rustig en systematisch. De twee directeuren wachtten geduldig af tot hij zich veilig geïnstalleerd had.

Dim, achter het stuur, reed verder maar hield de zak in de gaten want die bewoog een beetje vreemd golvend. Toen vroeg hij – “Wat heb je in die zak zitten Jaap, een jonge hond?” Jaap was een man van weinig woorden en het duurde even voor er een antwoord kwam, – “Nee”, zei hij, – “bijen”. “Wat!?” – riepen beide mannen. Gierend en nog zo´n tien meter doorslippend over de zandweg stopte de auto. – “Eruit!!!” – brulde Dim. Nog nooit zijn twee directeuren zo snel een auto uit gedoken.

Wat was er gebeurd? Toen Jaap ´s morgens naar zijn werk liep had hij een grote bijenzwerm aan een struik zien hangen. Omdat hij ook nog imker was in zijn vrije tijd, besloot hij die nieuwe zwerm mee te nemen naar huis, in Carambeí. Dus ´s middags heeft hij de zwerm voorzichtig in een zak geschud en is toen langs de weg gaan staan om te wachten tot hij een lift zou krijgen, want hij dacht niet dat hij de zwerm mee zou mogen nemen in de bus. Toen stopte daar toevallig de auto met de twee Emigratie Commissie directeuren… Grootopa grinnikt bij de gedachte, maar voelt een rilling over zijn rug.

Jaap was een man van de natuur. Hij hield van vogels, van apen, van honden, en wat je verder nog bedenken kan. Hij had een aapje dat vast zat aan een riempje om zijn middel en een touw van zo’n vier meter en dat woonde in een hokje op een paal van twee meter. Daar zat het beestje dan rusteloos met z’n kopje te draaien en z’n donkere, bolle flikkeroogjes stonden geen seconde stil. Het aapje was bekend bij al de jongetjes van de kolonie en op zaterdagmiddag waren er altijd wel bij Jaap op het erf aan het spelen. De jongetjes hadden al wat biologie gehad en wisten precies hoe het ging met de bloemetjes en de bij. Daar stonden ze dan stilletjes om de hoek van het huis naar het aapje te kijken en wachtten op wat er zou gaan gebeuren. Daar kwam een poes argeloos aanlopen zonder zich van enig kwaad bewust te zijn. Het aapje zat nu doodstil op zijn stokje met zijn blik strak op het poesje gericht, zonder een spier te bewegen. De poes liep rustig onder het hokje door toen het gebeurde… als een bliksemflits sloeg het aapje toe. Hij greep de poes bij haar staart en voor ze een miauw kon uitstoten was het gebeurd! De jongetjes loeiden van plezier!! Vóór de poes haar nagels kon uitslaan zat het aapje alweer voor zijn hokje te wachten op zijn volgende slachtoffer. Ja, het aapje van Jaap was bekend en berucht op de hele school.

Wat natuurlijk helpt bij het nemen van moeilijke besluiten, is dat je als gemeente in een kolonie samen sterker staat dan alléén. Dat helpt het besluit te nemen om toch maar door te zetten ook al zijn er tijden waarin de moeilijkheden soms niet te overzien zijn. Maar in de kolonie sta je dan niet alleen en de problemen van de één zijn bijna ook altijd de problemen van de buurman, hoewel het weleens kan regenen op buurmans land terwijl op jouw land het stof de lucht in waait. Dán krijg je als boer zin om achteruit te bidden!

Grootopa stopt z´n pijpie en moet opeens denken aan het museum van de kolonie Arapoti. Daar hangen twee lijsten van kolonisten. Op de ene lijst staan de namen van de emigranten die gekomen en gebleven zijn, en de andere is de lijst van de emigranten die gekomen zijn maar na een poosje weer vertrokken zijn. Ja, de eerste tien jaren zijn zeer moeilijk geweest in Arapoti en als ze toen elkaar niet hadden gehad… Op het hoogtepunt van radeloosheid, niet meer wetend wat te doen, ging een boer naar zijn vriend en buurman om te klagen over de situatie, want dat lucht zo op. Buurman hoorde alles aan en zei toen heel serieus, – ”Floor, jochie, maak je nou niet zo koortsig want morgen schijt er misschien een kraai die vandaag nog geen kont heeft”. Dat is nou weer eens één van die prachtige voorbeelden van boerenfilosofie waar een diepe waarheid achter schuilt. Daarom zijn het volhouders.

In de jaren zestig begonnen de zonen van de kolonisten mee te werken thuis op het bedrijf. Vooral in de kolonies Arapoti en Castrolanda waren de oudste zonen meestal nog jong, rond de vijftien, zestien jaar. Deze jongens hadden bijna niks geleerd na de lagere school, en technisch al helemaal niks buiten wat lessen over landbouw van ingenieur Bouwman en zijn assistent Heesterman. Toen kwam de ICM-school in Castrolanda waar de jongens melkveecursussen konden volgen, theorie en praktijk. De enthousiaste drijfveer van deze school was Kees van Santen die er zijn levenswerk van gemaakt heeft. Wat in de eerste jaren praktisch alleen maar voor de Hollandse kolonistenjongens uit de kolonies was, werd na een paar jaar uitgebreid voor kleine boeren en in de daarop volgende jaren voor het hele gezin. In feite hebben sinds 1966 enige generaties van Kees’ werk geprofiteerd. In die eerste jaren gingen de jongens van Arapoti soms wel voor een week naar Castrolanda naar de “Aissumschoal” om te leren melken en theorie op te doen over voeding en behandeling van kalveren en koeien. Dat was gezellig en leerzaam en ook goed voor de integratie tussen de jongelui. De meesten sliepen gewoon op de ICM-school, sommigen bij families in huis.

Met de jonge boeren was natuurlijk makkelijk te werken en meester Kees van Santen zag dat zijn werk vruchten gaf… maar om een oude boer bij te scholen valt niet mee. Zo was er een nieuwe Technisch Directeur voor de DAT van de CCLPL uit Holland aangenomen. Om een idee te krijgen van wat zijn werk zou worden, ging hij direct in het begin van zijn aankomst de boerenbedrijven langs. Een groot probleem in die jaren was mastitis. Deze ziekte heerste op alle bedrijven en veroorzaakte een groot verlies doordat de melkproductie van de koeien ernstig benadeeld werd. Op sommige bedrijven mocht je rustig aannemen dat het productieverlies 25 tot 30 procent was. Om dit probleem tegen te gaan was de dokter van plan om de boeren eerst eens wat hygiëne bij te brengen. Hij kwam op een melkbedrijf en liep de melkstal in waar de melkmachine zoemde en de boer rustig onder een koe zat te melken. De dokter stelde zich voor, maar de boer groette slechts met een “Móin”, en molk onverstoorbaar door. De dokter keek eens naar het uierdoekje waar de boer de spenen mee schoonveegde en begon direct met zijn les. – “Aan dat doekje zitten veel bacteriën, vooral de gevaarlijke stafylokokken, die gaan in het kanaal van de speen en veroorzaken daar een ontsteking, dus dat doekje hoort tussen ieder gebruik gewassen en ontsmet te worden…”. Omdat de boer niet reageerde ging dokter door met z´n les – “… ook de rubber tepelhouders van de machine moeten…” –  De boer kreeg net de staart van de koe in zijn gezicht, en was al aardig chagrijnig. Hij stond op, in de ene hand zijn melkbokje en in de andere de melkemmer, en zei tegen de dokter: – “Mójje luisteren, ik zit hier al meer dan dertig jaar te melken en weet onderhand wel hoe dat mót… dus hoepel alsjeblieft op!”

Terwijl de dokter ophoepelde keek de boer hem na en keek toen eens met wat meer attentie naar het uierdoekje dat glom van het vette, glibberige, dikke vuil en dacht bij zichzelf dat hij toch maar eens een schoner doekje moest gaan gebruiken… die dokter kon weleens gelijk hebben.

Heel veel is er geleerd door de jaren heen. Buiten het technisch goed te doen hebben de boeren ook moeten leren hoe je financieel een bedrijf moet runnen. Toen een jonge boer eens vroeg aan Heesterman wat nou eigenlijk de belangrijkste machine was op de boerderij, was het prompte antwoord – “Potlood en papier”. Dat dit inderdaad het belangrijkste gereedschap was op een boerderij is door de jaren heen wel aangetoond. De meeste boerderijen zijn uitgegroeid tot bedrijven die geadministreerd moeten worden, en dat gaat niet door alleen maar heel hard met riek of spa te werken, of de hele dag op een trekker te zitten. Nee, er moet gerekend worden, vergelijkingen gemaakt worden, tendenties, begrotingen en vooral uitgerekend worden hoeveel er binnenkomt en hoeveel er uitgegeven wordt… anders gaat het niet.

Grootopa zal nooit de beginjaren tachtig vergeten. In 1982 werd Brazilië failliet verklaard. Het land had onverantwoordelijk veel geleend in de jaren daarvoor, de jaren van het economische wonder, zelfs een heel nieuwe hoofdstad was gebouwd, midden in de bushbush, maar nu was het geld op. De wereld in het algemeen barstte van het geld, maar ons land was in de handen van de FMI. En zo feestte het land de overgang van het militaire bewind naar de democratie… failliet. We hadden schuld aan meer dan achthonderd banken… zelfs aan onze eigen Banco do Brasil. En we hebben er vierentwintig jaar over gedaan om de leningen terug te betalen. In 2006 was onze schuld eindelijk betaald en nu leent Brazilië zelfs áán de FMI. Grootopa grinnikt genietend. Nu staat Brazilië, midden in de wereldcrisis, redelijk sterk en zijn er een stuk of wat Europese landen die vroeger heel stoer op ons neerkeken, lekker ook eens failliet.

Brazilië wil de graanschuur van de wereld worden. Om dat te worden moeten de boeren gestimuleerd worden… met informatie, techniek en bedrijfskunde. Leiders die het heft in handen nemen. Natuurlijk niet meer door ongelimiteerde ontbossingen. Nee, met kennis… laten staan wat nodig is om de natuur niet te beschadigen. Nou, we zijn goed op weg om de graanschuur te worden, en niet alleen de graanschuur, maar ook vleesleverancier, en over enkele jaren misschien wel melk ook. Aan deze vooruitgang van Brazilië hebben de Nederlandse kolonies heel hard meegewerkt en er heel wat steentjes aan bijgedragen.

Hij voelt zich trots worden, trots op het nageslacht van die onvermoeibare pioniers die hier vijftig, zestig, honderd jaar geleden zich het zweet van het lijf ploeterden. Zij hebben niet voor niks geploeterd!!

Grootopa kijkt naar buiten en ziet dat het niet meer regent en dat zelfs een paar zonnestralen het wolkendek breken. Hij staat op, zet de tv uit en loopt naar buiten. Misschien staat er wel een mooie regenboog!!

 

Dit artikel werd in De Regenboog van maart 2013 geplaatst

 

Blog da Tineke

Over het bakken van Carambeiaanse kwaliteitstaarten

Enkele tientallen jaren geleden, toen ik zou gaan trouwen, kon ik in de keuken niet meer dan theezetten en een ei koken. Ik was daar nog trots op ook met de arrogantie van de late puber. Maar ja, die trouwplannen en de verwachtingen die aan mij gesteld zouden gaan worden als kok. Daarom kocht ik een kookboek-voor-krukken, zo had ik dat wat zelfingenomen in de winkel gevraagd. Dat boek hielp mij door de eerste maaltijden heen en aangezien men al doende leert, zijn we niet verhongerd.

Toch was ik daar niet klaar mee, ik was als keukennul getrouwd in een gemeenschap waar het maken van goede gerechten en vooral van heerlijke koeken en taarten als de normaalste zaak van de wereld werden beschouwd. Als stagiaire werd er nog niets van mij verwacht op dat gebied, maar als echtgenote kwam de eis een koek te bakken voor een of ander evenement echt veel te vroeg. En ik mocht dan al wat kunnen als het om rijst koken ging, van koekbakken had ik helemaal geen kaas gegeten. Goede raad was duur. Gelukkig had ik een aardige schoonzus die wel een recept wist voor een kan-niet-mislukken-koek, de nega maluca.

Toen ik mijn gelukte koek, waar ik best wel wijs mee was, af ging leveren, was duidelijk dat ik niet aan de verwachtingen voldaan had. Ik kan me tot op de dag van vandaag de afkeurende blik herinneren waarmee mijn baksel ontvangen werd. Ik neem het haar niet (meer) kwalijk, het is een teken van de hoogstaande kwaliteit die in deze regio standaard is voor baksels. Het wemelt hier van de thuisbaksters die op professioneel niveau werken. We vergeten dat weleens omdat we het zo gewoon zijn gaan vinden.
En de uitzonderingen onder ons? De keukenrampen? Die kunnen zich tegenwoordig gelukkig op verschillende plaatsen in de kolonie tegoed doen aan de bakkunst van anderen.

Leve Carambeí, Cidade das Tortas!!