GROOTOPA VERTELT: AFSCHEID

 

door: Peter Bosch

 

 

Carambeí is op z’n mooist, de zon schijnt, de vogels zingen in de bomen en een koele, zachte bries streelt de bladeren. Opa loopt genietend aan z’n pijpie lurkend de kant van de school uit, de Escola Evangélica. Hij komt de auto’s tegen van moeders die net hun kinderen hebben geloosd. Ja, dat ging vroeger wel even anders, dacht Opa, toen kwamen ze lopend of te paard, hoe klein de kinderen ook waren.

Opeens hoort hij een kwaad hoog stemmetje van een kind. Opa loopt verder en ziet hoe een moeder haar jochie probeert over te halen om de school binnen te gaan. In de school is het een hels lawaai van kinderstemmen en soms een chagrijnige krijs van een juffrouw die probeert de orde te herstellen. Grootopa kan zich eigenlijk best voorstellen dat het kleine jochie geen zin heeft om naar binnen te gaan. Hij kan zich niet herinneren dat vroeger meester Keimpe ooit zó heeft lopen krijsen om de kinderen in bedwang te houden.

Grootopa loopt vlak langs de twee heen en hoort hoe de jonge moeder het kind probeert te overtuigen dat het in school heel leuk is en dat hij daar héél veel gaat leren. Hij kijkt naar het jongetje en ziet de bedelende blik van ‘nee, mama, laat me niet hier’, tranen staan in zijn grote blauwe ogen. Grootopa ziet het tafereeltje aan en opeens lijkt het of hij weer honderd jaar geleden op de kade van de haven stond, klaar om aan boord van het schip te gaan en te vertrekken naar Brazilië.

De kade staat vol mensen. Velen zouden die dag vertrekken en de hele familie en alle vrienden zijn gekomen om hen vaarwel te zwaaien. Het is een triest gezicht. De mensen zijn gekleed in bruine of grijze kleding, zoals toen gewoon was, en alle mannen droegen een hoed of pet. Het weer is mistig en het zeewater bruin met witte schuimkoppen op de golven die dreigend tegen de wal slaan. Opa kijkt naar de verte maar kan geen horizon zien, het water en de mistige lucht lopen ineen in het oneindige. De mensen zijn gespannen en velen huilen, vooral oma’s en kinderen. Slechts wat jonge mannen lopen overmoedig hard pratend en lachend in het rond, voor hen is dit louter het begin van een avontuur. De moeders houden hun kinderen angstvallig vast.

Er zijn ook velen wier familieleden al eerder zijn vertrokken, sommigen al een paar jaar eerder. Een jonge vrouw met een jongetje van een jaar of vijf duwt een man die naast Grootopa staat een brief in de hand en zegt: ‘Zoekt u alsjeblieft mijn man op. Hij is al drie jaar weg en sinds een jaar laat hij niks meer van zich horen. Zeg hem dat Hanna en kleine Jan op hem wachten. Doe het alsjeblieft’. De vrouw loopt weg, het jongetje meeslepend die nieuwsgierig alle kanten uitkijkt. Grootopa ziet de man naar de brief kijken alsof hij de naam van de geadresseerde vader goed in zijn geheugen wil prenten. Dan vouwt-ie de brief dubbel en stopt hem in de binnenzak van zijn jas.

Ja, veel jonggetrouwde mannen zijn gegaan met de droom om in Brazilië snel rijk te worden en dan later de familie op te halen. Een droom die op niets is uitgelopen. De meesten van hen zijn blut teruggekomen en sommigen zijn zelfs nooit meer teruggekomen, ze zijn in Brazilië gestorven, hebben hier een andere vrouw gevonden of zijn gewoon verdwenen in dit immense land en hebben nooit meer iets van zich laten horen.

Honderd jaar geleden… in de beginjaren negentienhonderd was Grootopa in de kracht van zijn leven, net in de dertig, en dacht dat hij alles aankon. Maar daar aan de kade, klaar om aan boord van het schip te klimmen, kreeg hij een beklemmend gevoel in zijn borst. Hij keek naar zijn vrouw die hun kinderen in de gaten hield, maar toch dicht bij haar eigen moeder bleef staan, hij voelde een schuldgevoel in zich opkomen en vroeg zich af: ‘Doe ik het wel goed?’ Hij had zich toen nooit kunnen voorstellen dat hij binnen de volgende zeven maanden drie brieven zou moeten schrijven om de familie in Nederland op de hoogte te stellen van het feit dat zijn twee kinderen en vrouw gestorven waren… begraven op het kleine kerkhof in Gonçalvez Junior. Een kerkhofje zonder kerk.

Grootopa kan zich de beschuldigende gezichten van zijn schoonouders voorstellen. Zij hadden hem toen nog gevraagd: ‘Ga jij echt onze dochter en kleinkinderen meeslepen naar dat apenland?’ Als hij daaraan denkt, krijgt hij nog steeds een brok in de keel.

Maar waarom vertrokken toen al die mensen eigenlijk? Was het alleen maar om het beloofde El Dorado te vinden? Of was het in Nederland ook niet allemaal koek en ei?

Rond de twintigste eeuwwisseling was het in Nederland een armzalig leven. Het verschil tussen de elite en de gewone mens was zeer groot en hun levens werden als het ware gescheiden door een heel hoge muur. Maar de gewone mens begon zich hiertegen te verzetten. En de beste manier die ze vonden was staken. Eén van de belangrijkste stakingen was die van de spoorwegen in 1903. Het resultaat was dat de mensen en masse ontslagen werden en het werkloosheidscijfer vloog omhoog.

In die tijd verdiende een gewone arbeider rond de 10 gulden in de week. Daarvoor moest hij zo’n 15 uur per dag werken, soms ook op de zondag. De kindersterfte was heel hoog. Naar veiligheid op het werk werd niet gekeken, en de werktijden waren gewoon slaafs. Het werken aan de haven, bijvoorbeeld, was in die tijd bijzonder gevaarlijk en bedrijfsongelukken waren aan de orde van de dag. Alleen al in het jaar 1907 zijn er over de vierduizend doden en gewonden gevallen in de havens van Amsterdam en Rotterdam en werktijden van 72 uur werden toen normaal geacht.

De gewone mens leefde zeer armzalig, zonder elektriciteit, en had ’s avonds slechts een olielamp aan. Ze werkten zich overdag uit de naad en lagen ‘s avonds om acht uur al in bed. Het enige vertier dat ze hadden, was zich te bezatten in de kroeg en op de zondag naar de kerk, waar ze door hun vrouw of moeder naartoe gesleept werden.

Het schijnt dat de staking van de havenwerkers in Rotterdam voor velen het springlont is geweest om te emigreren naar Brazilië. Ze waren ontslagen en hadden geen perspectief om in Nederland weer snel aan de bak te komen. Het werkloosheidsniveau rees de pan uit, niet alleen voor havenwerkers maar voor alle mensen in het land. Dus honderden besloten om te vertrekken toen ze de fantastische verhalen over het groene paradijs hoorden. Velen waren van plan om maar voor een paar maanden te gaan, veel geld te verdienen en dan weer terug te komen naar het vaderland … maar dan wel in volle glorie en met veel centen op zak. Daarom vertrokken die mannen alleen en lieten vrouw en kinderen achter.

Een van de problemen was dat de grote meerderheid die naar Brazilië vertrok nog nooit van zijn leven een radijsplantje gezaaid had of een spa in handen had gehad, en in Brazilië zouden ze een stukje land krijgen om de grond te bewerken en om van de oogsten te moeten leven … Er waren toen maar weinig emigranten die in Nederland met grond of dieren hadden gewerkt. Degenen die een vak hadden zoals timmerman, metselaar of gewoon boerenzoon die zouden zich overal op de wereld kunnen redden. Maar tussen de emigranten die toen naar Brazilië vertrokken, waren er maar weinigen die vakkennis hadden, de meesten waren havenwerkers of spoorwegwerkers, vertegenwoordigers, fabrieksarbeiders enz…, ze hadden eigenlijk maar één ding gemeen en dat was: ze hadden allemaal geld nodig.

Grootopa weet nog dat hij zich daar wel een beetje druk over had gemaakt, omdat hijzelf ook alleen maar wist hoe je groente bij de groenteboer kon krijgen, en niet hoe je die moest telen. Maar hij liet deze handicap zijn plan niet overschaduwen. Hij wilde eigenlijk gewoon wég uit Nederland. Hier lag geen toekomst meer voor hem of voor zijn kinderen. Alle tegenspraak werd in de wind gegooid. Wij gaan … klaar. Een voorbeeld van hun doorzettingsvermogen was dat toen aan boord Mina, de vrouw van Leen Verschoor, haar gevoel van onzekerheid liet blijken, haar schoonzuster Rookje zei: ‘We hebben “A” gezegd, Mina, nu moeten we ook “B” zeggen’.

Dus, daar stonden ze dan, klaar om aan boord te gaan. Het was tijd om de grote koffers naar boven te zeulen. Ze gaven de familie nog een laatste omhelzing en de kinderen die zouden achterblijven een knuffel, en klimmen dan de trap op. Boven kijken ze nog even om en zien daar de familie dicht tegen elkaar aan staan. Het was ondertussen zachtjes gaan regenen en de mensen aan de wal hadden de paraplu’s geopend zodat je alleen nog een massa zwarte paraplu’s boven mensen met bruine of grijze kleren zag die op hun beurt weer één werden met de grijze stenen van de kade. Grootopa pakt zijn eigen jochie bij de hand en zei: ‘Kom, we moeten naar binnen, blijf bij mama in de buurt’. Hij voelt het kind een beetje tegenstribbelen. Dan ziet hij zijn zoontje hem aankijken met grote tranen in zijn ogen: ‘Wij komen toch wel weer gauw terug naar opa en oma, papa?’, vraagt hij met een klein stemmetje.

Grootopa schrikt opeens wakker uit de droom van zijn herinneringen. Hij ziet dat het moedertje de tranen van het gezicht van haar zoontje weggeveegd heeft en hoort haar zeggen: ‘Zo, en nu ben jij een grote jongen en ga jij naar school’. Het jochie kijkt wat zelfbewuster en zegt: ‘Tá bom… maar als ik groot ben ga ik naar een land waar geen scholen bestaan!’ En daar kon moeder het mee doen.

Het joch draait zich om en loopt de school binnen met een rugzak die bijna net zo groot is als hijzelf. Grootopa glimlacht en denkt bij zichzelf: ‘Zo is dat, mijn klein manneke!’ Hij haalt een doosje lucifers uit zijn zak en steekt voorzichtig z’n pijp weer aan die uitgegaan was. Hij blaast de rook de lucht in en loopt mijmerend over zijn herinneringen verder. 

Dit artikel werd geplaatst in het maandblad De Regenboog nummer 149 – Augustus 2011