GROOTOPA VERTELT – WRAAK

 

door Peter Bosch

 

Het is weer zomer en de warmte laat zich nu pas goed voelen. Grootopa doet vandaag z´n gewoonlijke ochtendwandeling over de Rua Aurora die dwars over het bedrijf loopt waar vroeger ome Jacob en tante Marie boerden en waarvan alleen het woongedeelte nog statig overeind staat. Niettegenstaande het vroege uur van de dag staan er zweetdruppels op zijn voorhoofd die hij met een rooie zakdoek wegveegt. Hij klopt de pijp uit en stopt die in z´n broekzak. Zo, nu krijgt hij wat zuivere zuurstof in z´n longen. Even verder komt hij langs de Lar Aurora, het ouderdomstehuis waar de oudjes wonen. Ome Aart, twee tante Jannigies, tante Lena, tante Wilma, tante Hilsje, ome Wim… allemaal namen die voor de jeugd van vandaag net zo oud klinken als voor Grootopa vroeger Lodewijk of Boudewijn klonken. Namen die vandaag de dag amper aan kinderen worden gegeven. Namen die waarschijnlijk alleen in de herinnering van de koloniegeschiedenis bewaard zullen blijven en die zullen klinken als uit een ver verleden. Hun verre voorouders.

Jannigie is een van de alleroudsten, bijna 93 jaar. Grootopa heeft heel wat verhalen van Jannigie gehoord. Zij werd als kind Hanna genoemd door haar ouders. Zij is in Santa Catarina, Brusque, geboren, waar haar ouders, Jan Vriesman en Adriana Los, rond 1918 naar toe verhuisd waren. Jan had leren kaasmaken in Carambeí op het allereerste zuivelfabriekje dat was opgezet door de Brazil Railway Company. Ze verhuisden naar Santa Catarina waar hij was uitgenodigd om de nieuwe kaasfabriek van Jensen te runnen. De voertaal daar was praktisch uitsluitend Duits, zodoende is Hanna in die taal opgegroeid. Thuis spraken ze Nederlands, maar bij de kinderen onder elkaar was het Duits. Op een dag was haar oudere zusje met een buurjongetje gaan spelen op de zandberg die gebruikt werd voor de bouw van de fabriek. Hanna was 4 jaar en rende met een bakje in haar handen achter de 2 jaar oudere kinderen aan die er helemaal geen belang bij hadden dat Hanna meespeelde. Bij de zandberg werd ze ontvangen met een regen van zand die de twee over haar heen gooiden. Met zand in ogen en haren moest Hanna terugtrekken. Met tranende ogen liep ze langzaam weg toen ze langs het pad een grote rieten mand ondersteboven zag liggen. Nieuwsgierig tilde ze die op om te zien wat er onder zat. Ze schrok toen er een stel kuikentjes al piepend het pad op vlogen met de kloek er kakelend achteraan. Even bleef ze de kuikentjes na staan kijken, toen ze een idee kreeg. Ze kroop onder de mand en zette die over haar heen. Ze schepte het bakje vol grond en bleef op haar hurkjes geduldig door de mazen in het rond zitten kijken. In de verte zag ze haar vijanden spelen op de zandberg. Ze zou ze krijgen, die twee. Een bak grond over hun kop zullen ze krijgen! Ze wreef een miertje dood die haar in de voet beet. Toen hoorde ze opeens een zware stem en ze keek naar de winkeldeur waar een man uit kwam stappen, regelrecht op de mand af waar zij onder zat. Haar ogen werden groot en ze wist dat ze moest maken dat ze wegkwam. Ze gooide de mand van zich af en vloog zo hard ze kon weg. Het witte jurkje dwarrelde in de wind om haar spillebeentjes. Ze rende de kant van het huis op. Ze moest een brugje over, doch, daar gleed ze uit over het gladde zand en viel op de rand van een plank waardoor ze een diepe snee in haar hand haalde. Verbouwereerd keek ze naar het bloed dat uit de snede sijpelde en wou toen weer overeind springen om verder te vluchten, maar nu had de man haar al te pakken. Hanna dacht dat ze ervan langs zou krijgen, maar hij pakte haar voorzichtig op en bekeek de wond. Nog even probeerde Hanna zich vrij te worstelen, maar de man sprak wat vriendelijke woorden en droeg haar naar de winkel. Met tranen in de ogen keek Hanna naar haar gewonde hand. In de winkel riep de man zijn vrouw en samen hebben ze Hanna’s hand behandeld, netjes schoongemaakt, een mooi verband erom en toen met een hand vol suikereitjes naar huis gebracht.

In 1925 zijn Jan en Adriana met hun kinderen terug naar Carambeí gekomen, na ongeveer zeven jaren in Santa Catarina te hebben gewoond. – “In Carambei hebben we het toen niet makkelijk gehad. Wij hadden geen boerderij en het salaris dat mijn vader op de fabriek kreeg was zeer laag. Soms kregen we gemalen pinhões voorgeschoteld om rijst te sparen. Het was best lekker, maar als ik er in latere jaren aan terugdacht deed me dit toch wat. Mijn moeder, Adriana, heeft heel wat Duitse recepten Carambeí ingevoerd zoals sinaasappelpudding, de heerlijke sinaasappelsnoepjes, en wijnpudding met vanillevla.

Uit Santa Catarina heeft de familie ook de gewoonte meegebracht om met Kerst een kerstboom te versieren. Dat werd in Carambeí door de Nederlanders in die tijd niet gedaan. Dat was te werelds voor hun calvinistische opvatting. Doch de kinderen in de kolonie vonden dit allemaal zo prachtig dat in de loop der jaren iedereen deze gewoonte heeft opgepakt.

Hanna herinnert zich dat zij en haar broertjes met Kerst buiten moesten wachten in het donker. Dan hoorden ze binnen gerommel en gedoe en als de deur dan eindelijk openging, stond er een prachtige kerstboom, versierd met gekleurde kaarsjes, witte watten en glazen kerstballen, meegebracht uit Santa Catarina waar een glasfabriek stond die deze ballen zelf blies. Onder de kerstboom lagen de pakjes voor de kinderen. Haar oudere zusje had haar pakje al gauw open en er kwam een prachtig groot, wit suikerei uit. Hanna dook op haar knieën om ook haar pakje te openen. Er kwam ook zo’n mooi ei uit, maar het was kapotgegaan. Met tranen in haar ogen keek Hanna op en zag haar zusje daar, knap als een engel, tussen haar ouders staan, trots met het cadeautje in haar handen. Hanna keek weer naar haar eigen kapotte ei en donkere, kwaaie wolken stegen uit haar hoofdje langs de kerstballen omhoog…

Toen Tante Jannigie dit aan Grootopa vertelde, moest ze lachen met haar handen voor de mond en hoofdschuddend. – “ O, o, oo… het is toch wat! Ik was vroeger toch zo gauw kwaad!!” –.

– “Een paar jaar later heb ik een keer een heel mooie pop gekregen. Mijn vriendin Roos stelde voor dat zij de pop zou dopen. Ik had een mooi wit laken om mijn ´baby´ gewikkeld en keek naar Roos die serieus stond te kijken met een beetje kippenvoer in haar hand. Ik hield de ´baby´ goed vast. Roos liet wat voer over het hoofdje dwarrelen en zei toen plechtig in het Hollands-Duits: – ´Ich taufe dich mit hennespijse en das du nicht weer in bedde schijse´ -, en ze rende schaterend weg. Ik stond sprakeloos met de pop in m´n armen en wist niet wat me was overkomen”.

Jannigie vertelde verder – “Wij zijn vroeger heel streng opgevoed. Als we ook maar iets verkeerd deden, werden we naar buiten gestuurd. Ik lustte geen eieren, maar moest die eten. Als ik moeilijk deed met m´n ei werd ik naar buiten gestuurd in het donker. Ik was er al aan gewend. Daar bleef ik dan stilletjes zitten in het donker op de veranda, totdat mijn vader van de fabriek thuiskwam. Die stuurde me dan weer naar binnen. Op een keer ben ik stiekem zelf weer naar binnen geslopen en stilletjes bij m’n broertje in bed gekropen. Toen mijn moeder me vond zei ze – ‘Kom maar Hanna, ga maar naar je eigen bed’ – en ze gaf me een omhelzing, iets wat maar heel weinig gebeurde. Wat vond ik haar toen lief. Het heeft toen niet lang meer geduurd voordat ze ziek is geworden. Ze is naar het ziekenhuis in Ponta Grossa gebracht en daar gestorven. Onze wereld viel in elkaar en ons leven veranderde helemaal. Mijn vader is al gauw hertrouwd en ik kon het absoluut niet vinden met zijn nieuwe vrouw; ik ben toen bij mijn oom gaan wonen. Bij ome Jan Los ben ik aangenomen als kind aan huis. Het waren heel lieve en goeie mensen, en gezellig dat het was met al die neven en nichten”.

Tante Jannigie was nu met haar gedachten heel ver weg . – “Mijn vader was een Vriesman en mijn moeder een Los. De Vriesmannen en Lossen waren heel verschillend, praktisch tegenpolen van elkaar. De Vriesmannen zijn vanuit Gonçalves Junior naar Carambeí gekomen in 1911, nadat hun moeder daar gestorven was. De oude Jan Vriesman, mijn opa, die ik nooit gekend heb, was een verbitterd man geworden nadat zijn vrouw gestorven was en zijn dochtertje een brandongeluk gehad had op haar hoofd, waardoor ze een heel stuk haar verloor en de rest van haar leven een pruik heeft moeten dragen. Ongeveer een jaar voordat mijn ouders uit Carambeí vertrokken naar Santa Catarina is hij zelf met zijn dochtertje teruggegaan naar Holland. Dat zal in 1917 geweest zijn, ik weet het niet precies. Hij heeft zijn vier jongens toen achtergelaten hier in Brazilië. Ik moet er niet aan denken, de jongste, ome Cor, was slechts een kind van twaalf, dertien jaar en ze hebben elkaar nooit weer gezien. Dit heeft die jongens vast en zeker hardgemaakt! Ze waren alleen en hebben sindsdien voor zichzelf moeten vechten. De Vriesmannen waren recht door zee, eerlijk en keiharde werkers. Hard voor zichzelf, hard voor hun kinderen… en voor anderen. De Lossen waren anders. Die hadden een goedige vriendelijkheid over zich zodat het makkelijk was om je bij hen op je gemak te voelen. Ze hielden van muziek, van dansen, van lachen en van zingen. Ik ben opgegroeid tussen deze twee families”.

Jannigie hield op met vertellen en staarde in het niets. Grootopa zei niets en bleef geduldig wachten tot zij verder ging. – “Ja, heel hard. Het zal 1943 geweest zijn, ik was getrouwd en had zelf al een dochtertje, maar ik paste ook nog op mijn jongste broertje. Op een dag kwam deze het huis in rennen, kroop achter me weg en hield zich strak vast aan mijn jurk. De keukendeur werd toen opengegooid en daar stond mijn oom, groot en breed, met een zweep in de hand. Hij was een broer van mijn vader. – ‘Waar is dat jong?’ – vroeg hij met een woedend, rood gezicht. – ‘Op zijn donder met de zweep mot-ie hebben!’ – Ik had geen flauw idee wat broertje uitgespookt had, maar ik wist dat ik hem moest beschermen, ik bleef voor hem staan en zei tegen mijn oom – “Waag dat eens!!!” – Ik rilde, want ik kende oom heel goed. Hij was een goeie man, maar als hij boos werd kende hij geen limiet. Oom keek me dreigend aan, maar plots werden zijn ogen milder en kwam er een glimlach om zijn mond…, hij draaide zich om en liep weg. Gelukkig is broertje sindsdien wat gehoorzamer geworden”.

– “Ik ben met een rasechte Carambeíaan getrouwd, één uit de Geuzenfamilie, Kees de Geus. De opbouw van ons bedrijf is een prachtige tijd geweest. Wij behoorden tot de allereerste leden van de coöperatie Batavo toen deze is opgericht in 1941. Het heeft ons veel gekost om lid te mogen worden, vijf van onze beste vaarzen hebben we moeten verkopen, dat was dertig procent van ons bezit indertijd. We waren er trots op om tot de coöperatie te behoren. We behoorden tot de sócios-fundadores. Kees was geen boer in hart en nieren. Absoluut niet. Maar hij was opgegroeid op een boerderij en in Carambeí kon je niks anders worden dan boer. In feite was Kees een kunstenaar die alles kon maken van hout en hij hield van jagen en vissen… Ja, dat was echt zijn lust en zijn leven. Ik werkte hard mee op de boerderij en had het naar m’n zin. Ik werkte voor mezelf en voor m’n gezin, ik bouwde een toekomst voor hen op. Kees las veel. Wat hem vooral interesseerde waren de verhalen over de Transvaalse Oorlog, over de Zuid-Afrikaanse scherpschutters. Ik heb hem heel wat keren moeten roepen om melkenstijd. We hebben goed geboerd, maar we hadden alleen maar dochters en na het ongeluk dat ons enige zoontje bij ons wegnam, heeft hij alle lust om iets op te bouwen verloren. Maar we hebben het goed gehad” -.

Grootopa wachtte geduldig tot de oude vrouw haar verhaal hervatte. – “Ik weet nog als de dag van gisteren dat Kees besloot te gaan vissen met een stel broers en neven. Dit is natuurlijk helemaal niet zo’n feit op zichzelf, maar het was 1964, midden in de Revolutie, en de zaak zag er niet rooskleurig uit. Ik was bang door wat ik over de radio hoorde. Kees luisterde ook, maar zag er absoluut geen gevaar in om voor een week of twee met trekker en wagen te gaan vissen in een rivier op zo´n honderd kilometer afstand, de Rio Ivaí. Ik was toen natuurlijk weer eens dagenlang kwaad!” –

– “Kees werkte hard aan de voorbereiding van het avontuur. Van dikke planken heeft hij een grote kist in elkaar gezet en die met zinkplaat overtrokken zodat-ie waterdicht was. Deze kist moest als thermokist dienen om de vissen in ijs mee naar huis terug te brengen”. Grootopa ziet de herinneringen door Jannigies oude hoofd vliegen. Ze is terug in 1964 en ziet Kees werken aan z’n meesterstuk. – “Ik weet niet wat er met die kist gebeurd is of waar die gebleven is”.

-“Ik zie ze nog wegrijden. De Zetor trekker trok de bandenwagen vol jongemannen en hun kampeergerei. Ik heb niet gezwaaid naar Kees… o ,o, ooo… het is toch wat”. Jannigie moet weer lachen met haar hand voor de mond. – “Binnen stond de radio aan en Brizola, een politicus uit Rio Grande do Sul, brulde – ‘Esses gorilas…!!’ -, wat hij daarmee bedoelde weet ik niet. Ik weet alleen dat er geruchten gingen dat Brasil communistisch zou worden en dat misschien alle buitenlanders weggestuurd zouden worden. Aan de andere kant begreep ik dat het leger zou ingrijpen. Volgens mij zou het oorlog worden… en Kees ging vissen”.

– “Die dagen deed ik het werk op het bedrijf en luisterde zo veel mogelijk naar de radio om te weten hoe de situatie van het land was. Ik snapte er niet veel van. Het was één groot geblèr! Maar toen ik hoorde dat één van de knechten van de Posto van Naaktgeboren al met de sleutel van het bedrijf in z’n zak liep omdat hij als de Hollanders weggejaagd waren de Posto zou erven, raakte ik in paniek. Samen met m’n dochters hebben we een heleboel eten opgeslagen thuis, allemaal houdbaar spul. Weet ik hoeveel potten geweckte vijgen, margarine, meel, suiker… Ik zie Kees z’n gezicht nog toen hij thuiskwam, stomverbaasd over wat hij zag… Dagenlang heeft hij vijgen gegeten”.

Grootopa begrijpt Jannigie goed. Achteraf is alles goed afgelopen en is er in Carambeí niks van de Revolutie te merken geweest. Maar je moet het de hele dag maar aanhoren op de radio – ‘Esses gorilas!’

Over gorilla’s gesproken. Net zoals Kees en zovelen in Carambeí, is Grootopa ook altijd een verwoed lezer geweest. Eén van de mooiste boeken die hij ooit las is Tarzan van de Apen geweest dat gaat over een baby die aangenomen wordt door een grote antropoïde apin in de jungle van Afrika nadat zijn moeder stierf in een hutje en zijn vader, Lord Greystoke, vermoord was door diezelfde mensapen. Het verhaal is prachtig. Kala, de apin die Tarzan adopteerde, moest hem constant beschermen tegen Tublat, haar mannetjesaap, Tarzans stiefvader, die het kind diep haatte. Grootopa herinnert zich de episode die hem het meest aangreep. Die ging ongeveer zo: – “De troep antropoïden kwam samen in een soort amfitheater waar een paar oude apinnen met knoesten op een vreemd soort aarden trommen sloegen. Deze plechtigheid was te horen tot op kilometers ver. De dum-dum. In een woeste, dolle, bedwelmende pret sprongen de beesten krijsend rond in het tropische maanlicht. Zelfs de leeuw hield zich stil en op veilige afstand. De oude Tublat stond te rusten en keek met kleine, boosaardige, bloeddoorlopen ogen rond. In de boom precies boven Tublat zat Tarzan verscholen. Toen hij Tublat onder zich zag begon hij treiterend takjes op de mannetjesaap te gooien. Geërgerd keek Tublat omhoog en probeerde hem te negeren. Doch Tarzan bleef door treiteren. Tublat stond te schuimbekken, maar hield zich in tot hij opeens een grotere tak voor z’n kop kreeg… Toen werd Tublat dol. Kala gaf nog een waarschuwende krijs, maar zijn woeste oerinstinct dwong Tublat maatregelen te nemen en hij vloog op z’n treiteraar af. Dit beeld is Grootopa altijd bijgebleven.

Grootopa wandelde verder en kwam langs het gebouw Mondriaan, waar vandaag de dag onder andere Frederica’s Koffiehuis is. Grootopa herinnert zich dan een prachtig voorval dat zich hier afspeelde en voor eeuwig in de ongeschreven geschiedenis van onze kolonie zal voortbestaan. We hebben in Carambeí namelijk ook een dum-dum gehad. De kolonie had in de jaren negentig nog nergens een echt geschikte plaats waar de jongelui zich konden vermaken. Er was wel een lanchonete, maar die was niet echt gezellig en er pasten maar weinig mensen in. Zo werd er in Mondriaan, dit typische gebouw in de vorm van een bijenkorf, een eet- en drinkgelegenheid opgezet. Het werd heel mooi. ´s Avonds gedempte verlichting, gezellig aangekleed en je kon er lekkere patat, sandwiches en hamburgers krijgen terwijl er muziek speelde… hartstikke leuk en lekker. Het werd Billy Joe genoemd. Billy Joe was al snel razend populair en het duurde niet lang of er was drie dagen per week feest met veel jongelui, zelfs uit Castro en Ponta Grossa. De zaak liep perfect tot genoegen van de eigenaars en de feestvierders. Het probleem was dat de feesten steeds luidruchtiger werden en doorgingen tot diep in de ochtend. En alsof het lawaai binnen nog niet genoeg was, zetten de jongelui buiten ook nog de muziekinstallaties van de auto’s keihard aan. En zo bescheen de tropische maan de dum-dum van Carambeí. Trillend danste het licht op het roffelende, keiharde ritme waar de jongelui met swingende hoofden middenin stonden.

De buren werden bijna gek en konden niet meer slapen. De eerste keren dachten ze dat de feesten wel weer eens zouden aflopen, maar nee, het werd steeds gekker. Wekenlang konden ze niet slapen en wraakplannen borrelden op. Kortsluiting provoceren, een bom erin gooien… de plannen werden steeds gekker. Naar de autoriteiten gaan hielp niks. Grootopa vraagt zich nu af of ze misschien met de eigenaars gesproken hebben, wie weet zou dat geholpen hebben. Grootopa weet het niet.

Het was de nacht van zaterdag op zondag voor carnaval toen één van de buren plots om 4 uur wakker werd van een gedonder waarmee hij letterlijk uit bed dreunde. Nog even bleef hij verschrikt liggen, met bloeddoorlopen ogen, wreed gestoord in zijn nachtrust. Naast hem hoorde hij z’n vrouw zuchten. De wind draaide en bracht weer de keiharde dum-dum hun slaapkamer binnen… toen werd Hans dol. Zijn vrouw krijste nog – ‘Niet doen!’, maar Hans’ woeste oerinstinct dwong hem maatregelen te nemen tegen zijn treiteraars.

Nu moet Grootopa even stilstaan en klapt in zijn handen van pret. Hij ziet het allemaal voor zich gebeuren. Hans rent naar buiten en springt op de trekker die op een helling staat omdat-ie normaal niet goed starten wilde, maar nu pakte hij direct. Voor Hans was dit het teken dat wat hij ging doen goed was. Hij reed de trekker naar de giertank en haakte deze vast, reed toen naar de gierput en zoog de tank boordevol. Toen is hij naar het parkeerterrein van Billy Joe gereden, dat lag maar een paar honderd meter van zijn huis. Hij reed voorzichtig, wat eigenlijk helemaal niet zo nodig was omdat de muziek alle andere geluiden overstemde. Voor Billy Joe zette hij de druk op volle kracht, gooide toen de klep wagenwijd open en ging al gierend tussen de auto’s en het gebouw door; het regende letterlijk stront in het rond. Eén jongen wilde toevallig naar buiten komen, maar kon nog net weer naar binnen wegduiken.

Hans zou die volgende zondagmorgen aan de kerkdeur moeten staan om de mensen te ontvangen en met een warme handdruk welkom te heten, maar die morgen had hij plotseling iets heel dringends op zijn bedrijf in Catanduva. Zijn vrouw en kinderen hebben de mensen alleen ontvangen aan de kerkdeur. Het voorval was toen nog niet helemaal uitgelekt, maar vóór de preek begon wist iedereen het.

Achteraf is alles goed gekomen natuurlijk. Er is wel een rechtszaak geweest, maar toch is het in feite met een lach afgelopen.

Wat Grootopa wel jammer vindt, is dat Billy Joe toen gesloten is. Hij vindt dat jammer omdat buiten het lawaai het een prachtig iets was.

Langzaam wandelend komt hij uit op de asfaltweg die naar Castro en Ponta Grossa gaat. De grote weg. Vroeger was dit punt herkenbaar aan de Posto van Naaktgeboren waar we jarenlang onze auto’s tankten en waar ook het eerste restaurant van de kolonie stond. Als je de Posto zag, voelde je dat je in Carambeí aangekomen was. Nadat de weg geasfalteerd was, werd dit kruispunt helaas vreselijk gevaarlijk. Later is er een viaduct gekomen waardoor we weer wat veiliger de kolonie in konden rijden. Door dit grote viaduct echter, viel het restaurant niet meer op en nu in 2013, verdwijnt het laatste teken van de Posto. Het gebouw dat nog diende als restaurant is nu ook afgebroken. Het laatste teken van een voorbij tijdperk.

Grootopa staat even stil om z´n pijp te stoppen en aan te steken. Dan draait hij zich om en begint zijn wandeling terug. Er komt net een wolk voor de zon die hem in een beschermende schaduw zet. Grootopa versnelt zijn pas en probeert met de wolk mee te lopen om zo lang mogelijk van de schaduw te genieten. Hierdoor vergeet hij zelfs zijn herinneringen.

 

 

Geplaatst in De Regenboog 178 – Januari 2014

 

 

GROOTOPA VERTELT – KRACHTTERMEN

 

door: Peter Bosch

 

Het is nog donker en de vroege ochtendschemering is nog niet te zien. Het is bladstil… de stilte voor de storm. Het enige geluid is het eentonige gezoem van de fabriek en het onheilspellende diepe gegrom van onweer ver weg, wanneer een bliksemflits de zware wolken in het licht zet. Een indrukwekkend schouwspel. Het maakt dat de mens zich nietig voelt. Vooral die warmte en de drukkende stilte, je hoort zelfs geen hond blaffen. Niks. Na een paar weken ongewone hitte is de regen zeer welkom want de grond is kurkdroog en het gewas staat te verdorren op het land.

Grootopa voelt zich wat bedrukt en niet echt lekker. In de donkere stilte staat hij voor het raam naar buiten te kijken, begrijpend dat zijn ochtendwandeling waarschijnlijk niet zal doorgaan. Hij hoopt dat de regen komt en moet denken aan al die mensen in het noordoosten van Brazilië waar de grond is verscheurd en keihard geworden en niks meer groeit na maanden droogte. Duizenden mensen lijden daar honger, en dat is om de zo veel jaar iedere keer weer. In Carambeí en in de andere kolonies is het ook om de zo veel jaren heel droog, maar hier hebben we nooit honger geleden!

Nee, hier in Carambeí nooit, maar wel in Holland. Grootopa denkt aan de oude Leendert Los die in 1913 naar Brazilië gekomen is met zijn ouders en broers en zusters. Net als in Castrolanda en Arapoti luisterden velen in Carambeí naar Radio Hilversum, ’s avonds om zeven uur, en zo bleven de mensen op de hoogte van wat er in Nederland en in de rest van de wereld gebeurde. Ook voor Leendert Los was dit uur heilig, dan zat hij voor de radio en moest iedereen heel stil zijn want er was veelal storing in de uitzending en hij wilde geen woord missen. De kinderen begrepen dit niet en liepen mopperend weg omdat ze stil moesten zijn. Op een dag vroeg zijn kleindochtertje van een jaar of tien waarom opa niet teruggegaan was naar Holland. Leen keek het meisje aan en zei toen – “Wij hebben het hier in Carambeí niet gemakkelijk gehad, maar hier hebben wij nooit honger geleden zoals in Holland! Daar moesten wij naar ons werk, ’s ochtends in het donker en in de kou, voor een miezerig loontje, met een zakje brood, en als er dan twee sneetjes in zaten wist ik dat mijn moeder die dag niet zou eten… Dat zijn tijden die ik het liefst vergeet”. Leendert was de tweede zoon van Gerrit Los en Jannigje de Heer. De familie heeft zeer moeilijke tijden meegemaakt in Holland, zoals duizenden andere families in de beginjaren van negentienhonderd. Werkloosheid, honger, ziektes en noem maar op, teisterden het grootste gedeelte van het volk. In die toestand koos de man meestal tussen twee mogelijkheden: vloeken en zich zat zuipen in de kroeg, of bidden en er zich tegenaan gooien. De familie Los koos voor de tweede optie.

Leen heeft het in Carambeí gemaakt met zijn winkel en slagerij, en in de eindjaren twintig was hij één van de rijksten van de kolonie. Terwijl de meesten al het werk nog met ossen of paarden deden, reed Leen al met een vrachtwagen. Zijn bedrijf lag vlak bij het treinstation wat het transporteren van zijn ingekochte waren voor de winkel en het laden van zijn vleesproducten voor de verkoop, vooral charque, gezouten en gedroogd vlees, vergemakkelijkte. Het was niet eenvoudig een winkel te runnen in een gemeenschap waar niet veel geld circuleerde en velen het moeilijk hadden. Praktisch alles werd op de pof gekocht en het afbetalen van de rekeningen viel niet altijd mee. Eén van de zonen van Leen zag de lijst van mensen die al weken of zelfs maanden in het rood stonden en zei tegen zijn vader dat hij het die mensen ging rekenen. De reactie van vader Leen was – “Daan, dat doe jij niet! Die mensen hebben het moeilijk en dat betalen komt wel een keer goed”. Vaak werd de schuld niet met geld vereffend, maar dan kwamen ze met een ouwe koe of een varken aan. Vader Leen aanvaardde meestal de deal en kraste de naam op de lijst door, rekening voldaan … ook al was de koe of het varken soms nog niet de helft van de schuld waard. Maar door zijn goed vertrouwen is Leen praktisch failliet gegaan. Hij had een grote vracht charque verkocht aan iemand in São Paulo die hem nooit heeft betaald. Die klap is hij niet meer te boven gekomen.

Grootopa denkt voor zich heen en staart over de bomen naar de donkere verte, hij hoort de regen aankomen. Het begint nu te waaien. Dan hoort hij plotseling een stem op het buurland. Buurman jaagt zijn vee naar de schuur. De man heeft haast omdat hij de storm ziet aankomen, maar de beesten, nog sloom van de warme nacht, zijn traag en willen niet zo best. De man begint kwaad te schelden, in het Portugees. Ieder scheldwoord gaat over de moeders van de beesten. Grootopa moet even glimlachen als hij dat zo aanhoort en denkt aan hoe het zou klinken als daar nog een rasechte Hollandse boer zou lopen zwoegen achter zijn koeien die niet doen wat hij wil. De man zou waarschijnlijk hebben lopen vloeken. Ja, onder de wereldbevolking behoren de Hollanders tot de grootste vloekers. Het is niet voor niks dat wij al sinds de middeleeuwen als “botte Hollanders” beschouwd worden.

In het Braziliaans kan je niet echt vloeken, er bestaan geen echte vloekwoorden in de Portugese taal. De krachttermen en scheldwoorden die hier gebruikt worden, doelen meestal op de ontuchtigheid van de moeder van de belaagde, en het waren juist deze scheldwoorden die een immigrant vroeger altijd als eerste woorden leerde.

In de beginjaren van Carambeí werd er nog wel gevloekt, vooral omdat hier praktisch alleen maar Hollands gesproken werd. De strenge, vrome stammoeders: Mina Ruygenbrink Verschoor, Leentje Kranendonk de Geus en Jannigje de Heer Los (de stammoeder van de familie Vriesman, Jacoba Wilderom, was in Gonçalves Junior al gestorven) keurden dit natuurlijk niet goed en daarom werd er in huis absoluut niet gevloekt, maar buiten op het land was dit niet te controleren en een man moet zich af en toe “uitstressen”. Er bestaat niks doeltreffender dan dat te doen door eens heel diep uit je borst te vloeken. Dat gebeurt natuurlijk zonder dat je nadenkt over de betekenis van die woorden. In het Nederlands heeft iedere vloek een betekenis die je het schaamrood naar je kaken doet vliegen, maar er zijn momenten dat je íets moet uitbrullen om weer rustig te worden en om niet tot wilde daden over te gaan.

In de loop van de tijd leerden de Hollanders het Portugees en gingen zij over op het gebruik van de Braziliaanse scheldwoorden, vooral ook omdat de oude stammoeders dit toch niet verstonden. En zo was het Hollandse vloeken in Carambeí al snel uit de mode. Zelfs de nieuwkomers in de jaren dertig en veertig leerden al snel om niet te vloeken, maar in het Braziliaans te schelden. Daar waren ze trots op en als ze tien Braziliaanse scheldwoorden kenden, vonden ze dat ze al aardig wat Portugese taalkennis hadden.

Maar de nieuwe immigranten die naar Castrolanda en Arapoti kwamen, hebben er wat langer over gedaan om het vloeken af te leren. Bij de meeste jonge boeren werd praktisch in iedere zin wel één of meer krachttermen gebruikt. Zo moest een jongetje vroeger in Arapoti zijn oudere broer helpen door bij te lichten met een zaklantaarn terwijl deze wat aan de trekker repareerde in de schuur waar het donker was. Het jochie lette niet goed op en scheen de verkeerde kant op omdat hij dacht een rat te horen lopen. De reactie van de oudere broer was – “Jóh, hou die verdomde zaklantéren goed in je klauwe of je krijg een klap veur je harsus… ik zie gien flikker hier in’t donker!” Het werkte wel effectief.

In Castrolanda heeft datzelfde jochie ook eens de kunst van het vloeken aanschouwd. Hij was daar aan het logeren bij een vriend. Onder melkenstijd ’s middags, stond hij in de schuur te kijken naar een jonge boer die aan het melken was. Hij was onder de indruk van de hoeveelheid koeien. Castrolanda bestond toen al zo’n vijftien jaar en de meeste boeren hadden een, voor die tijd, groot bedrijf, terwijl Arapoti nog maar zo’n vijf jaar bestond en in volle, maar langzame, opbouw was. De jonge Castrolandees was het gedoe met die koeien iedere dag weer, alle dagen van het jaar, twee keer per dag, of het regende of koud of warm was deed er niet toe, hartstikke zat. Heel erg zat! De melkbussen werden van het droogrek gehaald, de teems werd in elkaar gezet met een wit doekje tussen de filters en de melkemmers werden, chagrijnig, nog een keer extra omgespoeld. Er werd met de hand gemolken, dertig koeien. De beesten de stal injagen ging gemakkelijk, die wilden graag gemolken worden en gingen allemaal netjes op hun eigen plek staan met de nek tussen de staken om van de gehakselde batata doce te vreten. De meeste koeien gingen rustig staan vreten, maar er waren ertussen die onrustig met hun kop stonden te schudden. Het jochie had gemerkt dat er twee koeien tochtig waren en dat een paar andere koeien daardoor een beetje schichtig waren.

Over tochtig gesproken herinnert Grootopa zich een leuk voorval uit Arapoti. Daar werd op de catechisatieles eens gevraagd aan een jochie van een jaar of dertien, – “Is het beter dat een vrouw in tucht of in ontucht leeft?” Het jongetje, een melkboerenzoon, moest natuurlijk gelijk denken aan wat een koe doet als ze tochtig is en antwoordde – “…Ik denk dat een vrouw beter niet tuchtig moet zijn”.

De jonge boer van Castrolanda zat dus op z’n melkbokje met de emmer tussen zijn benen te melken. De koe was wat onrustig, vooral als hij de achterspenen aanraakte, dan tilde het beest een poot op en maakte aanstalten om te slaan; daarom had hij haar poten goed vastgezet met een touw. Plotseling gaf het beest een stuiptrekking en sloeg met beide achterpoten naar voren. De emmer vloog over de vloer en het been van de jongeman werd hard geraakt door de puntige hoeven vol stront. De jongen sprong vloekend onder het beest vandaan, pakte zijn melkbokje en begon daarmee het dier op zijn rug te beuken, met bij ieder klap een vloek – “Daemme… daemme… daemme… daemme… gáááátverdaemme… daemme… daemme… gááátver… daemme…”, tot de rug van de koe hol stond en het beest een klagend “boeoeoeoeoehh…” slaakte. Het jochie uit Arapoti stond vol indruk te kijken en dacht aan zijn broer die hier nog wat van zou kunnen leren.

Grootopa moet toegeven dat het moeilijk is om geen krachttermen te gebruiken als je met beesten omgaat. Moet je maar eens met een paard omgaan dat niet wil. Hij weet nog goed hoe vaak een rot knol opnieuw getemd moest worden, omdat het – “kreng niet deugt!” Ja, om een paard dat niet in één keer goed getemd is, redomão noemen ze die hier, opnieuw te temmen valt niet mee; het geeft dubbel zo veel moeite en gedurende het temmen wordt de moeder van het dier dan ook héél diep beledigd!!

Paarden kunnen zeer gevaarlijk zijn. In alle kolonies zijn er ongelukken gebeurd met paard of paard en wagen. Ook dodelijke ongelukken. Grootopa herinnert zich een geval in Arapoti dat maar op het nippertje goed afgelopen is. Daar gingen de kinderen die ver van school woonden altijd te paard naar school. Romantisch en meestal leuk, maar ook gevaarlijk voor kinderen tussen de vijf en twaalf jaar. Op een dag ging een jochie van net acht jaar op zijn paard naar school toen het beest het plots op haar heupen kreeg en op hol sloeg. Kilometer na kilometer vloog het dier zo hard het kon over de grondweg. Het jochie trok aan de leidsels en riep “Prrrr… Prrrr… Prrr…”, maar niks hielp. Op het laatst, ten einde raad, liet hij de teugel maar gaan en deed niks anders dan zich goed vastklampen op de rug van het galopperende paard. De hoeven roffelden over de hardgereden grondweg. Hij zat regelrecht op de rug van het dier want in die tijd gebruikte bijna niemand een zadel en hij had zijn paardendekje al verloren toen hij met het beest vocht om het tot stilstand te brengen. Het witte rugzakje met brood en schriften fladderde op zijn rug. Ongeveer één kilometer voor de school lag er een houten brug van zo’n zeven meter lang over een riviertje dat drie of vier meter lager stroomde. Op het moment dat het op hol geslagen paard er aan kwam rennen met de kleine ruiter verbeten op haar rug vastgeklemd, reed er net een trekker met bandenwagen over de brug. Op de wagen zaten de schoolkinderen van de Tweede Lomba en de heer Boelman, op houten banken die op de wagen vastgespijkerd waren. Ze zagen het paard aan komen galopperen. Boelman zag onmiddellijk dat er iets mis was en dat het beest geen aanstalten maakte om te stoppen. De trekker en wagen reden midden op de brug en namen deze helemaal in beslag, buiten een paar zijdelings uitstekende planken van nog geen meter. De kleine ruiter deed niks en zag niks, alleen maar de wapperende manen voor zijn gezicht. De kinderen keken niet begrijpend naar wat er gebeurde. Boelman sprong op, stak zijn handen in de lucht en riep – “Oh God, daar gaat het jochie!!”

Het paard, zonder ook maar iets in vaart te minderen, vloog springend van de ene plank naar de andere en was in een twee seconden de trekker en wagen voorbij. De benen van het jochie zaten als een tang om de buik van het dier geperst anders had hij zich verschrikkelijk bezeerd, maar nu hadden hij en het paard de wagen niet eens aangeraakt. Een wonder! Het stel vloog in onverminderde vaart door tot achter de school het eucalyptus bos in, waar de paardenwei was… Daar stond het dier eindelijk rillend en schuimbekkend stil. Het jochie kon zijn benen bijna niet los krijgen en liet zich langzaam op de grond zakken. Hij had minstens drie kilometer in onveranderlijke houding op het paard vastgeklemd gezeten. Hij liet het paard lopen met het hoofdstel om en verborg zich achter een dikke boomstam waar hij op z’n hurken rillend bleef zitten. Hij wou niemand zien. Hij hoorde de trekker en kinderstemmen aankomen en hield zich doodstil. Hij wilde door niemand gezien worden. Hij schaamde zich dat hij het paard niet had kunnen bedwingen. Wat zouden ze hem uitlachen! Toen hoorde hij zware stappen aankomen en een mannenstem zijn naam roepen. Daar kwam Boelman aan… wat zou die kwaad zijn. Hij zou hem vragen of hij gek was om zo dol te rijden op zijn paard. Stil bleef hij zitten achter de boom en antwoordde niet. Daar stond opeens de grote man voor hem en het jochie kromp in elkaar. Toen voelde hij zich opgetild worden door twee sterke armen en een zware stem zei zachtjes – “M’n jochie toch… m’n jochie toch! Heb je je bezeerd? Laat me eens kijken…”. Het jochie schudde zachtjes zijn hoofd, toen werd het hem te veel en hij liet zijn hoofd huilend tegen de grote borst van Boelman zakken. “Ik kon hem niet houwe!” – snikte hij.

Niemand van de schoolkinderen heeft gezien dat hij gehuild heeft. Boelman heeft het hoofdstel van het paard afgehaald en is toen samen met het jochie naar school gelopen. Hij zei nog – “Denk erom, niet op dat paard naar huis rijden vanmiddag. Zeg maar tegen je vader dat hij die beter kan verkopen!… Maar, heel belangrijk, niet bang worden voor paarden, hé! Gewoon doorgaan met paardrijden, hoor”. En dat is toen ook gebeurd. Opgerot met die knol!

Het is ondertussen begonnen te regenen. De regen valt nu met bakken uit de hemel. Het is zondag en op de tv zal er alleen maar voetbal en autorace te zien zijn. Grootopa´s gedachten gaan weer jaren terug. In 1952 was het beoefenen van een sport op zondag uit den boze. Sommige families vonden dit eigenlijk wel een beetje te ver gaan, maar de dominee zei het iedere zondag weer en zodoende werd er niet openlijk gesport op zondag. Dat was ten strengste verboden omdat ze anders het gebod van de rustdag niet nakwamen en ook omdat gedurende het sporten de krachttermen niet van de lucht waren natuurlijk, en dat hoort op zondag helemaal niet. Maar de jongelui deden het toch weleens want anders hadden ze niks te doen… alleen melken, dat moest wel op zondag. Zo had een groepje jongelui een net gespannen over een mooi veldje, een beetje verscholen tussen de bomen achter de schuur, waar ze aan het volleyen waren. Ze hadden niet verwacht dat dominee Moesker met zijn vrouw daar langs zouden komen wandelen om bij de ouders op bezoek te gaan. Deze hoorden de kreten van inspanning en het gelach van de jongelui en gingen achter de schuur kijken wat er aan de hand was. Daar stond dus opeens de dominee naast het geïmproviseerde veld en de jongelui schrokken zich rot. Ds. Moeskers gezicht stond ernstig en hij zuchtte diep, maar zijn vrouw kneep hem stiekem in zijn hand. Dominee keek omhoog als om raad te vragen, en vroeg – “En hoe heet jullie club… Loof den Heer?”, en toen wandelden ze rustig door.

Grootopa ziet nu dat de zon tenslotte door het wolkendek zal breken en de wereld weer mooi zal maken. De vogels zullen weer gaan zingen. Hij gaat zitten op de stoep voor de keukendeur, onder de veranda, en begint zijn pijpie te stoppen. De zon komt nu goed op, de stralen schijnen horizontaal tussen de dikke wolkenslingers door en kleuren alles goud. Nu begrijpt hij weer waarom de vroege immigranten dit land zo prachtig vonden en hier bleven, niettegenstaande alle moeilijkheden. Dit land is toch, verdorie, een mooi land!! De bedruktheid die hij in zijn borst had gevoeld die morgen vroeg, was weg. Hij trekt zijn sokken wat omhoog over zijn dunne, witte enkels en wrijft met zijn handen over zijn gladde onderbenen waar nog slechts een paar uitgedroogde haren op staan. Ik begin nu toch wel echt heel oud te worden, denkt hij glimlachend, steekt zijn voeten in zijn klompschoenen en loopt het natte erf op.

 

Geplaatst in De Regenboog: april 2014

 

 

GROOTOPA VERTELT – SODOM EN GOMORRA

door: Peter Bosch

Langzaam loopt Grootopa over het pad naar de weg om te kijken of de krant er al ligt. Deze wordt meestal achteloos over het hek op het pad gegooid en daar ergert hij zich wel wat aan. Eigenlijk is dat geen probleem omdat de krant meestal netjes in een plastic zak zit, maar soms schiet de plastic zak wat open en als het dan regent, wordt de krant nat en is Grootopa, niettegenstaande al zijn geduld, de hele dag chagrijnig.

Grootopa ziet het pak liggen en raapt het op. Hij trekt de krant uit de zak en bekijkt de voorpagina met de kopstukken. Eén foto trekt direct zijn aandacht. Er staan drie caranavalsmeisjes op met bijna ‘niks an’t lijf’… en dat is natuurlijk net wat Grootopa een beetje langer naar dat plaatje doet kijken. De natuur is schoon vindt hij. Vooral in Brazilië. Niet voor niks dat buitenlandse toeristen het hier prachtig vinden.

Het doet hem denken aan de eerste immigranten die in Gonçalves Junior kwamen. Duitsers, Roemenen, Zwitsers, Hollanders, en noem maar op, ze kwamen allemaal regelrecht uit hun meestal koude, natte en donkere vaderland naar dit tropische oord. Omdat niet één van hen precies wist in wat voor een land ze terecht zouden komen, kwamen er buiten de families met man, vrouw en kinderen ook veel ongetrouwde jongemannen en mannen die hun vrouw of familie nog even in het verre vaderland hadden achtergelaten om eerst hier wat op te bouwen om dan pas de familie over te laten komen. Hierdoor kwam het dat er in die eerste jaren in Gonçalves Junior veel meer mannen dan vrouwen waren, en dan herhaalt de geschiedenis zich altijd weer.

Omdat er geen echte leiding was in deze kolonie en geen georganiseerde gemeente, gebeurde het net als vroeger in Noord-Amerika in de kampen van de goudzoekers waar praktisch alleen maar mannen waren, het duurde niet lang of er werden een paar bars en een bordeel opgezet. Waar mannen zijn gaan vrouwen op af en andersom… dat is de roep van de natuur. De mannen die hier in dit hete land terechtkwamen, hadden in hun kille vaderland de vrouwen hoofdzakelijk dik aangekleed gezien tegen de regen en de kou, in donkere kleuren, en ze raakten hier al gauw verstrikt in het web van de sensualiteit, van de dartelende Braziliaanse vrouwtjes in hun lichte kleren. De boze lusten des vleses borrelden naar boven en – “der was gien houwe meer aan”.

De gewone, rechtgeaarde families die daartussen woonden, voelden zich plotseling als in een soort Sodom en Gomorra. Het werd met de tijd zo erg dat toen de oprichter van de kolonie, de heer Gonçalves Junior, zelf een keer kwam kijken en in de gaten kreeg hoe de zaak daar liep zijn naam niet meer aan deze kolonie verbonden wilde hebben.

Grootopa ziet dit verre verleden weer helemaal voor zich, schudt lichtjes zijn hoofd, bladert dan wat verder en komt bij een artikel over Getúlio Vargas, die precies 60 jaar geleden zelfmoord pleegde. Getúlio Vargas is één van de groten in de Braziliaanse geschiedenis. Hij leidde de revolutie van 1930 en is gedurende 18 jaar president geweest. Grootopa herinnert zich de dag dat het schokkende nieuws het land verbijsterde toen Getúlio in 1954 zichzelf van het leven beroofde met een schot in het hart. Wekenlang stonden de kranten er vol van en nu, 60 jaar later, wordt er weer in alle details uitgelegd wat er gebeurd is. Nu herinnert Grootopa zich iets wat maar zeer weinigen weten, namelijk dat op de dag dat Getúlio zichzelf doodschoot er een Carambeíaan vlakbij was… Leo Vriesman.

Leo Vriesman heeft dit historische moment van heel dichtbij meegemaakt en heeft zijn verhaal zelf aan Grootopa vertelt. Hij diende in 1954 in het leger als noodchauffeur van Getúlio Vargas en sliep die noodlottige nacht in het regeringspaleis, Palácio do Catete, in Rio de Janeiro. Zoals nu nog gewoonte is als de president vervoerd wordt per auto, reden er toentertijd ook altijd nog een paar auto’s achter hem aan, en in één van die auto’s reed soldado 568, zoals Leo werd genoemd. Als Leo niet hoefde te chauffeuren in het escorte van de president, diende hij als Polícia Militar, – “dan moest ik bandieten jagen”. Leo geeft toe dat er toen nog niet van die geraffineerde bandieten waren zoals die vandaag de dag het land onveilig maken, maar toch was het een gevaarlijke bezigheid. – “Ik heb altijd goed kunnen schieten, vechten en boksen, en was daar ook redelijk bekend om”, zegt hij niet zonder trots, – “en deze bekendheid kwam me goed van pas in die tijd, want men moest gerespecteerd worden als politie en als militair”.

– “Ik ben in 1933, gedurende de revolutie, geboren in Carambeí als vijfde kind van Jan Vriesman en Adriana Los. Mijn moeder is gestorven toen ik vier jaar was. Dat was een ontzettende slag voor onze familie. Ik was nog heel klein, miste mijn moeder en kon ’s nachts niet meer slapen. Ik lag de hele nacht met wijd open ogen naar het voeteneind van mijn bed te staren want daar stond mijn moeder naar me te kijken zonder iets te zeggen. Dan gilde ik “Mama, mama, mama, mama…”. Iedere nacht weer. Ten einde raad hebben ze me toen naar een dokter gebracht in Ponta Grossa en die heeft de simpele raad gegeven om een lichtje aan te laten ’s nachts…, toen was het voorbij. Ik ben praktisch opgevoed door mijn oudere zuster, Hanna, omdat ik het niet kon vinden met mijn stiefmoeder of mijn stiefmoeder niet met mij. Toen ik zo’n 16, 17 jaar was ben ik als vrachtwagenchauffeur in dienst gegaan bij Leen Aardoom en ik geloof dat ik de eerste werknemer was van het bedrijf TransArdo”.

– “Toen ik opgeroepen werd voor m’n dienstplicht, had ik al een paar jaar praktijk als chauffeur en ik was daar verrekte goed in, al zeg ik het zelf. In de kazerne zag ik op een dag een aanplakbiljet waarop stond dat ze naar een chauffeur zochten om in het escorte van de president te werken als noodchauffeur. Dat stond mij wel aan. Ik heb direct gesolliciteerd, maar dat hadden ook een zestig andere soldaten gedaan! De één na de andere werd getest. Toen ik eindelijk aan de beurt was stapte ik in, pakte de sleutel van de majoor aan, startte de auto en wou wegrijden, maar de man zei gelijk dat ik hem uit moest zetten en klaar was. Verbouwereerd deed ik wat hij zei en liep teleurgesteld weg. De volgende dag zag ik een groep soldaten staan kijken naar een papier aan de muur waar de namen van de geslaagden op stonden en warempel mijn naam stond er ook op! Zodoende kreeg ik dit mooie baantje in mijn diensttijd”.

Leo vertelde Grootopa dat één van de indrukwekkendste personen die hij gekend heeft die tijd Gregório Fortunato was. – “Gregório was een neger van groot statuur en commandant van de persoonlijke lijfwacht van Getúlio en zo intiem met de president dat hij zijn beschermengel werd geacht en daarom ook de Zwarte Engel werd genoemd, o Anjo Negro. Toen wij, simpele soldaten, hoorden dat de president dood was, sprongen we uit bed en renden het plein op naar het paleis, maar daar werden we ontvangen door een regen kogels over ons hoofd en we gingen plat tegen de grond. Die dag is natuurlijk één grote drukte geworden en het heeft lang geduurd voordat wij precies wisten wat er gebeurd was, hoe dicht we er ook bij waren. Er werd niet veel verteld, maar er gingen natuurlijk allerlei verhalen rond. Wat ons zo vreemd leek is dat er velen gevangen werden genomen zoals politici, officieren… en ook Gregório, de Zwarte Engel. Gregório heeft altijd volgehouden dat Getúlio geen zelfmoord gepleegd heeft, maar dat-ie vermoord is”. Leo vertelde Grootopa dat hij absoluut geloofde wat Gregório zei, – “Ik geloof hem nu nog. Gregório wist alles wat er gebeurde en was altijd in de buurt van de president. Hij is vastgezet en gefolterd, maar hij bleef volhouden dat Getúlio vermoord is… totdat hijzelf gekeeld is in de gevangenis”. Leo keek Grootopa aan en vroeg toen, – “Nou, dan hangt er toch een vuiltje in de lucht. Nietwaar?”

Grootopa denkt hier even over na. Het verhaal dat Leo vertelde is anders dan de officieel beschreven geschiedenis, maar Grootopa weet maar al te goed dat er veel in de officiële geschiedenis is aangepast, dus de kans dat Gregório de waarheid sprak is misschien helemaal zo klein niet.

Leo is de rest van zijn leven chauffeur gebleven en dat was zijn lust en zijn leven. – “Eigenlijk had ik in het leger moeten blijven en carrière moeten maken, maar mijn zwager had een vrachtwagen gekocht en me gevraagd om bij hem te komen werken en dat heb ik toen gedaan… achteraf jammer. Daarna ben ik ook nog jaren buschauffeur geweest, ik heb het hele land doorgereisd, duizenden en duizenden kilometers”.

Grootopa staat nog steeds op het pad voor het hek waar hij de krant gevonden heeft. Het is mooi weer en de ochtendbries slaat het blad dubbel. Hij ontwaakt uit zijn herinneringen, bladert de krant verder door en komt dan op een artikel over medicijnen waarboven de kop: “Antibióticos – ainda curam?”, een waarschuwing voor diegenen die zomaar medicijnen nemen, remedies zoals wij in Carambeí zeggen, zonder doktersvoorschrift en het gevaar van de bijverschijnselen onderschatten.

Vroeger bestonden er van die medicijnen die in alle huizen te vinden waren en waar de kinderen mee opgroeiden: – Fix (Vick) voor hoest en volle borst, trekzalf (Minancora) voor puistjes en wonden, levertraan (Emulsão Scott) om sterk te worden, wat de meeste kinderen verschrikkelijk vies vonden, jodium dat voor alle wonden als desinfectie gebruikt werd en Mercurio Cromo, ook voor desinfectie, maar dit spul deed niet zeer. Tot voor de Tweede Wereldoorlog gingen er velen dood aan verwondingen die vandaag de dag als onbenullig worden beschouwd. In de Eerste Wereldoorlog, bijvoorbeeld, zijn er meer soldaten gestorven aan wonden, opgelopen door roestige spijkers en prikkeldraad, en uitwerpselen in de vieze loopgraven waar ze in moesten leven, dan gesneuveld door kogels of een bajonetsteek. Er bestond nog geen antibiotica in die tijd en wie een infectie opliep of bloedvergiftiging was praktisch ter dood veroordeeld. Er zijn wat benen, handen en armen afgezaagd om te voorkomen dat het gangreen de overhand zou krijgen en de patiënt zou doden. In de Tweede Wereldoorlog was de penicilline net een twaalf jaar tevoren ontdekt door Alexander Fleming. Dit is absoluut één van de grootste ontdekkingen aller tijden geweest. Dit medicijn heeft duizenden soldaten gered, maar toen wisten ze nog niet dat veel mensen niet tegen penicilline kunnen, ze zijn er allergisch voor. Veel soldaten zijn direct na een penicillinespuit doodgegaan door de zogenaamde anafylactische shock. Ja, er bestaat eigenlijk geen medicijn zonder bijverschijnsel.

Over bijverschijnselen gesproken, Opa moet opeens denken aan wat er vroeger is gebeurd met een heel speciale vriend van hem, hier in Carambeí. In de kolonie was het gebruik van medicijnen, voorgeschreven door een bekende of tante, heel gewoon. Doch deze vriend was wel héél gevoelig voor alles wat je je maar kan indenken en de gekste dingen gebeurden met hem. Als hij kaas at, bijvoorbeeld, kreeg hij het ijskoud boven zijn ogen. Niemand geloofde dat natuurlijk, maar het was waar. Hij had ook vlagen van verschrikkelijke slaap. Als hij op een feestje was ’s avonds, ging hij opeens staan, liep dan even rond om te proberen wakker te blijven, maar niks hielp. Zijn ogen werden steeds roder en dan zei hij – “Even een tukkie doen, vrouw”, en ging dan achter de stoel van zijn vrouw liggen slapen als een roos. Zijn vrienden waren al aan deze vreemde gewoonte gewend dus lieten ze hem daar rustig liggen voor een half uurtje… dan ontwaakte hij en leefde weer gewoon verder. Met de tijd keek niemand er meer vreemd van op.

Op een keer was hij een beetje ziek, één of andere infectie, en hij besloot op eigen houtje een medicijn te nemen. De volgende dag stond hij zich aan te kleden terwijl zijn vrouw in de keuken bezig was. Hij voelde zich een beetje raar en dacht – “Ik moet nog maar eens wat medicijn nemen”. Opeens merkte hij iets vreemds tussen zijn benen. Hij keek en zag dat het aanhangsel dat mannen daar hebben, en dat op dit moment eigenlijk in ruststand behoorde te zijn, er was namelijk helemaal geen reden om in actie te komen, begon te groeien. Vol ongeloof zag hij dit gebeuren. Het groeide maar door. Met grote ogen en schorre stem riep hij – “Vrouw kom eens kijken!” Vrouw begreep door de toon van zijn stem dat er iets aan de hand was en kwam haastig aanrennen. Ze wist niet wat ze zag – “Hee jaa, wat is dat?” Daar stond Jan wijdbeens, verschrikt, maar toch een beetje trots op dit wonderlijke gebeuren. Zijn vrouw begreep natuurlijk dat er iets verkeerd was, want dit was ver boven de normale maat… het leek wel op de film van de Hulk, en zij riep, – “Kom op, naar de dokter”.

Met een handdoek om zijn middel, want er was geen broek die hem meer paste, zijn ze naar de dokter gevlogen. Daar kregen ze voorrang want de secretaresse zag aan de blik van beiden dat er iets heel erg mis was.

Bij de dokter binnen vroeg deze wat er aan de hand was, dus liet Jan dralend de handdoek zakken. De dokter sprong overeind en riep – “Minha nossa senhora, o que que é isso!!??”, en hij vloog naar de kast waar hij een apparaatje pakte en toen net deed of het een fototoestel was. Hij zei – “Dit moet geregistreerd worden en dan sturen we het naar Guinness Book of Records”, en barstte toen in lachen uit om de verschrikte gezichten van ons stel.

Toen hij begon te lachen zakte de schrik al gauw natuurlijk en de dokter legde uit dat dit een redelijk vaak voorkomende reactie was op het medicijn dat vriend aan het nemen was, maar absoluut niet gevaarlijk en dat dit een goeie les was voor degenen die zomaar zonder voorschrift medicijnen nemen.

Grootopa vouwt de krant op en ziet dan de eerste foto weer, die van de carnavalsmeisjes. Je kan er geen ras meer in terugvinden. De meeste Brazilianen zijn een mix van alle rassen vooral neger en blank met een scheutje indiaans en de laatste jaren Japans bloed. Tijdens de slavernij hadden de zwarte slavinnetjes het zwaar te verduren met hun Senhores, de fazendeiro’s, die heersten over het leven en de dood van de slaven. Duizenden halfbloeden werden geboren, maar ze werden nooit als kind van de vader erkend, ze moesten blijven leven als bastaardkinderen die eigenlijk nergens bij hoorden. Maar deze bastaardjes waren vooral heel mooie, sterke en gezonde kinderen. De vrouwen van de fazendeiro’s, de Senhoras, haatten dat en sloegen vaak de tanden uit de mond van de knappe slavinnen om ze zo onaantrekkelijk mogelijk te maken voor hun mannen…, maar dat schijnt niet veel geholpen te hebben.

Over mooi gesproken… Carambeí kan trots zijn want, ondanks dat de Engelsen de Hollanders het lelijkste volk van Europa vonden, hebben wij in Carambeí dit jaar het mooiste meisje van Paraná. En om hier in Brazilië “Miss” te worden, valt niet mee. Nathaly Goolkate, directe nakomelinge van Jan Verschoor en Gerrit Los, is dit jaar gekozen als Miss Paraná. Nathaly, nu op naar Miss Brasil en dan naar Miss Universe!

Grootopa is net als iedereen zéér trots op Nathaly. Niemand zal ooit meer kunnen zeggen dat wij, Hollanders, lelijk zijn. Hij stopt de opgerolde krant onder zijn arm, steekt de brand in z’n pijpie en wandelt genietend huiswaarts. Hij grinnikt zachtjes – “rsrsrsrsrs… we hebben de Engelsen lekker een poepie laten ruiken”.

Geplaatst in De Regenboog: Juli 2014

 

 

GROOTOPA VERTELT – NAAR ‘T INSTITUUT

 

door: Peter Bosch

Grootopa loopt in een dikke jas langs de weg. De zon is nog niet te zien in de vroege, koude morgen. Het is midden in juni en de winter is al te voelen. De mist hangt als een dichte wolk over het land. Grootopa’s bril is beslagen door de vochtdruppeltjes. Dan hoort hij het geluid van een zware motor, hij doet snel een stap wat dieper de berm in en hij houdt zijn hoed vast. Even later raast een gele autobus voorbij waarop met grote zwarte letters ESCOLAR staat… de schoolbus. Eén van de jongens kijkt door de achterruit en zwaait met een Braziliaans vlaggetje. Het is wereldkampioenschap voetbal, deze keer in Brazilië, en de vaderlandsliefde viert hoogtij. Grootopa steekt glimlachend zijn duim in de lucht. Daar gaat de toekomst, denkt hij bij zichzelf. Wat zullen die kinderen worden later, als ze groot zijn? Boer zullen ze niet allemaal worden. De laatste tijd worden er steeds meer nazaten van de pioniers iets anders, en dan wel meestal ver uit de kolonie in een andere stad. Grootopa denkt aan de jaren zestig, zeventig, in die jaren begonnen praktisch alle kinderen verder te leren na het lager onderwijs dat in de kolonies zelf werd gegeven, maar de grote meerderheid werd later toch weer boer, zij het dan wel op een meer professionele manier.

De meeste jongeren uit de kolonies hebben het op school goed gedaan en werden als goeie of heel goeie leerlingen beschouwd. Ook al waren de kinderen opgegroeid ver buiten de “geciviliseerde” wereld, in het binnenland van Brazilië, toch hadden ze stuk voor stuk een ruime algemene kennis opgedaan op de lagere school, en ook van het nieuws dat ze hoorden over Radio Hilversum en uit wat ze lazen in de weekbladen die ze opgestuurd kregen door oma uit Nederland. Dit laatste was vooral het geval in de jonge kolonies Castrolanda en Arapoti. Weekbladen zoals de Sjors en Tina kwamen in grote pakketten om de twee, drie maanden op het postkantoor aan… dat was prachtig voor de kinderen. Voor de vrouwen was vooral de Libelle hét blad. Verder waren De Spiegel en Panorama erg in. Die weekbladen brachten, buiten de mooie stripverhalen, ook allerhande nieuws over landen, politiek, cultuur, sport, enz… waar de kinderen en de jongelui heel veel van opstaken.

Op de lagere school hadden we het geluk dat er in de kolonies Hollandse leraars waren. Deze beroepsleraars konden stuk voor stuk prachtig vertellen en alles wat je over geschiedenis, aardrijkskunde, enzovoort van hen leerde vergat je nooit meer. De meeste Braziliaanse leraars en leraressen konden daar niet aan tippen! Velen zullen Meester Epema nooit vergeten. Die was helemaal een meesterverteller. Grootopa weet zeker dat velen zich zullen herinneren waar ze waren en wat ze aan het doen waren toen het schokkende bericht kwam dat Meester Epema verongelukt was met zijn vrouw, schoonzoon en kleinkind. Verschrikkelijk.

Grootopa dacht weer aan het feit dat de afgestudeerde jongeren toch weer allemaal boer werden in de kolonies, net zoals de jongeren die niet wilden doorstuderen of niet zo goed konden leren dat ze een toelatingsexamen voor de universiteit konden halen. Zelfs de ‘hopeloze gevallen’, zoals de onderwijzers sommige leerlingen noemden, werden gewoon boer en ook zij hebben het stuk voor stuk “gemaakt”. Deze drang om boer te worden heeft de kolonies geforceerd om uit te breiden en meer land te kopen in de nabijheid van de kolonies of soms in andere gemeentes of deelstaten.

De Hollandse studenten hebben een heel goede reputatie opgebouwd op de scholen en universiteiten. Velen werden beschouwd als koppie-koppie en haalden cijfers ver boven het gemiddelde. Grootopa glimlacht als hij aan koppie-koppie denkt en herinnert zich weer iets van heel vroeger, toen de familie Hendrik Harms honderd jaar geleden naar Carambeí kwam.

Hendrik Harms was in Nederland al getrouwd met Teuntje de Geus en dus schoonzoon van Aart Jan de Geus. Hij kwam in 1912 alleen naar Carambeí om de kat uit de boom te kijken. Toen hij zag dat hier een toekomst lag, kwamen in 1913 zijn vrouw en de kinderen, Johanna, Leentje en Johan, samen met de rest van de familie de Geus.

In 1914 werd hun vierde kind geboren, een zoon. Het eerste kind van Nederlandse ouders in Carambeí. Hij werd Arthur genoemd, de Braziliaanse versie van Aart. De grootouders vonden dit maar niks en konden het moeilijk verwerken. “Waarom niet gewoon Aart?… Echt weer iets voor Hendrik!”, mopperden ze. Maar Hendrik trok zich niks van dit alles aan. Nu, zo veel jaren later, moet Grootopa toegeven dat door dit kleine eigenwijze voorbeeld Hendrik Harms best als de eerste ware immigrant beschouwd mag worden, niet zomaar een kolonist. Een kolonist komt naar een ander land om dit te veranderen naar zijn wil, naar zijn cultuur… een immigrant komt naar een land om zich daar aan te passen en verder te leven, helemaal ingeburgerd.

Hendrik was een wat apart figuur in de kolonie die tijd. Hij was afkomstig uit Overijssel, geen boer, maar slager van beroep en beroemd om zijn heerlijke rollades. Behalve slager was hij een zeer kundig smid, timmerman, metselaar en meubelmaker. Zijn meubels werden van massief hout en zo degelijk gemaakt dat deze gedurende de volgende eeuwen gebruikt kunnen worden. Hij was uitermate intelligent en was een man van vele gaven. Daarom wordt nu nog weleens in Carambeí gezegd als iemand intelligent is dat deze een “Harmsen kop” heeft.

Iemand met zulke gaven kan emigreren naar elk land van de wereld. Hij zal het overal “maken”. Hendrik is een belangrijk persoon geweest in de kolonie. Hij heeft huizen gebouwd en een smederij en zagerij opgezet met zijn zonen. In zijn werkplaats werden karren en karossen gemaakt, want hij was ook een kundig wagenmaker. Met de lichte charrete voor twee of drie personen, getrokken door één paard was het best comfortabel rijden. Hendrik heeft ook nog geprobeerd een steenbakkerij in Carambeí op te zetten, maar dat is niet gelukt omdat er in Carambeí geen goede steenbakkersklei werd gevonden, daarvoor moest je meer in de buurt van Castro zijn.

In zijn latere jaren, als oude man, is Hendrik begonnen met houtsnijden als hobby. En zoals in alles wat hij deed waren zijn werken ware meesterstukken. Er bestaan in de kolonie heel wat tot in de perfectie uitgebeelde paarden en stieren, onder andere, van de oude Hendrik.

Ja, vandaag de dag hoeven de jongelui voor de middelbare school, als ze willen, de kolonie Carambeí niet meer uit. Toch gaan de meesten studeren in Ponta Grossa, met de bus. ’s Morgens vroeg naar de stad en ‘s middags weer thuis. Dat was in de jaren zestig, zeventig wel anders, Toen was het niet zo gemakkelijk om op een dag even heen en weer gaan. Toen lagen Ponta Grossa en Castro “ver” weg, en vooral Arapoti lag helemaal afgelegen. De meesten gingen naar het Instituto Cristão in Castro. Het Instituut was een internaat en het werd in die jaren geleid door een Nederlandse directeur, de heer Geuze, samen met zijn Nederlandse rechterhand, de heer Scheffer.

De leerlingen van Carambeí waren praktisch allemaal intern van maandagochtend tot zaterdag twaalf uur. Van Castrolanda deden de meesten dit ook zo, hoewel er ook waren die iedere ochtend kwamen en dan ’s middags naar huis gingen om thuis te slapen. Maar dit was voor velen te moeizaam. Doch, de kinderen uit Arapoti moesten allemaal intern. Arapoti lag zo´n honderdtwintig kilometer ver over een bijna onbegaanbare weg. Die leerlingen gingen maar eens in de twee of drie maanden naar huis. Dit was een verschrikking, vooral voor de kleineren in het eerste jaar. Daarna waren ze eraan gewend en dan ging het wat beter. De meeste Braziliaanse leerlingen waren intern.

Grootopa moet denken aan een kleine Arapotiaan, een jochie van amper twaalf dat door zijn vader op de bus gezet werd in Arapoti om in Castro toelatingsexamen voor het Instituut te gaan doen, eind 1968. Hij kon amper Portugees. Zijn oudere broer zat al drie jaar op het internaat en kwam eens in de drie maanden naar huis. Voor zijn jongere broers en zusje was deze broer bijna een vreemde. Het jochie zag er tegenop als een berg om naar ‘t Instituut te gaan, maar om zijn leven lang onder een koe te zitten leek hem ook niks. Hij had vaak tegen zijn vader gezegd tijdens het appelbomen snoeien, als er dan eens een vliegtuig heel hoog overvloog, dat hij als hij groot was in een laboratorium zou werken en heel veel zou vliegen. Maar toen hij schoorvoetend naar de blauwe pick-up liep om naar het busstation gebracht te worden, zou hij liefst gevlucht zijn onder naar de rivier of onder het bed gekropen zijn. Maar er zat niks anders op. Het was zaterdagochtend en de volgende maandag zou hij exame de admissão moeten doen om op het Instituut te mogen leren. Bij het station aangekomen kocht zijn vader het buskaartje naar Castro en overhandigde dit aan het jochie die met zijn kleine harde koffer aan zijn voeten stilletjes stond te wachten. “Zo m’n jongen, hou je taai, hé!”. Het jochie knikte en wilde niet laten merken hoe moeilijk hij het had. Eigenlijk was hij gewoon bang om alleen met de bus 120 km ver weg te gaan. Vader zei weer met nadruk: “In Castro staat Niek bij het station op je te wachten en dan gaan jullie samen naar het Instituut”. Eindelijk arriveerde de bus, bijna een uur te laat. Vader gaf hem nog een schouderklopje en hij klom de bus in en ging op zijn plek zitten na zijn koffertje boven in het rek te hebben gestopt. Het was een veilig gevoel om dat koffertje dicht bij hem te hebben. Daar zaten wat kleren in en een handdoek, een washandje en een stuk zeep en een paar sokken. Ook een pakje boterkoek door moeder zelf gemaakt en die hij zo graag lustte. Het koffertje was voor hem als een soort link met thuis. Hij zat naast het busraampje en zag vader nog net met de camionete wegrijden. Hij voelde zich al misselijk voordat de bus ging rijden. Hij wist niet eens waar Castro precies lag! Naast hem zat een oude man met een strohoed op. Toen ze in Sjakkeriva aankwamen, zoals in Arapoti Jaguariaíva werd genoemd, vroeg het jochie voor de zekerheid: “Aqui não é Castro?” Na nog bijna een uur of langer rijden over de hobbelige grondweg die nog nat was van een paar dagen regen, dus heel moeilijk berijdbaar, kwamen ze in Joaquim Murtinho en weer vroeg hij voor de zekerheid: “Aqui náo é Castro?” Hij wist zelf wel dat het een heel domme vraag was, maar zijn onzekerheid was te groot. De oude man glimlachte vriendelijk en zei van niet. Toen weer verder rijden en het jochie werd met de minuut misselijker. De man naast hem zat een of ander sterk ruikend iets te eten en de geur maakte dat zijn maag draaide. Het duurde maar even of hij stak zijn hoofd naar buiten en braakte in de wind. Er kwam gelukkig niet veel uit omdat hij van spanning bijna niks gegeten had die dag. Hij haalde zijn grote rooie boerenzakdoek uit zijn zak en veegde zijn mond schoon. Gelukkig had mama die zakdoek op het laatste moment in zijn broekzak gestopt want, “die kan je nog weleens nodig hebben”.

Na een voor hem eindeloze tijd kwamen ze in Piraí do Sul, Piereï, zoals in Arapoti gezegd werd. De buschauffeur riep de naam van de stad, maar het jochie verstond er niks van, dus vroeg hij weer: “Aqui é Castro?” De oude man schudde vriendelijk zijn hoofd en zei van niet. Er stapten veel reizigers uit en andere stapten in, de oude man bleef gelukkig zitten want het jochie was al aan zijn stille aanwezigheid gewend en wilde niet graag dat er een andere vreemde naast hem kwam zitten en zeker niet iemand die zou gaan zitten eten.

De volgende stad was Castro, volgens de man. Het was al over drie uur in de middag en ze waren om elf uur weggereden uit Arapoti… vier uur over 120 kilometer. Hij stapte de bus uit met het koffertje goed vastgeklampt in zijn handen. De oude man had hem plechtig een hand gegeven, een heel slap handdrukje zoals hier gewoon is. Heel anders dan zijn vader altijd zei dat je een hand moest geven: “Een handdruk hoort een stevige hand te zijn, vergeet dat nooit!” Maar hij voelde dat het goed bedoeld was. Hij keek rond of zijn broer ergens te zien was. Niek was nergens te zien. Hij keek eens goed waar de bus gestopt was. Het zag er niet uit als een busstation, het leek meer op een gewone bar. Wat verderop zag hij een iets mooier gebouw waar een placa hing: “Bar e Restaurante Paschoal”. Aan de overkant van de straat was een praça. Toen hij z’n broer nergens zag dacht hij: “Ik ben verkeerd!”, en hij klom vlug de bus weer in en vroeg aan de chauffeur “Aqui é a estação de Castro?” Ja, het was hier echt Castro, dus stapte hij weer uit.

De bus reed weg en daar stond de kleine Arapotiaan niet wetende wat te doen. Hij besloot maar gewoon te blijven staan. Na een half uur hoorde hij opeens een bekende stem zijn naam roepen en door de opluchting vergat hij helemaal om kwaad te zijn. “Waar was jij?”, vroeg hij. “Ik was in de cinema”, was het antwoord. “In de cinema?”, vroeg het jochie vol ongeloof, “Was jij een film aan het kijken, op de zaterdagmiddag?” Dat was de eerste gewaarwording dat het leven buiten de kolonie Arapoti wel wat anders was.

De volgende dag was het zondag en dat werd een dag die hij nooit zou vergeten. ’s Morgens mochten ze tot half acht slapen. Door de week ging de sirene al om zes uur, maar op zondag mochten ze langer uitslapen. Om halftien was er dienst. Eerst met z’n allen in de Salão Nobre voor een korte preek en samen wat Psalmen zingen. Het jochie zal nooit de daverende stem vergeten waarmee doutorJosué zong. Hij vergat zelf te zingen, zó was hij onder de indruk, trouwens, hij kende niet één hino die er gezongen werd in het Portugees. De kleine doutor Josué had zoveel potentie in z’n stem dat hij de piano overtrof. Na de gezamenlijke dienst gingen er groepen naar de leszalen op de bovenste verdieping. De groepen werden niet helemaal volgens leeftijd ingedeeld en zo kwam het jochie in een klas waar hij waarschijnlijk de jongste was. Verder zag hij er als Nederlander ook nog echt als kind uit te midden van grotere jongens, allemaal Brazilianen en sommigen al zestien of achttien jaar oud.

Seu João leidde de les en op een zeker moment kwam het gesprek op Ethiopië. Dat land was in die tijd in het nieuws vanwege de modernisering die daar plaatsvond, als eerste te midden van alle landen van donker Afrika. Seu João vroeg of iemand wist hoe de keizer van Ethiopië heette. Iedereen bleef stil. Het jochie wist het wel, maar durfde niks hardop te zeggen. “Niemand?”, vroeg seu João met strenge stem. Toen zei het jochie zachtjes tegen de jongen die naast hem zat: “Haile Selassie”. De jongen verstond niet wat het jochie zei, maar riep toen: “Seu João, o piazinho aqui sabe!” Seu João deed z’n wenkbrauwen vragend omhoog naar het jochie tot deze met schroom en een rood gezicht antwoordde: “Haile Selassie”.

Muito bom!”, zei seu João. “En hoe wordt hij nog meer genoemd?”, hij keek weer naar het jochie dat prompt antwoordde, “O Leão de Judá – De Leeuw van Juda -”. De hele klas was nu geïnteresseerd en lette op. “Muito bom… en wat is de hoofdstad van Ethiopië?” “Addis Abeba”, antwoordde het jochie, nu met meer zelfvertrouwen, en voegde er toen aan toe dat Haile Selassie zogezegd een regelrechte afstammeling was van koning Salomo met de koningin van Sheba. Die eerste zondag heeft het hele verdere leven van het jochie vergemakkelijkt op ’t Instituut. Sindsdien stond hij bekend als “aquele piazinho que sabe tudo”. De volgende dag, maandag, moest hij het toelatingsexamen afleggen en dat viel niet mee vanwege zijn beperkte kennis van het Portugees. Toch heeft hij het gehaald. Het volgende jaar, 1969, zou hij ook op ’t Instituut studeren.

Grootopa ontwaakt weer naar het heden en ziet de gele bus in de verte stilstaan om een paar leerlingen in te laten stappen. De jongen met de vlag staat nog steeds voor de achterruit en slaat zijn vriendje voor z’n kop. De vaderlandsliefde wordt aangewakkerd door de strijd die gevoerd wordt op het voetbalkamp en de supporters van alle landen joelen op de tribune. Nu herinnert Grootopa zich weer de jaren vóór de oorlog toen Hitler Duitsland opbouwde. Het land beleefde een vooruitgang zoals in geen jaren had plaatsgevonden en de grote meerderheid van het volk aanbad de Führer. Ook het leger werd versterkt en het duurde niet lang of Duitsland had het machtigste leger van de wereld. De liefde en trots van de Duitsers in het buitenland, voor hen heimat, ook die in Carambeí woonden, was toen heel groot. De Carambeíaanse Duitsers en de Hollandse jeugd die met hen omging, hebben wat afgedanst op de prachtige Duitse marsmuziek. Hanna herinnert zich dat één van de danshits het lied “Für Adolf Hitler Kämpfen Wir” was. Niemand had natuurlijk een flauw benul van wat Adolf met z’n kornuiten in hun heimat aan het uitbroeden was. Maar later bleek dat de trots voor het vaderland wel heel diep geworteld lag… zo diep dat één van de Carambeíaanse Duitsers gedurende de oorlog tegen Hendrik Harms zei: “Hendrik, Ich bin neutral, aber England muss kaput”.

Gelukkig, denkt Grootopa, wordt vandaag de dag het patriottisme uitgevochten op de sportvelden. Hij hoopt zoiets verschrikkelijks als de twee Wereldoorlogen nooit meer mee te maken en hoopt dat het ook zijn nakomelingen bespaard blijft. Grootopa staat even stil om zijn brilglazen droog te vegen met z’n zakdoek. Hij wil ook z’n pijpie aansteken, maar doet het toch maar niet. Het is er nog te mistig en te nattig voor. Hij hoort weer een zwaar geronk aankomen, stapt snel weer diep de berm in en houdt z’n hoed vast. Een grote vrachtwagen scheurt rakelings langs hem heen. “Sodekraai, ik ga naar huis. Hier word ik van m’n sokken gereden!”

Geplaatst in De Regenboog: augustus 2014

 

 

GROOTOPA VERTELT – LEED

 

door: Peter Bosch

 

 Grootopa staat in de tuin, het is fris ‘s morgens en de zon probeert door het dikke wolkendek, dat aan de horizon hangt, heen te breken. Hij staat heel stil voor zich uit te staren zonder iets te zien. Door de kou komt er bij iedere ademhaling een beetje damp uit zijn mond die door de wind weer ogenblikkelijk verdwijnt. Als een beetje gebogen standbeeld staat hij daar met zijn jas dicht om hem heen geslagen.

Grootopa is onder de indruk van wat er de laatste maanden in de wereld gebeurt. Hij had nooit verwacht dat er in de eenentwintigste eeuw zoiets nog zou gebeuren. Zoveel haat, gewelddadigheid… hij kan het niet snappen.

De wreedheid die de mens kan doen is in de wereldgeschiedenis overal terug te vinden: de verschrikkingen tijdens de inquisitie; de zogenaamde heksen en ketters die levend op de brandstapel werden gezet terwijl de familie moest toekijken; en de nazi’s, hoe die hun “medische” studies op de joden uitvoerden. Ja, als de fanatieke mens de macht krijgt over anderen kan hij de vreselijkste misdaden begaan. Nee, er is eigenlijk niks nieuws gaande onder de zon.

De IS, de Islamitische Staat, moordt alles uit wat op zijn weg komt en begaat de meest misselijkmakende wreedheden op simpele en hulpeloze burgers voor de tv. Miljoenen mensen kunnen als toeschouwer meekijken op het moment waarop dit gebeurt op hun iPhones die ze in de palm van hun hand hebben. Duizenden mensen moeten vluchten. Het grote probleem is dat degenen die nu vluchten, vooral de kinderen en de jongeren, zullen opgroeien met een gevoel van diepe haat en later willen ze maar één ding… wraak nemen. En zo houdt deze kringloop, die al eeuwen bezig is, nooit op.

Vóór de twintigste eeuw kreeg een volk amper nieuws over de oorlog in het eigen land te horen. De ware gebeurtenissen hoorde men pas veel later. De afschuwelijke misdaden die begaan werden, kwamen de mensen vaak pas maanden of jaren na afloop van de oorlog ter ore.

In de Eerste Wereldoorlog, begin twintigste eeuw, was de communicatie nog steeds langzaam en incompleet. In de Tweede Wereldoorlog wist de wereld door de radio al sneller wat en waar de dingen gebeurden.

Tijdens de oorlog in Vietnam startte een nieuw communicatietijdperk. Voor het eerst konden de mensen de oorlog volgen op tv. Maar doordat er nog geen directe uitzending mogelijk was, werden de beelden mooi bewerkt vóór ze de mensen bereikten. Toch was er nooit tevoren zo´n intens meeleven met een oorlog geweest.

Nu, via YouTube, zien miljoenen en miljoenen mensen in hun handpalm op iPhone praktisch op het moment dat het gebeurt, hoe de meest misselijkmakende gruwelijkheden worden gepleegd op onschuldige mensen, zonder enige censuur, zelfs kinderen kunnen meekijken. Tijdens alle oorlogen zijn zulke verschrikkelijke dingen gebeurd. Lees de verhalen maar over de martelingen die de Japanners de Chinezen aandeden, en zo zijn er nog vele en vele voorbeelden… daar gebeurden martelingen waarbij de onthoofdingen die we nu zien eigenlijk nog een redelijk snelle en pijnloze dood zijn. Zo zien we dat in alle religies de gekste dingen gebeuren en Grootopa is zich bewust dat deze IS niet de islam als zodanig vertegenwoordigt. De IS baseert zich slechts op een verbasterde interpretatie van enige stukken van de islamitische leer. Jonge mensen die een hersenspoeling ondergaan en daardoor helemaal door het dolle raken… de blik die we op de tv in hun ogen zien is die van ongekende en meedogenloze haat. Haat tegen alles en iedereen. Haat die erin gepropt is door heel slimme mensen die met hun gevaarlijke tong overtuigend en vol beloftes de jongelui gek praten. En de beul die we in dat zwarte gewaad zien staan met dat kromme Arabische zwaard, is waarschijnlijk niet eens Arabier… het kan een Belg, Engelsman of Nederlander zijn! Haatzaaiers zijn de gevaarlijkste mensen die er bestaan. Met praten haat en verderf strooien, terwijl ze zelf heel veilig in hun holen weggescholen blijven, creëren ze een collectieve angst in veel landen.

Grootopa wil er eigenlijk niet meer aan denken. Hij kijkt naar de verte en ziet dat het een mooie dag zal worden en waarschijnlijk heel warm. De koude ochtendbries trekt weg. In Carambeí is dat een voordeel, het is ‘s nachts en ‘s ochtends altijd lekker fris hoe warm het overdag ook wordt. Hij haalt zijn pijp uit z´n zak en begint deze te stoppen. De heerlijke zoete tabaksgeur verbetert zijn humeur. Hij doet de vlam erin, zuigt diepe teugen… en dan dwalen zijn gedachten weer terug naar het leed van uiteengescheurde families door de oorlogen. In Syrië zien we tienduizenden mensen ten einde raad naar andere landen vluchten, hun families uiteengescheurd.

Bij deze gedachte herinnert Grootopa zich plots wat er in Carambeí is gebeurd tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 1939 arriveerde Lolke Dijkstra met zijn zoons Auke en Klaas. Hij was een streng man. In zijn staalblauwe ogen was een vastberaden geloof te lezen. En ook al was hij met 55 jaar al door een lang leven gestempeld, hij leefde nog steeds onder de Bijbelse morele waarden, dezelfde waarden waarmee hij was opgevoed, en zo voedde hij zijn kinderen op en zou hij ook zijn kleinkinderen willen opvoeden. Deze typische Dijkstra-blik kan je nog terugvinden in veel van zijn nakomelingen.

Lolke was geboren in 1885 te Wommels en in 1916 getrouwd met Geertje Gorter. Hij was van boerenafkomst en geboren op een veebedrijf, maar had in Friesland niet dit beroep beoefend. Hij was de industrie en de commercie ingegaan. In Heerenveen had hij een margarinefabriekje geëxploiteerd en ook een levensmiddelenzaak die tijdens zijn afwezigheid door zijn vrouw werd gerund. Zijn bedoeling was om in Carambeí een veehouderij te beginnen en om zijn vrouw en kinderen, drie dochters en vier zonen, die in Friesland waren achtergebleven, over te laten komen zo gauw hij zich definitief had gevestigd. Hij had geluk, want al snel nadat hij in Carambeí aankwam, vertrok de familie Valeton naar Curitiba, en zo kon Lolke een praktisch klaar bedrijf kopen achter op Pilatus. Dit was voor hem een uitstekende gelegenheid om zich te vestigen, omdat op het bedrijf een flinke woning en een veestal stonden.

Toen echter de rest van de familie uit Nederland wilde vertrekken, kon er niet meer naar Brazilië gereisd worden. In september was Duitsland Polen binnengevallen en dat was het begin van de Tweede Wereldoorlog. Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen en binnen vijf dagen moest het land capituleren voor de onverslaanbare militaire macht van de Duitsers die toen absoluut het machtigste leger van de wereld hadden.

Grootopa kan zich nog levendig herinneren hoe zwaar van zorgen het leven van Lolke was de volgende jaren. Zijn zoon Auke werd opgeroepen om als soldaat in één of ander land aan het front te vechten, waar de jongen mensen moest doodschieten en grote kans liep zelf te sneuvelen. Hij wist niet waar Auke was al die jaren. En wat nog meer was, zijn vrouw met de rest van zijn kinderen zaten in Nederland dat bezet was door de Duitsers en van wie hij ook geen nieuws kreeg of wist in wat voor een situatie ze leefden… en of ze überhaupt allemaal nog wel leefden! Onrustige, slapeloze nachten, en als hij wel sliep werd de slaap meestal verstoord door nachtmerries.

Tijdens de oorlog runde Lolkes vrouw, Geertje, de winkel in Heerenveen en zo slaagde zij erin met hulp van haar kinderen in het levensonderhoud te voorzien van haar gezin.

Het gezin bleef om deze reden gedurende de gehele oorlog van elkaar gescheiden, bijna zes jaar. De oorlog bracht ook voor Carambeí de nodige problemen met zich mee. Zo werden mannen en jongens, die gezien hun leeftijd daarvoor in aanmerking kwamen, door de Nederlandse regering opgeroepen voor de militaire dienst. De oudere Nederlanders die hier al zo’n dertig jaar leefden, vonden dit maar raar en een moeilijk te begrijpen zaak.

Geheel anders dachten daarentegen de bewoners afkomstig uit Nederlands-Oost-Indië hierover. Zij voelden de band met het oude vaderland nog sterk en beschouwden deze oproep als volkomen vanzelfsprekend. Onder andere vertrokken: Auke Dijkstra, Keimpe van der Meer, Dim Vermeulen en Sjef van Santen. Ongeveer een zestiental jongeren vertrok “naar de oorlog”. Alle jongens die gegaan zijn, zijn levend teruggekomen.

Grootopa heeft achteraf weleens gehoord dat Auke Dijkstra vlak voor het einde van de oorlog in 1945 in de Koninklijke Nederlandse Brigade “Prinses Irene” is gegaan. Deze Prinses Irene Brigade is door Nederlanders opgericht in Engeland en heeft een belangrijke rol gespeeld, samen met de geallieerden, in de oversteek van Engeland naar de Franse kust en later bij het vrijmaken van Frankrijk, België en Nederland. Op 5 mei 1945 capituleerde het Duitse leger officieel in Nederland en was er feest in het land.

Toch, als Grootopa er zo over nadenkt, moet hij toegeven dat er verder in Carambeí eigenlijk heel weinig te merken is geweest van de oorlog… het leven ging gewoon door. Maar niet voor Lolke! Niemand ontving geloofwaardig nieuws over hoe de toestand in het oude vaderland verliep. De kranten in Brazilië hadden het over de oorlog, maar Nederland werd amper genoemd.

Lolkes geloof heeft hem deze jaren gesteund. Overdag werkte hij hard mee in het coöperatieve leven en drukte op die manier zijn zorgen naar de achtergrond. Grootopa herinnert zich dat de oude fabriek door de gezondheidsinspectie van de regering afgekeurd werd. We mochten geen producten meer naar São Paulo exporteren, alleen maar in de staat Paraná. Toen kreeg hij de verantwoording over het uitwerken van een plan voor de bouw van een eenvoudige, doeltreffende zuivelfabriek, overeenkomstig de hiervoor in Friesland geldende normen, waarmee hij goed bekend was. Voor de bouw had de coöperatie geld nodig en verwachtte aanvankelijk een lening uit Holland, maar door de oorlogssituatie in Europa is deze lening er nooit gekomen. Toen heeft iedereen zijn steentje bijgedragen en het geld is bij elkaar geschraapt. Lolke deed actief mee aan de opbouw van de nieuwe fabriek en in 1943 werd hij tot Commercieel Directeur van de Coöperatie benoemd. Maar dan was de werkdag voorbij, de zon daalde en het werd donker. Op die momenten miste hij zijn vrouw en kinderen verschrikkelijk. Dagen, weken, maanden… jaren gingen voorbij. Iedere dag deed Lolke zijn gebed en was er absoluut zeker van dat dit gebed verhoord zou worden. Grootopa ziet de oude man weer zitten met verkrampt gevouwen handen, ogen dicht, iedere dag weer.

Toen de oorlog afgelopen was en er weer brieven verstuurd konden worden, ontving Geertje onverwachts eindelijk weer een brief van haar man in de postbus die buiten aan de straat stond. Vijf jaren hadden ze niks meer van elkaar gehoord. Met trillende handen scheurde ze de enveloppe open – “Hij leeft nog… alles is goed in Brasil… Klaas is inmiddels getrouwd met één van de dochters Harms, Wendelina, en ze hebben al een dochtertje en een zoontje… en ze is in verwachting van de derde baby…”. Geertje, nu tegen de zestig jaar oud, vergat alle narigheid van de laatste jaren en rende naar huis. Ze sprong zomaar over het hekje heen, zonder het te openen, om het nieuws aan de kinderen te vertellen dat vader nog leefde en dat Klaas getrouwd was en dat ze nu allemaal oom en tante waren… en dat zij zelf nu Beppe Geertje was!

Toen Lolke zijn familie eindelijk kon herenigen in 1945, waren zijn kinderen plots allemaal volwassen. Hun jongste zoon, Bauke, een jongetje van 11 jaar toen hij vertrok, was nu een jongeman van 17 die bouwtechniek studeerde en zijzelf waren nu Pake Lolke en Beppe Geertje, oude mensen van zestig jaar. Maar ze hadden het allemaal overleefd in een tijd waarin miljoenen en miljoenen gestorven waren. Het leven was goed… God was hen genadig geweest en Hij had hun gebeden gehoord. Pake Lolke heeft eens gezegd dat hij het liefst zijn kleinkinderen de hele dag op zijn knieën wilde hebben om ze te vertellen over de Here Jezus. Jammer dat hij daarvoor te vroeg gestorven is. Hij heeft maar weinigen van zijn grote schare kleinkinderen gekend.

Terug in Friesland heeft Lolke het druk gehad met het plannen en regelen van de definitieve emigratie. Nu moest hij daar alles verkopen en ook de hele familie overhalen om met hen mee te komen naar dat verre Brazilië. Hij heeft Carambeí beschreven als een waar paradijs op aarde, natuurlijk. Toch hoefde hij helemaal niet zoveel moeite te doen want wat de familie doorstaan had die oorlogsjaren en vooral de laatste winter, de hongerwinter, was een ellende om nooit meer te vergeten.

Toen hij de mogelijkheden in Brazilië hoorde, besloot ook zijn vijftien jaar jongere broer Bauke met zijn grote familie naar Carambeí te emigreren. Bauke was veeboer in hart en nieren. Hij kreeg van de Nederlandse regering toestemming om veertig dragende stamboekvaarzen uit Nederland mee te nemen. Hoewel hij bij een eventuele verkoop van dit vee in Brazilië een enorme som geld had kunnen beuren, hield Bauke zich aan de belofte die aan de vergunning verbonden was, dat hij het vee in Brazilië zélf zou gaan exploiteren en op deze wijze propaganda zou maken voor het zwartbonte Friese stamboekvee. Hij was “de Fries die als pionier naar Brazilië vertrekt met zijn gezin en 41 stuks vee” uit het blad DE WEEK.

Bauke was al door zijn broer op de hoogte gesteld van de totaal andere omstandigheden in de Zuid-Amerikaanse veehouderij, en daardoor was hij al bij voorbaat vertrouwd geraakt met hetgeen hem te wachten stond. Zo kwamen ze gezamenlijk naar Brazilië op het schip Lely in januari 1947, vanuit Rotterdam. De komst van deze twee families was een geweldige aanwinst voor de kolonie.

We mogen gerust zeggen dat de naam Dijkstra een begrip is geworden in de Braziliaanse melkveehouderij en landbouw.

De groep Duitsers van toen had het in die tijd verre van gemakkelijk. Ze spraken openlijk heel weinig over de internationale toestand en probeerden zich zo neutraal mogelijk op te stellen, vooral toen in augustus 1942 Brazilië de zijde van de geallieerden koos en aan de asmogendheden de oorlog verklaarde. Hierna mocht de Duitse taal niet meer in openbare gelegenheden gesproken worden. Omdat het Nederlands voor Brazilianen veel overeenkomst vertoont met het Duits, gebeurde het wel dat ook aan Nederlanders verboden werd hun eigen taal te spreken.

Over taal gesproken, Grootopa herinnert zich een voorval van een jochie uit Arapoti. Voor de pionierskinderen van een jaar of zes, zeven die naar school moesten, was de Portugese taalles een verschrikking en dat kwam hoofdzakelijk door de verbos (werkwoorden). Dat is een heel ingewikkeld iets waarmee de meeste geboren Brazilianen ook moeite hebben. Het ergste was dat de kinderen de verbosmoesten leren in het weekend om deze op maandag aan het tafeltje van de juffrouw foutloos op te dreunen. Het was zaterdagmiddag en het jochie lag in zijn slaapkamer te proberen om het in zijn hoofd te krijgen. Omdat hij absoluut niet wist wat het allemaal betekende en er ook de nut niet van inzag, lukte het niet en met betraande ogen liet hij zich radeloos op zijn schrift vallen dat hij het liefst zou willen verscheuren. Toen kwam moeder binnen en ze vroeg hoe het ging. Dat had ze beter niet kunnen doen want door het beetje medelijden dat in moeders toon klonk, schoot het zelfmedelijden van het jochie omhoog. Hij barstte in tranen uit en zei: –“Ik kan het niet… ik snap hier niks van… ik ga niet meer naar school … dit leer ik toch nooit!”. Moeder keek eens in het schrift en had natuurlijk geen idee van hoe ze haar jochie kon helpen, dus zei ze alleen maar: –“Als alle andere kinderen dit altijd hebben moeten leren, kan jij dat ook!”. Ze pakte hem bij de arm en zei: –“Rust eerst maar even wat uit en ga dan met pa mee naar de Kop van Pisa…”. Dat vond het jochie wel interessant natuurlijk. Er was pas een nieuwe familie uit Nederland aangekomen met een stel kinderen, ook van zijn eigen leeftijd, en daar was hij best nieuwsgierig naar.

De immigrant kwam met zijn familie uit Friesland en hij was een zeer zelfverzekerd man. In zijn gedachten ziet Grootopa het jochie met z´n vader naar het bedrijf van de nieuwe kolonist rijden want –“misschien hebben die mensen wat nodig”. Ze kwamen aan in de blauwe pick-up en zagen de boer voor de staldeur met z´n knecht staan praten. De boer praatte aan één stuk door en de knecht knikte begrijpend en toen de boer naar het land wees draaide de man zich om, kroop door de heining van prikkeldraad heen en liep zelfverzekerd het land in. Het jochie zag dat verwonderd aan. Zal die nieuwe boer al Braziliaans spreken? Zijn eigen vader kon nog geen woord en maakte zich verstaanbaar bij de knechten door met zijn armen te zwaaien en alles zo´n beetje vóór te doen. Maar deze boer sprak zo te zien vloeiend Braziliaans. Ook vader had dit schouwspel bedenkelijk aangezien en toen hij de boer de hand geschud had vroeg hij hem of die knecht Hollands sprak. De boer lachte en zei: –“Nee, nee! Ik heb ontdekt dat als je héél duidelijk en langzaam Fries tegen die mensen spreekt… ze alles perfect verstaan”. Hij keek naar de de knecht die al een eind in de wei liep en zei: –“Ik heb hem gezegd ‘Helje de kei efter ut it lân’… en dan hoef ik alleen maar te wijzen en klaar”. Het jochie stond er stil bij te luisteren en bedacht toen dat zijn vader het niet gemakkelijk zou krijgen want die kon geen Portugees en ook geen Fries, dus het zal een hele toer worden. Op de terugweg bedacht hij bij zichzelf dat het misschien makkelijker zou zijn eerst Fries te leren en dan het Portugees… of zouden er in het Fries ook verbos bestaan. Grootopa neemt een diepe teug aan zijn pijp en bedenkt dan dat in Brazilië de naam Dijkstra uitgesproken wordt als Diekstra, dat moet toch een teken zijn dat het Fries ze nader aan het hart ligt dan het Nederlands.

Hij kijkt weer op en ziet dat de verre heuvelruggen al gezalfd worden door de stralen zonneschijn. Grootopa voelt zich dan weer heel dankbaar dat in Brazilië en Carambeí nog steeds in alle vrede en geluk te leven is.

 

Geplaatst in De Regenboog: December 2014