Grootopa vertelt – GESCHIEDENIS

 

door: Peter Bosch

 

Grootopa zit achter zijn koppie koffie. Wie zou dat ooit hebben kunnen denken, honderd jaar geleden, dat we eens koffie zouden drinken geplant en gebrand door een Hollandse boer… Café Caldi. In de jaren zestienhonderd hadden de Hollanders de Braziliaanse suikerindustrie in handen, wie weet krijgen we eens de koffie-industrie in handen. De eerste stap is genomen.

Hij zit aan de keukentafel, zijn hoed hangt aan de stoelleuning en zijn wandelstok ligt naast hem op de vloer. Voor hem op tafel ligt de krant open. Hij heeft zijn leesbril niet op en knijpt zijn ogen een beetje dicht en kan dan net de grote letters van de krantenkoppen lezen. Dan haalt hij zijn leesbril uit zijn bovenzak en zet die op. Hij moet hem een paar keer verzetten voordat de lenzen op de juiste plek zitten om duidelijk te kunnen lezen. Hij leest wat snel op en neer en ziet al gauw dat er geen echt nieuws is. Brazilië loopt nog steeds zonder regering en bijna alle politici proberen uit de gevangenis te blijven. Grootopa denkt even aan het feit dat het land blijkbaar overvallen is door diefstal en corruptie. Voor mensen die aan de macht zijn, is het vaak heel moeilijk om niet in deze verleiding te vallen. Als je in de regering zit of in een directie van een bedrijf of coöperatie of wat dan ook, dan heb je altijd bevoorrechte informatie…, of de aandelen gaan stijgen of dalen; of er ergens land te koop is; of er een boer slecht voor staat en die dan misschien onder de prijs zijn land zal moeten verkopen, enzovoort. Nee, het valt niet mee in hoogheid gezeten te zijn en dan die plaats te blijven verdienen. Zullen wij ook nooit eens geprofiteerd hebben van bevoorrechte informatie?

Grootopa herinnert zich dat hij eens een mooi gezegde las in een boek. Het was, gelooft hij, The Tycoon, hij weet het niet meer zeker. Daar stond het volgende: “Achter elk groot fortuin schuilt een geheim dat nooit onthuld zal mogen worden”. Denk daar maar eens over na.

Sodekraai, denkt Grootopa, hoeveel van die mannen, senators en afgevaardigden, zullen er slecht slapen de laatste tijd nu ze in de gaten krijgen dat er iets aan het veranderen is in ons land. Ja, weet maar zeker, er zullen nog velen achter de tralies komen. Voor hoe lang is natuurlijk nog wel de vraag.

Grootopa schuift de krant van zich af, pakt zijn kom koffie, maar die is al leeg en hij zet deze weer langzaam terug op tafel en denkt voor zich heen. We maken een historisch moment mee, weet hij. Hoe moeilijk het ook is en hoe lang deze situatie ook gaat duren, het land zal er veranderd en beter uit komen. Toch staat er een zorgelijke rimpel boven Grootopa’s neus. Het “Ministério Público” is heel goed werk aan het leveren en als hij echt de kans krijgt door te gaan, zal hij een grote schoonmaak houden. Toch als dit voorbij is dan moet rechter Moro en de hele MP weer naar de achtergrond. Het land moet wel democratisch blijven, natuurlijk, en niet veranderen in een Politiestaat. De historische feiten flitsen nu door Grootopa’s hoofd… de KGB in Rusland, de Gestapo in Duitsland. Als dat soort lui aan de macht komt, is het helemaal een verloren zaak. Maar dat gaat niet gebeuren in ons Brazilië!

Hoe ellendig het land er ook voor staat, toch kunnen we enige pluspunten opnoemen, namelijk, het land is nog steeds een democratie en we hebben wel racisme maar niet te vergelijken met wat het was, en vooral niet met landen zoals de Verenigde Staten en Zuid-Afrika. We leven met totale vrijheid van godsdienst en totale vrijheid van meningsuiting in media en pers. We leven historische momenten en die moeten geregistreerd worden.

Grootopa staat op, loopt naar het koffieapparaat en schenkt zich weer een kom vol. Terwijl hij schenkt valt zijn oog op De Regenboog. Peinzend staart hij naar het blad en herinnert zich dan dat er pas in stond dat de hele serie die door al die jaren heen is uitgegeven nog bestaat en nu veilig in het beheer is van de Associação Cultural Brasil-Holanda. Ja, denkt hij, daar staat netjes in hoe wij als Hollandse gemeenschappen al deze veranderingen hebben meegemaakt door de jaren heen. Economische en politieke crisissen. Alles hebben we overleefd en dat staat geregistreerd in dit blad dank zij de medewerkers die trouw iedere maand weer het nieuws schrijven, jaar in jaar uit. Grootopa denkt nu vooral aan Gezina Rabbers uit Castrolanda die dit bijna 40 jaar gedaan heeft. Hij kan zich precies indenken hoeveel discipline en inspanning dit gevergd heeft. Wie zich dit niet kan indenken, moet maar eens een blanco vel papier voor zich leggen, een pen pakken en dan dit blad volschrijven met iets nuttigs dat iemand anders wel wil lezen. Begin er maar aan! Dan realiseer je je pas dat inspiratie maar een paar regeltjes vult… de rest is transpiratie.

Wat deze mensen door de jaren heen geregistreerd hebben, is geschiedenis en wat vandaag geschreven wordt, is over jaren ook weer geschiedenis. Grootopa vindt dat die mensen allemaal een standbeeld in de Parque Histórico verdienen.

Hij denkt nu aan nog een voorbeeld van geschiedenis dat al bijna in de vergetelheid was geraakt. Het boek dat de geschiedenis vertelt over de Hollandse Emigratie naar de Kolonie Gonçalves Júnior in Irati, in 1908 – 1909. Dit boek is opgesteld door Ruth en Willem Kiewiet. Maandenlang hebben ze werk gehad met het onderzoeken van documenten en het interviewen van mensen. Die kolonie, in 1909, was een ziekelijk oord: lichamelijk, psychologisch en moreel. De volharding van Willem en Ruth om dit verhaal helemaal uit te pluizen en dat rijke boek te schrijven is goud waard. Misschien was dit anders nooit gedaan. Want de meeste mensen die daar weggingen, wilden blijkbaar snel vergeten wat ze daar meegemaakt hadden. Er is wat gesloofd en gezweet in die ongezonde warme bossen, wonende in kleine houten huisjes waar vooral de vrouwen en kinderen in groten getale stierven. Dit mag nooit vergeten worden!

Misschien vinden veel mensen het vreemd, maar Grootopa leest vooral heel graag de “In Memoriam”. Eigenlijk zou hij het liefst hebben dat de mensen hun In Memoriam nog in leven vastlegden. Grootopa denkt aan de bundel persoonlijke verhalen die Castrolanda in boekvorm heeft uitgegeven, jaren geleden. Die verhalen zijn prachtig omdat ze vooral de gevoelens van die mensen hebben vastgelegd. Dat maakt het zo mooi. Wie dat leest realiseert zich weer dat de mensen vijftig jaar geleden eigenlijk precies hetzelfde waren als vandaag, alleen zijn de omstandigheden veranderd.

Nu Grootopa over schrijven en inspiratie mijmert, denkt hij plots aan een jongetje dat voor school in Carambeí een opstel moest schrijven voor de Portugese les. Het zal eind jaren tachtig geweest zijn en het jongetje rond de acht, negen jaar oud. Thuis sprak hij met zijn ouders praktisch alleen maar Nederlands. Alle leerlingen moesten een opstel maken over iets, een boom, een kast of de zon bijvoorbeeld, en die laten praten. Het jongetje was helemaal enthousiast en zei tegen zijn vader dat hij ging schrijven over het leven van een bankstel. Zijn vader was benieuwd wat er zou komen want hij wist wat een levendige fantasie zijn zoontje had. Toen hij het verhaal te zien kreeg, was hij stomverbaasd, zo goed vond hij het. Het jongetje beschreef hoe zwaar het leven van een bankstel was, vooral als er dan weer zo’n tante met haar bunda grande, dikke achterwerk, zich op hem neer zag dalen. Dan kraakte hij van inspanning… Afijn, vader was heel tevreden over het verhaal. De volgende dag moesten alle kinderen hun verhaal in de klas voorlezen. Het jongetje had groot succes en de kinderen lachten zich een aap als de tias gingen zitten en de bank het zwaar te verduren kreeg. Met rood hoofd en verlegen las hij het verhaal uit. Hij was trots op zijn succes, maar toen gebeurde er iets vreemds, iets wat de vader van het jongetje nooit heeft kunnen begrijpen. De juffrouw vroeg aan de hele klas – “Então, que nota vale esta estória?”… “Nota dez!!” , was het antwoord van de klas. De juffrouw trok haar schouders wat omhoog en haar hoofd scheef en zei – “Eu acho que não… eu acho que é menos”. De kinderen riepen toen – “Nove!!” . Maar de juffrouw zei weer – “eu acho que vale menos…”. En zo ging dat getreiter door tot het jongetje een zes kreeg. Misselijk was het kind ervan geworden. Toen hij dit thuis vertelde, was zijn vader natuurlijk net zo verbouwereerd als het jongetje zelf, maar hij kon daar niks aan doen. Hij kon alleen maar zeggen – “Jongen, laat die juffrouw maar zeggen wat ze wil… van mij krijg jij een tien!!”. O zo!!

Vroeger ging het nieuws langzaam de wereld over via brieven en kranten. Wat was het vroeger geweldig wanneer er een brief of een pakket weekbladen overkwam uit Holland. Vandaag de dag gaat het nieuws zo snel de wereld rond dat Grootopa het idee heeft dat hij altijd achterloopt. We kunnen niet meer zonder tv, radio, internet, mail, Facebook, enz…

Ja, we leven nu 2016. Nog niet zo lang geleden schreven ze over deze jaren in de éénentwintigste eeuw alsof we in een soort sciencefictiontijd zouden leven, en inderdaad, wat betreft de nieuwe communicatiesystemen is dat ook zo. Dit hadden we twintig jaar geleden zelfs nog niet kunnen dromen. Deze nieuwe communicatiesystemen hebben iedereen geweldige voordelen gegeven. Onze eerste immigranten hier in de beginjaren negentienhonderd, kwamen vaak pas na een maand te weten dat er iemand van de familie in Nederland gestorven was, of andersom. Nu komt iedereen het te weten binnen een paar seconden! Maar het geeft ook zijn nadelen want iedereen kan nieuwtjes de wereld insturen. Eén gemene roddel kan binnen een paar seconden tientallen, honderden of duizenden mensen bereiken en het leven van een kind of een hele familie bederven of vernielen. De politici hebben het vooral zwaar te verduren, maar die hebben een huid als van een krokodil en kunnen overal tegen, maar de gewone mens niet.

Ja, denkt Grootopa, diegenen die graag nieuwtjes de wereld insturen, pas op met wat je zegt, want, wees daar zeker van, ééns komt jouw beurt!!

Niettegenstaande de zware tijd is Grootopa toch blij dat hij dit historische moment in Brazilië nog mag meemaken. Het land zal er absoluut sterker uitkomen als al dat tuig weggestemd wordt. De oude man lacht nu en je kan aan zijn versleten tanden precies zien waar hij altijd zijn pijpie vastklemt. Zijn tanden zijn daar zo versleten dat als hij een slok hete koffie neemt ze zeer doen. Even trekt hij een grimas van pijn.

Nu hij even die pijn in zijn tanden voelt, herinnert Grootopa zich een verhaal van het jochie uit Arapoti. Toen de emigranten net in Arapoti aankwamen in 1960, was er daar één vaste tandarts. Maar als je daar terechtkwam, leek het net of je in de kerkers van de inquisitie van de Middeleeuwen terechtgekomen was. Het was een houten hokje met een keiharde tandartsligstoel en een klein aanrecht waar al zijn martelgereedschap op lag. Boven de ligstoel hing een gevaarte waar de gevreesde boor aan vastzat. Die boor werd aangedreven net als een naaimachine die de tandarts zelf met zijn voeten peddelde. Het boortje werd dan droog je zere kies ingeboord… vreselijk was dat. Het hele hokje stonk naar verbrande horens, precies dezelfde geur als thuis wanneer de boeren de horens van de jonge kalveren afbranden of als er een horen van een wilde koe afgezaagd moest worden om ongelukken te voorkomen. Het boortje draaide droog! Af en toe spoot de arts dan wat water in je mond om te spoelen en dat mocht je in een pannetje uitspugen. Soms vergat de man in het juiste tempo te peddelen en dan draaide het boortje op te lage toeren en leek het net alsof hij tot je hersens door boorde. Bliksemflitsen zag je dan voor je ogen.

Gerootopa krijgt een rilling als hij zich dat weer indenkt. Trouwens, hij kan tot vandaag aan toe niet goed tegen het geluid van zo’n tandartsboortje.

Gelukkig kwam er rond de jaren 66 een nieuwe, jonge tandarts die een voor toen die tijd moderne installatie meebracht. Dat was een opluchting. Alle Hollanders gingen van toen af naar de nieuwe tandarts. Die tandarts heeft goeie zaken gedaan. Grootopa neemt aan, tenminste, als hij aan het verhaal van het jochie denkt, dat de tandarts zijn praktijk binnen de kortst mogelijke tijd heeft afbetaald. Het was wat!! Op school hielden de jongens zelfs weddenschappen van wie de meeste gaatjes had als hij bij de tandarts geweest was. Vijftien gaatjes hebben was niks!!! Zo gingen ze dus regelmatig naar de tandarts en werden de monden van de kleine immigranten gezond gehouden.

Op een dag moest het jochie ook weer eens naar de tandaarts. Hij was bezig met een behandeling van héél wat gaatjes dus moest hij zeker zes keer naar het dorp. Hij ging veelal te paard, maar die dag moest zijn vader naar de coöperatie dus kon hij meerijden. Vader liet hem uitstappen bij de praktijk om halfnegen en zou hem om halftwaalf weer op komen pakken. Hij zou om negen uur aan de beurt zijn. Er zaten nog twee mensen die voor hem aan de beurt zouden zijn en zo zat hij te wachten terwijl hij hoorde hoe binnen het zaaltje de boor met ijselijk gepiep zijn werk deed. Eindelijk was het zijn beurt, het was bijna elf uur. Hij stond op om het zaaltje binnen te gaan toen er plotseling een meisje opdook die de tandarts in zijn armen vloog. Hij herkende haar als de verloofde van de jonge dokter. De tandarts zei hem nog even te wachten, liet het meisje binnen en sloot zorgvuldig de deur. Potverdorie, dacht het jochie, ik hoop dat-ie daar gauw mee klaar is. Hij zat aanvankelijk te wachten op het geluid van de boor maar dat kwam niet. Hij hoorde wat geschuifel binnen en het meisje slaakte soms een zucht. Sodekraai, zij moet zeker een kies trekken, dacht het jochie. Hij spitste zijn oren. Even later hoorde hij naast het zuchten ook nog wat gesteun van de dokter. Het gaat daar niet gemakkelijk, dacht het jochie, en hij had medelijden met het meisje. Hij kon zich voorstellen hoe moeilijk zij het had want zijn eigen moeder had pas ook een kies moeten trekken en dat was me een operatie geweest. Tsjonge jonge, moeder had twee weken niet kunnen eten.
Weer hoorde hij gekreun en gezucht. Moederlief, wat een marteling, vond het jochie, en hij zou het liefst zijn oren dichtdoen. Plots stopte de blauwe pick-up van vader voor de deur. Het was kwart over elf. Met haastige stappen kwam hij binnen. – ”Ben jij nog niet aan de beurt geweest?” , vroeg vader met zijn luide stem.

 – “Nee, nog niet”, antwoordde het jochie, – “De tandarts is bezig met zijn meissie… het lijkt moeilijk te gaan”. Door de luide stem van de boer was het gestommel binnen gestopt en even later ging de deur open en kwam het meisje met verwarde haren en hoogrood gezicht de praktijkkamer uit. Ze liep het jochie en zijn vader snel voorbij naar buiten. Het jochie stak nog even groetend zijn hand op, maar zij keek niet eens naar hem… lucht was-ie voor haar. Vader keek even naar de dokter en vond dat-ie een beetje loom uit zijn ogen keek en zei toen in zijn Termei’s Portugees dat het nu te laat was en dat ze volgende week wel weer terug zouden komen. De jonge arts zei snel – “Está bem”, en stak zijn hand uit tot groet die de boer stevig vastpakte en hij liet hem voelen wat een Hollandse boerenhanddruk is.

Toen ze in de auto zaten zei het jochie tegen zijn vader dat dat meisje het wel moeilijk gehad heeft met het maken van die tand… Vader moest nu keihard lachen en zei – “M’n jongen, er is daarbinnen wel wat gemaakt, maar dat was geen tand”. Jarenlang heeft het jochie erover gedaan om te begrijpen wat zijn vader bedoelde.

Grootopa slurpt grijnzend zijn kom koffie leeg.

 

Geplaatst in De Regenboog: Januari 2016

 

 

 

 

GROOTOPA VERTELT – VAN DE HAK OP DE TAK

 

door: Peter Bosch

 

Grootopa staat rillend klaar om onder de douche te stappen. Het is buiten nat en koud, ook al is het lente. Waarom hij ’s ochtends onder de douche gaat, weet hij eigenlijk zelf ook niet. Hartstikke gek ben ik, denkt hij. Maar het moet, ze zeggen dat het gezond is en dat je hersens er wakker en fit van worden. Volgens Grootopa is het alleen maar goed om er een longontsteking van te krijgen. Net als al die vitamines die hem iedere dag weer voorgeschoteld worden. Hij snapt maar niet waarom. Vitamine C, vitamine B, vitamines van het hele alfabet… Zouden ze bang zijn dat hij scheurbuik krijgt of beriberi? Hij draait de warmwaterkraan open en staat met zijn magere billetjes strak samengeknepen te wachten tot de straal warm is. Al “boeháá…” roepend duikt hij onder de straal. Binnen een minuut vindt hij dat het wel weer genoeg is geweest. Pot op, denkt hij, ik ga een dokter zoeken die me dit verbiedt. Hij pakt een handdoek en wrijft zich droog. Dan ziet hij zichzelf in de half beslagen spiegel staan, hij kijkt even naar het beeld en trekt dan zo snel een oude man dat kan, z’n onderbroek aan. Zo, nu voelt hij zich heel wat meer mens en hij durft weer naar zijn spiegelbeeld te kijken. Er bestaat niks lelijkers dan een man in z’n blootje en een oude man is helemaal niet om aan te zien. Nee, de kleren maken de man… dat is absoluut een feit.

Hij loopt naar de keuken. Op tafel staat een pakje met speculaasjes. Ha, lekker, denkt hij, en z’n humeur fleurt wat op. Terwijl hij aan de speculaas knabbelt, pakt hij het pakje in zijn hand en leest JONKER. Dan moet hij denken aan Gerhard die in de jaren vijftig in Carambeí een bakkerij begon. Hij was eind jaren veertig als jongeman naar Carambeí gekomen. Hier trouwde hij één van de dochters Harms en was dus gelijk familie van een groot gedeelte van de gemeenschap. Hij heeft jammer genoeg de bakkerij niet lang kunnen runnen. Hij leed aan astma en kon niet meer tegen het stof van het meel en de kruiden.

Toen de kolonie Castrolanda is opgericht, is er ook een bakker met zijn hele familie meegekomen, bakker Morsink. Grootopa herinnert zich nog dat het jochie uit Arapoti eens meereed met de Combi van Haije die de afgevaardigden van de CCLP-directie uit Arapoti vervoerde van een vergadering in Carambeí naar huis. Het zal 1969 geweest zijn. Ze moesten even in Castrolanda aan om de bestellingen van de vrouwen bij Morsink te halen. Zakken vol broden en speculaas werden ingeladen. Het jochie keek er met lede ogen naar en snoof de heerlijke speculaasgeur diep in. Toen de mannen stonden af te rekenen, zag Bakker Morsink plotseling het arme jochie stilletjes en met hangende schoudertjes staan watertanden. Ze stapten allemaal in en Haije startte de Combi. Hij wou net wegrijden toen de bakker met zijn witte kuif waaiend in de wind snel kwam aanlopen met een sinterklaaskoek van een halve meter die hij overhandigde aan het jochie… helemaal voor niks!!

 

Nu, zoveel jaren later, kunnen we weer speculaas, havermoutkoekjes, zandkoekjes, beschuit, enzovoort, kopen van bakkerij JONKER , die gerund wordt door een dochter van Gerhard, in het stadje Palmeira. Eén van Gerhards zonen heeft ook een bakkerij opgezet waar hij de echte stroopwafels maakt, helemaal volgens Hollands recept… stroopwafels van DE BAKKER.

 

Grootopa loopt naar de kleine tv die in de keuken staat en zet die aan zonder geluid. Hij wil alleen maar kijken, geen lawaai aan z’n kop.

Hij ziet op het beeld een groep mensen met rode spandoeken lopen. Hij begrijpt niet precies waarom. Nieuwsgierig zet hij het geluid iets omhoog en met moeite probeert-ie wat op te vangen als een reporter iets vraagt aan een jongeman. De jongen brabbelt verwilderd iets onverstaanbaars, maar voor Grootopa is duidelijk dat dat jong ook niet weet waarom hij daar tussen loopt. Het zal wel één of ander syndicaat zijn, mompelt hij tegen zichzelf. Tuig! Grootopa heeft een hekel aan syndicaten. Hij heeft vroeger te veel via radio Hilversum gehoord over de vervaarlijke Unions. Syndicaten zijn geldzuigers, vindt hij, waar je niks aan hebt. Hij realiseert zich natuurlijk best dat ze moeten bestaan over de wereld want anders zouden de werknemers uitgebuit worden tot het uiterste. Vooral vroeger, een paar decennia geleden. Doch vandaag de dag zijn ze meer tot een last voor de werknemers die van een salaris moeten leven, en veelal verstoren en hinderen ze de bemiddelingen tussen werknemer en werkgever.

 

Nu hij aan bemiddelaar denkt, moet Grootopa denken aan de dominees van vroeger in de kolonie. Vroeger waren zij de bemiddelaars als er eens ruzie was, en dat gebeurde nog wel eens. Dan werd de dominee voor het karretje gespannen om de zaak weer goed te praten. Zoiets ging niet gemakkelijk met heetgebakerde boeren. Grootopa herinnert zich dat twee boeren ruzie hadden over een kapotte heining die geen van beiden wilde herstellen. Op het hoogtepunt van het bekvechten zei de één – “Als je het maar weet: vanavond om zeven uur bij de dominee!”. Dit soort ruzies ontstonden alleen maar door de stress en druk van de tegenslagen die de boeren ondergingen. Grootopa weet het niet zeker, maar hij denkt dat de dominee vandaag de dag waarschijnlijk niet meer zo veel voor dit soort gevallen wordt ontboden. Dominee Moesker zei eens met een zucht dat alle emigranten iets vreemds over zich hadden… maar als ze dat ook niet hadden, zouden ze het hier nooit redden, voegde hij eraan toe. Een immigrant in een vreemd land met een vreemde taal en vreemde gewoontes, vreemde ziektes en alle soort van tegenslagen, moet sterk en hard wezen om dit alles te trotseren. Zo was het echt niet ongewoon dat een boer die ’s zondag met een vroom gezicht in het voorgestoelte van de kerk zit, je zou zeggen dat daar geen ongerechtig woord uit zou komen, makkelijk met betraande ogen van woede en moedeloosheid een paar minuten kon staan vloeken, zonder één woord te herhalen, als hij zag dat een groot gedeelte van zijn net geplante land door een stortbui de rivier in was gespoeld.

 

Grootopa ziet op het beeld die groep weer en het valt hem op dat die gevormd wordt door een mengelmoes van blanke, zwarte en bruine mensen, en weer wordt hij gewaar dat de syndicaten natúúrlijk heel veel hebben betekend in de geschiedenis. Hij denkt aan de werknemers in de achttiende en negentiende eeuw. In die tijd werden ze in Engeland en de meeste landen van Europa slechter behandeld dan de slaven in bijvoorbeeld Amerika of Brazilië. Wie slaven bezat, had daar duur voor betaald en daarom paste de eigenaar meestal heel goed op zijn bezit… net als vandaag de dag een boer goed voor zijn dure beesten zorgt. Het is toch wat. Grootopa schudt zijn oude hoofd. Het was toen zo’n gewone zaak om slaaf te zijn of een slaaf in bezit te hebben dat in deze landen, waar de slavernij al zo’n driehonderd jaar bestond, niemand het vreemd of erg vond. Voorts, een slaaf die ergens handig in was, zoals timmeren of bouwen, of wapens en gereedschappen maken, kon zich binnen helemaal niet zo’n lange tijd vrijkopen. Dit gebeurde veel vaker dan men zich wel eens realiseert. Het kwam voor dat het zo’n vrijgekochte slaaf heel goed ging en dat hij dan de fazenda van zijn vroegere baas kocht. Deze vrijgekochte slaven begonnen meestal een zaak en doordat ze hard werken gewend waren, ging het hun vaak veel beter af dan vele blanken. Het interessante was dat, zodra ze vrij waren en wat verdienden… ze zelf een paar slaven kochten.

 

Grootopa loopt naar buiten en kijkt naar de blauwe lucht. Hij ziet rijen witte wolkjes, heel hoog. Vroeger noemden ze die “schaepewolleke” en dan kon je er over wedden of er regen kwam. Vandaag de dag kijkt niemand meer naar de lucht en de jongere boeren, de digitale generatie, vertrouwen niet op de weersvoorspellingen van oudere mensen, iedereen kijkt op de iPhone of smartphone, of hoe die dingen ook mogen heten, wat díe zegt over het weer. Een wat oudere boer die eigenlijk al met pensioen is, maar het niet kan laten om met zijn zoons mee te werken, zei eens: – “De hele lol is eraf. Alles wat wij vroeger door de natuur en ván de natuur hebben geleerd wordt vergeten. Als ik naar de lucht kijk en tegen mijn jongens zeg dat het níet gaat regenen, en dat we gerust kunnen oogsten, kijken ze me alleen maar schamper aan, en luisteren niet naar wat ik zeg. Pai, zeggen ze dan, wijzend op hun handcomputer, hier staat dat het wél gaat regenen, dus… En als het dan toch pas drie dagen later gaat regenen, doen ze net alsof ik het niet van te voren goed voorzien had. Hahahahaa… maar weet gerust dat ik dan triomfantelijk kijk! Nee, echt waar, ik vind er geen zak meer aan!”

 

Ja, inderdaad, vergeleken met hoe ze nu gras bewaren in plastic balen, volautomatisch, machinaal gedaan, ging dat vroeger wel anders. Men was helemaal op zichzelf aangewezen wat betreft de weersvoorspelling. En het was belangrijk dat je dat goed deed, want het succes van je hooibouw kon daarvan afhangen. Het ging toen allemaal niet zo snel als vandaag. Voordat de trekkers de kolonies inkwamen, was het helemaal een hachelijk iets, want het hele stuk moest met de zeis gemaaid worden en dan blijven drogen op het land voor een dag of twee, drie. Gedurende die dagen moest het met de riek gedraaid worden zodat het gelijkmatig droogde en niet verrotte. Als het weer dan lekker droog bleef, kon er een goeie hooiberg gemaakt worden, maar als het regende kon het verlies groot wezen en dan had de boer gedurende de winter voerproblemen.

 

Grootopa rekt zich even uit en loopt weer naar binnen. Hij had de tv aan laten staan en ziet een plaatje waarop een bruidegom zijn bruidje in zijn armen draagt, terwijl de mensen om hen heen bloemen over het paar strooien. Het is wel echt een bruidje, in de ware zin van het woord, een klein tenger meisje dat hijzelf ook nog wel baas kan, denkt de ouwe knakker met een grimas. Hij herinnert zich hoe het heel vroeger was, in Carambei. Toen hadden we hier tenminste welgebouwde bruiden, vrouwen die wat aankonden, die meehielpen op het land en in de schuur, en daarbij ook nog een stel kinderen moesten voeden en aankleden. Nu moet Grootopa opeens denken aan een smakelijke gebeurtenis van vroeger en zijn mond vertrekt in een brede glimlach. Veel woningen hadden toen om het huis heen een tuintje afgezet met een heining van latjes. De latjes waren ongeveer zes centimeter breed met een opening van vijf centimeter tussen iedere lat, allemaal met een puntje bovenop. Het stond heel netjes. Zo konden de moeders de kleine kinderen veilig rond laten kruipen zonder dat deze ver van huis konden gaan. Deze heining werd ook wel gebruikt om kleren op te hangen om te drogen als niet alles op de waslijn paste na twee week regen. In de jaren dertig, veertig, vijftig, droegen de vrouwen niet van die kleine broekjes zoals vandaag, nee, toen droegen ze echte onderbroeken die het aanzien waard waren. Zo had de boerin, een echte boerin van formaat in doen en uiterlijk, haar onderbroek over de heining te drogen gehangen. Even later liep de knecht er voorbij en diep onder de indruk vertelde hij later thuis dat zijn patroa een onderbroek had van zeven latten breed. Er zouden drie hedendaagse bruidjes in die éne onderbroek passen…

 

Grootopa’s blik valt weer op het beeld van de tv. Ze laten de groep met spandoeken weer zien. Dan ziet hij plotseling goed wat erop staat, “FORA TEMER” en op een ander staat “NÃO À REFORMA CURRICULAR” . Ahaa, het is dus geen syndicaat. Nou, Temer, mompelt Grootopa binnensmonds, hijs je broek op en trek je riem strak… en geef niks toe.

En die kinderen die daar lopen te roepen, want voor Grootopa is iedereen onder de achttien jaar nog maar een kind, die moet je ook niet serieus nemen want die worden opgehitst door incompetente leraars die donkere wolken aan de horizon zien, omdat er nu wat van hun verwacht zal worden.

 

Hij neemt nog een speculaasje uit het pak, houdt het tussen z’n tanden vast en trekt dan zijn schoenen aan. Kauwend zet hij zijn hoed op, pakt de wandelstok en loopt naar buiten. Hij kijkt weer goed naar de lucht, de schapenwolken hangen er nog steeds, er komt regen denkt hij zelfverzekerd… wat die klote computers ook zeggen. Met vaste tred stapt hij het erf op, weer een dag tegemoet.

 

Geplaatst in De Regenboog: November 2016

 

 

Interview met Grootopa

 

Grootopa heeft ons geschiedenissen doorgegeven die niet in de boeken staan, maar die daarom niet minder informatief en interessant waren. Hij was daarbij zuinig met informatie over hemzelf. Omdat ik wat meer wilde weten óver Grootopa, heb ik hem het hieronder volgende interview afgenomen.

 

U heeft jarenlang de mensen in de kolonies geobserveerd en met hen meegeleefd, u heeft ook al jaren het nieuws gevolgd en dus moet u wel een grote mensenkennis hebben. Verbaast de mens u niet? En dan heb ik het niet alleen over de koloniemens, maar de mens in het algemeen. Kunt u dat uitleggen?

Wat me het meest verbaast, is dat de mens eigenlijk niks verandert door de eeuwen heen… De koloniemens ook niet. De mensen die ik honderd jaar geleden gekend heb, hadden toen precies dezelfde gevoelens als nu… ze waren blij, triest, gemeen, goedgeefs, ruzieden graag, hielden van roddelen, maar als puntje bij paaltje kwam was de hele gemeente als één blok. Wij zullen nooit veranderen, met de tijd wel anders handelen, maar van binnen zijn we nog hetzelfde. Eén grote deugd van de Carambeí koloniemens wil ik graag even noemen, dat is de hartelijke gastvrijheid waarmee ze je thuis ontvangen… altijd wordt er gevraagd of je mee wil eten, als het etenstijd is natuurlijk (rsrsrsrsrs…). Dit is een gewoonte sinds de allereersten hier kwamen. Van gouverneur tot landloper, hij werd uitgenodigd aan tafel. Deze hartelijkheid zit er nog altijd in.

We mogen trots zijn op wat er gepresteerd is in de kolonies, en ik weet dat u het daar helemaal mee eens bent. Kunt u iets zeggen over wat de technische vooruitgang ons gebracht heeft?

Nou en of we daar trots op kunnen zijn. Wij zijn referentie in het hele land op vele gebieden… landbouw en melk. Toen we hier aankwamen, honderd jaar geleden, daalden wij op technisch gebied wel in een heel ver verleden. We hadden best wel wat kennis in ons hoofd, maar om dat hier uit te voeren viel niet mee. In Gonçalves Junior was het helemaal erg. Daar hadden de meesten helemaal niks geen verstand van grond of planten of wat dan ook. Maar hier in Carambeí, toen de tweede groep kwam om de Verschoren en Vriesmannen te versterken: De Geus, Voorsluys, Los en Harms, kwam er kennis van zaken mee en dit is heel langzaam uitgegroeid tot een succes. Nu weer een aardigheidje over de mens: Vroeger werden de eerste trekkertjes en machines bereden door de boeren of boerenzoons zelf. Als je die oude dingen in het museum ziet staan, krijg je precies de indruk van hoe moeizaam en ongezond en gevaarlijk werken het toen was op die gevaartes. De boer deed het allemaal zelf zonder het flauwste benul van veiligheidsnormen! Nu zien we prachtige, moderne, computergestuurde machines, met een comfort waarvan men vroeger nooit had kunnen dromen over het land rijden… bestuurd door de knechten. De boer bestijgt deze geweldige machines alleen maar als er een optocht is op feestdagen. Dat zijn van die leuke dingen voor de mens.

Wat kan de geschiedenis ons leren?

Dat het doorzettingsvermogen alle moeilijkheden opzij schuift en dat dit een kwaliteit is die een pionier moet hebben anders kan deze beter thuisblijven.

Wat was het meest komische of bizarre dat u in uw leven heeft gezien of meegemaakt?

Als je zo oud wordt als ik dan heb je inderdaad héél veel gezien, gehoord, geroken en geproefd. We hebben héél veel gelachen… vaker om een ander dan om onszelf, natuurlijk. Het probleem is dat de komische gevallen meestal leuk zijn voor een ander en niet voor de betrokkene of zijn familie. Met mijn groeiende ouderdom is gelukkig ook mijn wijsheid gegroeid. En vandaag ben ik wijs genoeg om te weten dat vele verhalen eigenlijk pas na zo´n zeven generaties publiek gemaakt mogen worden. Daarom luister ik meer dan dat ik vertel. Rsrsrsrsrs…!!

Is er iets van vroeger dat u over zou willen brengen naar deze tijd? Of: waar heeft u heimwee naar?

Als ik vandaag de dag aan mijn pijpie trek, en ik zie al die mensen heen en weer rennen in grote haast, dan verlang ik weer terug naar de tijd dat we tijd voor elkaar hadden. Ik ben nu oud. Heel oud. Op mijn leeftijd ben ik eigenlijk niet meer dan een bezienswaardigheid. De jongere mensen kijken naar mij en vinden deze ouwe knakker wel interessant, glimlachen en vragen hoe het met me gaat, maar voordat ik mijn pijpie uit m´n mond haal en kan antwoorden geven ze me ongeduldig snel een handje of een schouderklopje en lopen weg. Ik ben al gestopt met antwoord proberen te geven. Ik knik alleen nog maar en zuig dan diep aan mijn pijpie.

Welke tijd heeft de meeste indruk op u gemaakt en waarom?

Ik vind dat voor Carambeí de jaren zestig en zeventig de mooiste jaren waren. In die jaren was er een zekere gelijkheid in de kolonie tot stand gekomen, wat betreft bezit en levensniveau. Er was ook een grote groep opgroeiende jeugd die een mooie opleiding kon volgen, en de mensen begonnen wat meer geld te hebben voor vermaak en vakanties. Ja, ik denk dat dit de mooiste tijd is geweest. Wat ik ook zo mooi vond toen, is dat een groot gedeelte van die jeugd ook nog goed communiceerde in het Nederlands, en dat na 60 jaar! Dat vond ik eigenlijk best indrukwekkend. In Engelse kolonies verdwijnt de Nederlandse taal meestal na één generatie.

U bent van het stichten van de kolonies tot nu, de moderne tijd, een altijd aanwezige geweest. U kent vast heel wat gerechten. Wat is uw lievelingsgerecht?

Oei, dat is een goeie vraag. Eigenlijk ben ik een zó simpele man dat ik je geen enkele naam van een gerecht kan noemen… trouwens, als de naam een beetje vreemd klinkt dan wil ik het eerst goed zien en ruiken voordat ik het in mijn mond steek. Maar het prakkie waar ik het meest naar terug verlang is aardappels met appelmoes en boterjus, en een goed doorgebakken stukkie vlees. Rabarber vond ik ook altijd zo lekker vroeger. Maar niks van dit al is hier te vinden. Jaren heb ik ernaar gesnakt.

Een prangende laatste vraag, als ik hem stellen mag is: Hoe oud bent u? Ze zeggen weleens: een tevreden roker is geen onruststoker, maar tegenwoordig vindt men roken maar niks. Bent u niet bang dat uw geliefde pijpie uw leven aanzienlijk zal verkorten?

Wat? De jeito nenhum!! Mijn pijpie blijf ik roken. De dokter zegt ook altijd dat roken slecht is, maar ik heb al wat vrienden die niet rookten naar het kerkhof begeleid, in diepe droefenis. Nee, laat die dokter maar kwaad op me zijn… ik rook m´n pijpie.

Hoe oud ik ben? Heel oud. Als ik het je zeg zal je het niet geloven. Maar dit blijft een geheim tussen ons tweeën. Goed? Kijk hier heb je m´n identiteitsbewijs… even wachten hoor, het is wel een beetje verfrommeld, maar nog wel te lezen. Ik moest het eigenlijk twintig jaar geleden vernieuwd hebben, maar ik vergeet het altijd. Oh, kijk, daar staat de datum, zie je de datum? Toch bijna niet te geloven hé?! Dus ik ben geboren in het jaar …

Wauw, ik had mezelf een idee gevormd over uw leeftijd, maar… Neeee! Jammer dat u erop staat het geheim te houden. Op deze leeftijd nog zó bij de tijd en zó vitaal. Dit zou indruk maken op de lezers. Maar goed, ik respecteer uw wens het niet openbaar te maken.

  

Teksten: Peter Bosch

Vragen: Tineke Voorsluys

 

Geplaatst in De Regenboog: Maart 2017