Het verhaal achter Grootopa

 

 

Wie is de man achter Grootopa?

 

 

Een interview met Peter Bosch

 

 

Wat was de aanleiding om met Grootopa te beginnen? – Toen ik gevraagd werd om voor het 100-jarig koloniefeest wat te schrijven, zei mijn vrouw dat haar Oma wel eens verzuchtte – “Ik wou dat ik over 50 jaar eens om het hoekje kon kijken hoe het dan in onze kolonie zal zijn. Wat zal er van terechtkomen?” Dat gaf me een idee, en daarom is de titel van het eerste verhaal: “Wat Zouden Ze Ervan Vinden”. 

 

Ik ben zolang ik me als mens herinner geïnteresseerd geweest in geschiedenis. Toen bij ons thuis in Holland voor het eerst de naam Brazilië viel, was ik misschien net 5 jaar. Ik weet nu nog dat mijn vader in de Oosthoekse Encyclopedie alles las over dit land. Ik zie het boekje ‘Reizen door Zuid-Amerika’ nog op zijn stoel liggen. Zo jong als ik was, bladerde ik dit door en bekeek belangstellend alle foto’s.

 

Wanneer begon jouw interesse in de geschiedenis van de kolonie? – Al in Holland. Op een dag riep mijn moeder mij en mijn broertje om iemand netjes de hand te komen geven. We kwamen verlegen de kamer binnen. Er zat een oude man met een ruig gezicht en grote behaarde oren… tenminste, zo zag ik hem als kind. – “Dit is mijnheer Salomons uit Brazilië”, zei moeder. Voordat ik naar hem toeliep om hem een handje te geven, bleef ik hem aanstaren. Mijn moeder zei jaren later dat haar bloed stolde want als ik dat deed kwam er even later altijd een opmerking als “wat heb jij raar stekelhaar” of “wat heb jij een grote neus”… Ze zei dan ook snel – “Geef meneer een hand”. Salomons keek me aan en knipperde met zijn oren! Prachtig vonden we dat. Even later zaten we op zijn knie en vertelde hij over hoe prachtig het was in Castrolanda, in Brazilië. Daar waren ook veel kinderen die allemaal onze vrienden zouden worden en daar schijnt altijd de zon, nooit sneeuwt het, en we kunnen daar paardrijden en… en… Hij moest nog wel drie keer met zijn oren knipperen voordat moeder ons weer van zijn schoot af kreeg. 

 

Dat was mijn eerste gewaarwording over de geschiedenis van Castrolanda. 

 

Later, al in Arapoti, ik was denk ik zo’n 10 jaar in 1966, vond ik het boekje ‘50 jaar Carambeí’, geschreven door Keimpe van der Meer. Ik kon amper lezen, maar ik heb dat boekje wel vijf keer doorgelezen. En dat Keimpe dat in het Nederlands en Portugees had geschreven, vond ik helemaal indrukwekkend. Ik kon nog niks geen Portugees, maar ik las een regel in het Nederlands en zocht dan dezelfde regel op in Keimpes Portugese vertaling om te kijken hoe dat was.

 

Dat boekje was een soort openbaring voor je? – Ja, het boekje 50 jaar Carambeí opende een wereld voor me. Buiten dat kwam mijn vader altijd met verhalen terug van de CCLP-vergaderingen. We hadden geen televisie of niks dus pa mocht voor ons part de hele dag verhalen vertellen. En dat deed hij ook. Hij vertelde over Jan de Jager van Castrolanda, hoe deze wijze man Castrolanda leidde. Over Dim Vermeulen die als een soort Generaal zijn orders gaf en onze coöperatie in Arapoti hielp opzetten met de hulp van een paar jongelui uit Castrolanda. Over Dim vertelde hij graag dat deze zo´n echt militair figuur was en zijn orders ook op die manier gaf. En dan de verhalen over Wim de Geus, de man van Carambeí die verstand had van jagen op herten en die sterke verhalen vertelde over het vroegere Carambeí. Als jochie vond ik dat alles prachtig en ik zoog deze verhalen op als een spons. 

 

In die beginjaren waren dat mijn helden: oom Keimpe, Jan de Jager, Dim Vermeulen en ome Wim de Geus. Dat waren de mannen die het leven in de kolonies vorm gaven, dacht ik toen. 

 

Wat vertelde jouw vader nog meer over de vergaderingen van de CCLP? – Mijn vader ging geregeld naar CCLP-vergaderingen in Carambeí en dan vertelde hij dat Keimpe een tekst in het Braziliaans zomaar vloeiend in het Nederlands vertalend voorlas. Ik was gek op dat soort verhalen. Keimpe was mijn culturele held!! Ik heb hem persoonlijk pas jaren later voor het eerst gezien. Hij zat met zijn lange witte haren in het voorgestoelte van de kerk. Ik heb de hele dienst naar “Einstein” zitten kijken.

 

Zegt het Centraal Maandblad (De Regenboog) je iets? Sinds ik me herinner lees ik het Maandblad. Ik las alles over alle drie de kolonies, ook al was ik nog geen tien jaar. Toen ik op het Instituut kwam als jochie van twaalf kon ik amper Portugees. Het goeie was dat ik opeens tussen een heel stel jongelui uit Castrolanda en Carambeí kwam. Het vervelende was dat zij ieder weekend naar huis gingen, maar wij van Arapoti konden dat niet doen, dus bleven we op het internaat. Dat vond ik verschrikkelijk. Maar na een paar weken werd ik bijna ieder weekend uitgenodigd om mee te komen met de jongens van Carambeí of Castrolanda. Ik zal de hartelijkheid waarmee ik werd ontvangen bij die families nooit vergeten. Het was leuk om daar precies dezelfde boeken te zien als thuis – Karl May serie, Biggles, De Kameleon… De mensen weten niet half hoe goed dat dit me allemaal deed. Ik ben mijn vrienden en vooral hun moeders daar eeuwig dankbaar voor.

 

Door mijn nieuwsgierigheid naar hoe de families in elkaar zaten in deze kolonie, en doordat ik de geschiedenis sinds Irati heel goed kende, wist ik al snel veel meer van de kolonies dan mijn vrienden zelf… de meesten hadden daar helemaal geen interesse in. 

 

Als ik in de kerk zat kon ik alles lekker stilletjes waarnemen. Ik was een stil jochie, heel verlegen en sprak weinig, maar had gevaarlijke oren en hoorde en onthield alles. Wat me in de kerk in de kolonies opviel, was het verschil tussen de koloniemensen. Arapoti was een mengelmoes. Allemaal Nederlanders, maar niet één familie leek op de ander in uiterlijk of in doen en laten. Ze kwamen uit Zuid-Holland, uit Zeeland, uit Friesland, uit Overijsel, uit Carambeí of Castrolanda of zelfs uit Rio de Janeiro. Carambeí was ook een redelijke mengelmoes, maar daar kon je de grote families in terugvinden en zo was er toch een regelmaat… je kon zo zien of iemand uit Carambeí was. Castrolanda vond ik speciaal. Velen waren al wel familie geworden, maar toch, ook al was het geen familie, ze waren allemaal precies dezelfde soort mens, in uiterlijk en doen en laten! Ze spraken, in mijn oren dan natuurlijk, met precies hetzelfde accent en als ze Portugees spraken kon je ook direct horen dat het een Castrolandees was. En ik voelde me prima thuis in alle drie de kolonies. 

 

Wat spraken jullie in Carambeí en Castrolanda? – Praktisch alleen maar Nederlands, maar vooral omdat ik dat graag deed. Maar met hun ouders was het absoluut alleen maar Nederlands, en dat deed me heel goed. Een keer was ik meegekomen voor het weekend toen de vader van mijn vriend vragen stelde over thuis. Vol interesse was hij en wilde alles weten over Arapoti. In mijn stille verlegenheid heb ik hem zoveel ik wist verteld. Het leuke was dat hij op een heel volwassen manier met me sprak, ik was amper 13 jaar. Onder het eten vroeg hij me wat voor appels mijn vader teelde en of die goed zijn voor appelmoes. Vol enthousiasme zei ik dat onze appels ‘allemachtig’ lekker zijn. De man stopt met kauwen, kijkt me met zijn lichtblauwe ogen streng en doordringende aan en zegt – “He, he, heee… Allemachtig is er maar één en dat is onze Lieve Heer”. Ik kreeg een vuurrooie kop. Gelukkig zei de vrouw sussend. – “Niet zo serieus, joh! En, Peter, nog een bietjie botersjuu over de aarepels? Das lekker!!” 

 

Kijk, zo’n woordje als ‘botersjuu’, herinnerde me er weer aan dat ik bij mensen was net als thuis.

 

In Castrolanda deed ik altijd mijn best om niet plat te praten. Ik had het trouwens wel eens moeilijk met oudere mensen die Drents of Gronings praatten of met een heel sterk accent. Ik verstond er soms echt niks van en als ik dan een ouder iemand zag, liep ik er een eindje omheen om niet aangesproken te worden, bang dat ik het niet verstaan zou. 

 

En bij al die mensen hoorde je veel vertellen? – Precies, bij al die mensen hoorde ik verhalen. Prachtig. Omdat ze bijna nergens tv hadden of, als die er wel was, ze hem bijna niet aanzetten, was er altijd gesprek. Ik zie ome Gijs Voorsluys nog vertellen onder het avondeten, terwijl hij een pannenkoek met Batavo-leverpastei verorberde. Ome Gijs was geloof ik Juiz de Paz en wist alles over hoe het daar ging in de kolonie en natuurlijk ook van de problemen onderling met knechten of beesten. Het waren altijd spannende verhalen.

 

Mijn schoonvader wist veel over het verleden van de fazendeiros in de omtrek, over het halen van vee in Rio Grande do Sul en over de Revolutie in 1964.

 

En waar kwamen de heel oude verhalen vandaan? – Uit de boeken van Keimpe en Kooy. Maar een mooi verhaal hoorde ik van Jan Los en ik geloof niet dat dit in een van de boeken staat. De oude ome Jan Los liep altijd gekleed in zijn bruine pakjas en slappe vilthoed. Als jongen van 16 kwam ik op de CCLP fabriek werken. Een paar jaar later is de sporthal gebouwd waar de oude man iedere dag biljart speelde. Als hij dan alleen was, ging ik naar hem toe en bleef ik stilletjes staan kijken. Hij gaf me absoluut geen stoom en ik durfde niet een gesprek met hem te beginnen. Ik had het gevoel dat hij schijt aan me had. Maar mettertijd gaf hij me antwoord als ik groette. Als er iemand anders bij was, bleef ik een eind uit de buurt, maar als hij alleen was ging ik bij hem staan kijken. Zachtjes aan wenden we aan elkaar en toen ben ik begonnen met vragen. Prachtig was dat, alhoewel het altijd korte antwoorden waren. Jammer dat hij niet veel wist of wilde vertellen over Irati. Hij zei slechts dat die mensen daar bijna allemaal doodgingen. Ook vertelde hij iets wat ik voor Grootopa gebruikt heb. Namelijk, toen ze aan de haven stonden om naar Brazilië te reizen zag hij een radeloze jonge vrouw met een jongetje aan de hand, een brief aan iemand opdringen om die mee te nemen naar Brazilië, bestemd voor haar man die al maanden niks van zich liet horen. Op de enveloppe stond slechts een naam en het woord Brazilië. Ook vertelde hij over de stinkende zeep. 

 

Over het soldaat zijn? – Ome Daan Los heeft me hier op zijn mooie manier van praten over verteld.

 

En over het kaasmaken? – De vader van mijn schoonmoeder, Jan Vriesman, is gedurende jaren de kaasmaker op de kaasfabriek in Carambeí geweest. Ik heb de oude man gekend en hij wist nog veel te vertellen over de kaasculturen, stremsels en problemen. Zeer interessant en dat heb ik gebruikt in het verhaal KAASMAKERS.

 

Wat vind je zelf het mooiste stuk? – Het mooiste stuk vind ik zelf IN DE KERK. Het is ook in de kerk dat ik de meeste ideeën en herinneringen krijg om te schrijven. Ik hou ook van de vergelijkingen die dan naar boven komen. Hoe de mensen nu gekleed naar de kerk gaan en vroeger netjes in pakjas, vaak met stropdas. Ik zelf zou vandaag nog graag de dominee in toga zien preken. Ik mis dat. Ik hou er ook niet zo van als de liturgie verandert. Het is misschien wat vreemd, maar ik hou van de serene en serieuze sfeer in de kerk. Net als Grootopa! Vroeger werden de kinderen streng onder de duim gehouden en bleven stil, vandaag wordt er niet meer zo nauw naar gekeken. 

 

En wat de meningsverschillen betreft? – De Coöperatie Batavo was in de jaren veertig, voordat Castrolanda er bijkwam, een soort familiebedrijf. Als je de ledenlijst bekijkt en de families onderzoekt… Toen was er wel ruzie natuurlijk, maar er was een hechte familieband. Vandaag de dag is deze band lang niet meer zo sterk, er zijn nu zoveel leden en velen weten überhaupt amper dat ze familie zijn.

 

Castrolanda kwam met nieuwe ideeën uit Holland en dat bracht wrijving. Daarom kan ik me zo goed indenken hoe de boeren, en vooral de directieleden, hebben liggen piekeren en tobben op bed, en zich op hebben liggen winden. Van beide kanten natuurlijk. Het verhaal uit Castrolanda van de heer Kiers die toen niet merkte dat de wagen losgeschoten was met de hele familie erop, en rustig door tufte op de trekker, is waar… maar dat hij het niet merkte omdat hij zich zat op te winden over een vergadering van de CCLP heb ik natuurlijk zelf verzonnen. Maar ik denk dat het waar is. Rsrsrsrs…

 

Deze wrijving is door de jaren heen blijven bestaan? – In de jaren negentig, net voor de grote breuk, toen de CCLP verkocht moest worden, werden er geheime vergaderingen gehouden. Misschien liggen er nog wel ergens Actes Top Geheim. Ik moet een beetje lachen omdat in zo´n kleine coöperatie en dan in drieën verdeeld waar iedereen iedereen kent, zulke geheimen niet te houden zijn. Na de vergaderingen werd er gewoon door gediscussieerd en geroddeld zoals op verjaardagen of achter een glas bier in de lanchonete. De geruchten vlogen de kolonies door. 

 

In alle verhalen die je geschreven hebt, hoe humoristisch ook, voel je een harde werkelijkheid. – Inderdaad, dat was de bedoeling, de harde werkelijkheid beschrijven op een zo licht mogelijke manier. Bijvoorbeeld:

 

a- Een boer die machteloos bij de bank een lening probeert te krijgen, maar niks voor elkaar krijgt en dan toch terug moet naar de coöperatie waar de voorzitter beslist over het lot van diegenen die onder de streep staan.

 

b- Melk aan de politie… De fabriek stuurde iedere week een paar bakken melk mee voor de Polícia Rodoviária. Als je aangehouden werd, hoefde je maar te zeggen dat je van Batavo was en je kon zo doorrijden. In feite… corruptie in het klein.

 

c- Gevaar van stieren op de bedrijven en kleine kinderen die op een paard rijden of met de sjees.

 

d- Gevaar om met die oude machines te werken. 

 

e- De jonge man die boer moet zíjn, maar het in feite niet ís en het liefst de beesten doodslaat. 

 

En waar komen die rake spreuken vandaan? – Onze buurman, Niek Bronkhorst, een pracht man, klein van stuk en een buikje fier naar voren gestoken en altijd een pet op, had voor iedere hachelijke situatie wel een bijpassende Zuid-Hollandse spreuk die je aan het denken zette. Ook mijn vader kon soms raak uit de hoek komen. Hij zat een keer voor de tv en zag daar een politicus blèren en zwaaien, toen zei vader – “Net als várkens scheren, veul lawaai maor weinig wol”.

 

Wat voor een figuur zag je voor je als je Grootopa zag? – Aan wie ik denk als ik Grootopa zie, dat is de oude ome Aart die pas op 100-jarige leeftijd overleden is. 

 

Vooral wanneer ziektes ter sprake komen, breng je het op een lachwekkende, luchtige manier. – Inderdaad. Dat doe ik expres, want ziek zijn is erg. Ik probeer het lachwekkend te brengen, maar als je tussen de regels leest… bijvoorbeeld wanneer Grootopa verteld dat-ie een man op z’n knieën in de tuin naar een tovergewas ziet zoeken (tanscheisse, zogezegd, het spul bestaat trouwens echt, maar is geen tanscheisse natuurlijk) dan komt daarin duidelijk naar voren hoe moeilijk het was ziek te zijn zonder goeie dokters, zonder gemakkelijk naar een ziekenhuis te kunnen gaan of er geen geld voor te hebben of willen uitgeven. 

 

Waarom heb je zo weinig over vrouwen geschreven? – Ik vind het moeilijk om over vrouwen te schrijven en ook om ze te tekenen trouwens. Een man kan je ruig of lelijk of dom beschrijven… en hij zal er zelf grootmoedig om lachen. Een vrouw niet, die zou ik beledigen.

 

Ik wil nooit iemand moedwillig kwetsen. 

 

Was je bang dat je met je teksten iemand zou kunnen beledigen? – Jazeker. Alle keren dat ik Grootopa mensen bij naam laat noemen, heb ik het verhaal eerst aan de genoemden of aan de naaste familie laten lezen voor goedkeuring. 

 

Onze kolonie is nog te jong, maar vooral ook te klein om de geschiedenis met harde feiten in een boek te beschrijven… dat kan pas over een generatie of drie vier. 

 

Waar putte je moed uit om toch steeds weer een stuk te schrijven? – De reacties van de mensen in de kolonies. Het was verbazend hoeveel prachtige reacties ik kreeg. Velen zeiden me dat ze de stukken in een map verzamelden en dat ik door moest gaan. Maar nu is het genoeg. Over iedere regel dacht ik na en ook al werd het dan geschreven op een manier om erom te kunnen lachen, toch probeerde ik goed uit te laten komen dat de mensen vroeger precies hetzelfde waren als wij. Dezelfde gevoelens: blij, triest, depressief, kleinzielig of goedgeefs. Precies zoals wij nog steeds met elkaar leven. Gewoon mensen.

 

Was het belangrijk voor je om geschiedkundig feiten vast te leggen? – Nee, niet één keer dat ik een Grootopa geschreven heb, heb ik daaraan gedacht. Mijn bedoeling is altijd om een mooi stuk te schrijven dat de lezer vermaakt. Ik gebruik amper namen, datums of statische gegevens… nee, bij mij gaat het om de mens en omstandigheden, vergelijkingen met vroeger en laten zien dat de mens innerlijk helemaal niks verandert. Ik denk niet dat Grootopa later nog eens als een studieboek zal worden gebruikt om de geschiedenis van de kolonies te begrijpen. Rsrsrsrsrs…!!!

 

Dit is toch niet het eind van Grootopa Vertelt? – Het wordt voor mij steeds moeilijker om inspiratie te krijgen voor een mooi stuk. Ik vind Grootopa een heel sympathiek figuur en ik schrijf ook graag wat hij te vertellen heeft. Ik denk dat als er inspiratie komt er toch nog wel eens een vertelling komt.

 

Nawoord: Met plezier heb ik de man achter de verhalen van Grootopa geïnterviewd. Verhalen die waarschijnlijk verloren zouden zijn gegaan als ze niet waren opgetekend. Het waren geen geschiedenissen waar landsbelangen mee gemoeid waren. Ook waren het geen nationaal belangrijke helden waar het over ging: het was het dagelijks leven, vaak met antihelden, en daarom zo heerlijk herkenbaar. Het waren het soort kleine geschiedenissen die tezamen een radartje zijn in het grote geheel van de historie.

 

Ik weet dat veel mensen genoten hebben van de plaatselijke overleveringen, onze eigen geschiedenis. Ik weet dat ze in hun eenvoud indruk hebben gemaakt omdat er herkenning was. Hetzij omdat men de personen kende, hetzij omdat men zich herinnerde dat het leven niet zo lang geleden inderdaad was zoals beschreven in Grootopa’s verhalen.

 

Peter Bosch geeft in een van zijn antwoorden hierboven aan dat er mensen zijn die de verhalen van Grootopa bewaard hebben. Ik hoop dat met de achtergrondinformatie uit dit interview de beschreven geschiedenissen zoals die in de ogen van Grootopa bestaan nog meer gaan leven en dat ze met nog meer plezier herlezen zullen worden.

 

Bedankt Peter!

 

Teksten: Peter Bosch

 

Vragen: Tineke Voorsluys