GROOTOPA VERTELT – VOLHARDING

 

door Peter Bosch

 

Het regende pijpenstelen en van de zon was niks te zien. Het had trouwens de hele nacht gestort. Grootopa’s humeur loopt op zonlicht. Hij was gewend om iedere ochtend met het daglicht op te staan en zijn wandeling te doen, en als hij die moet missen zakt z’n humeur tot aan zijn sokken. Met zulk weer moet hij altijd aan vroeger in Holland denken… donker, grijs en nat.

Het is zomer, dus gelukkig niet koud. Grootopa kijkt naar de regen die tegen de ramen kletst, laat zich dan in zijn stoel zakken en zet de tv aan. Op BVN, de Nederlandse zender die hij meestal kijkt, draait sport. Sodekraai, denkt hij, wielrennen! Altijd als hij dát ziet realiseert Grootopa zich dat hij, en misschien ook wel de rest van de Nederlandse kolonies, geen Nederlanders meer zijn. In Nederland is iedereen gek op wielrennen, maar Opa vindt dat toch wel zo goed waardeloos! Toch heeft hij wel respect voor het uithoudingsvermogen van die wielrenners. Eens zag hij er één die het in zijn broek gedaan had van de inspanning… toch fietste hij door tot de finishlijn.

Opa schakelt over naar een ander kanaal. Daar draait een film over de Amerikaanse Revolutie. Hij ziet de twee legers, noord en zuid, elkaar aanvallen, recht op de kogels van de vijand af. Toen ze tegen elkaar op botsten, en schieten niet meer mogelijk was, hakten ze op elkaar in met de bajonetten waar ze maar raken konden. Grootopa zag daar een jonge soldaat op het gevecht afstormen en dacht bij zichzelf – “Jongen toch, blijf toch ver in de achterhoede en laat je met een schorre doodskreet tussen twee pollen gras vallen, met een scheve open mond en dichte ogen. Blijf roerloos liggen tot het oorlogsgeweld geluwd is, doe dan voorzichtig één oog open, kijk of de kust veilig is en dan pas langzaam opstaan, heel dramatisch, want er mocht eens iemand staan te kijken… en dan maken dat je wegkomt”. Ja, Grootopa is niet gek. Het zal toch je kind maar wezen.

Oorlogen hebben rijken grootgemaakt vooral door het land te veroveren. Maar wat een rijk machtig maakt is er bezit van te nemen en dat gebeurt slechts als het land bewerkt wordt door mensen die erop blijven wonen. Amerika is groot en machtig geworden door de volharding van de boeren, de settlers die het land veroverd hebben niettegenstaande alle moeilijkheden met indianen, bandieten en het trotseren van de genadeloze natuur… niets weerhield de boer. Onafhankelijk van het weer, regen of zonneschijn, de boer kan niet anders, hij moet doorploegen. Doorzetten! Als er een familie verdwijnt en het huis en land staan leeg, duurt het maar even of er komt een ander voor in de plaats. Doorgaan. Doorploegen. Onvermoeibaar.

Zo is het ook in de kolonies gegaan. De eerste boerenfamilies in Carambeí hebben heel hard moeten werken en maar heel weinig verdiend. Toen in de jaren dertig van de vorige eeuw de pas opgerichte coöperatie praktisch failliet was, en vooral ook de boeren zelf, gingen er heel wat stemmen op van – “Wij moeten terug! Repatriëren!” Maar dit besluit werd van tafel geveegd door één van de leiders die argumenteerde – “Nee! Onze ouders liggen hier begraven en wij gaan hier niet weg… wij moeten volhouden. Alles komt goed!” En dat hebben ze gedaan, ze hebben doorgezet en alles ís goed gekomen.

In Arapoti in de beginjaren zestig, toen de oogsten mislukten, twee vooraanstaande kolonisten al in het begin van de oprichting stierven en bijna de helft van de kolonie vertrok, was de school in één klap half leeg. De kerk was nog maar half vol, en de coöperatie had geen cent meer in kas. De situatie was zodanig dat een consultant tegen de voorzitter zei dat het voor de kolonie Arapoti “vijf voor twaalf” was en ze beter de hele zaak konden verkopen. Maar de voorzitter, Toon Kool, verzette zijn pruim, keek de consultant van onder zijn borstelige wenkbrauwen aan en antwoordde rustig brouwend – “Hoorrr eens, al was het vaif óverrr twaolf, wai gaon deurrr!”. Weer zo’n prachtig voorbeeld van boerenvolharding! En het is deze reactie geweest die er voor gezorgd heeft dat de kolonie Arapoti nu nog bestaat.

Onder de boeren, vindt Grootopa, is het toonbeeld van volharding de varkensboer. Om het als varkensboer vol te houden door de jaren heen moet je wel uit een heel speciaal soort hout gesneden zijn en een geloof hebben dat absoluut onwankelbaar is. Geloof is het vertrouwen in iets dat je niet kan zien, voelen of horen… je moet het gewoon geloven. En dat is wat de varkensboeren doen, ze geloven dat alles weer goed komt. En het komt ook altijd weer goed, voor een poosje, dan stort alles weer in elkaar. – “Niks van aantrekken, het komt wel weer goed. Ik weet niet wanneer, maar het komt goed”. Hét voorbeeld van doorzettingsvermogen… het toonbeeld van volharding. Grootopa vindt dat de varkensboer een beeld in het Parque Histórico van Carambeí verdient.

Natuurlijk, het volharden moet wel gepaard gaan met gezond verstand. Toen het in Arapoti al spoedig duidelijk werd dat de akkerbouw niet zou lukken, moest de kolonie overstappen op melkproductie. Voor vele boeren die naar Brazilië geëmigreerd waren omdat ze dachten dan voor altijd van het iedere dag moeten melken af te zijn, was dit een ijselijke tegenvaller, maar het kon niet anders. Dus de boeren van Arapoti bleven en gingen door, maar dan wel in een andere tak. Toen moest er een melkfabriek komen in Arapoti.

Grootopa vergeet nooit het prachtige verhaal dat hij eens gehoord heeft. Jaap, uit Carambeí, was een technisch zeer bekwaam man en buiten orgelspeler, jarenlang heeft hij kerkdiensten begeleid, was hij ook monteur en elektricien op de grote melkfabriek van Carambeí. Daarom is hij toen aangesteld om de elektriciteit in de melkfabriek van Arapoti aan te leggen.

Hij reisde iedere maandag met de bus naar Arapoti en op vrijdag ging hij weer terug naar huis in Carambeí. Op een zekere vrijdag waren er twee directieleden van de Emigratie Commissie uit Carambeí, in Arapoti. De twee mannen reden laat in de middag terug toen ze Jaap langs de weg zagen staan met een tas in zijn hand en een zak naast zich, op de grond. Ze stopten de auto. Jaap legde de zak voorzichtig op de vloer van de auto, zette z’n tas op de bank en klom toen zelf in de auto. Alles zeer rustig en systematisch. De twee directeuren wachtten geduldig af tot hij zich veilig geïnstalleerd had.

Dim, achter het stuur, reed verder maar hield de zak in de gaten want die bewoog een beetje vreemd golvend. Toen vroeg hij – “Wat heb je in die zak zitten Jaap, een jonge hond?” Jaap was een man van weinig woorden en het duurde even voor er een antwoord kwam, – “Nee”, zei hij, – “bijen”. “Wat!?” – riepen beide mannen. Gierend en nog zo´n tien meter doorslippend over de zandweg stopte de auto. – “Eruit!!!” – brulde Dim. Nog nooit zijn twee directeuren zo snel een auto uit gedoken.

Wat was er gebeurd? Toen Jaap ´s morgens naar zijn werk liep had hij een grote bijenzwerm aan een struik zien hangen. Omdat hij ook nog imker was in zijn vrije tijd, besloot hij die nieuwe zwerm mee te nemen naar huis, in Carambeí. Dus ´s middags heeft hij de zwerm voorzichtig in een zak geschud en is toen langs de weg gaan staan om te wachten tot hij een lift zou krijgen, want hij dacht niet dat hij de zwerm mee zou mogen nemen in de bus. Toen stopte daar toevallig de auto met de twee Emigratie Commissie directeuren… Grootopa grinnikt bij de gedachte, maar voelt een rilling over zijn rug.

Jaap was een man van de natuur. Hij hield van vogels, van apen, van honden, en wat je verder nog bedenken kan. Hij had een aapje dat vast zat aan een riempje om zijn middel en een touw van zo’n vier meter en dat woonde in een hokje op een paal van twee meter. Daar zat het beestje dan rusteloos met z’n kopje te draaien en z’n donkere, bolle flikkeroogjes stonden geen seconde stil. Het aapje was bekend bij al de jongetjes van de kolonie en op zaterdagmiddag waren er altijd wel bij Jaap op het erf aan het spelen. De jongetjes hadden al wat biologie gehad en wisten precies hoe het ging met de bloemetjes en de bij. Daar stonden ze dan stilletjes om de hoek van het huis naar het aapje te kijken en wachtten op wat er zou gaan gebeuren. Daar kwam een poes argeloos aanlopen zonder zich van enig kwaad bewust te zijn. Het aapje zat nu doodstil op zijn stokje met zijn blik strak op het poesje gericht, zonder een spier te bewegen. De poes liep rustig onder het hokje door toen het gebeurde… als een bliksemflits sloeg het aapje toe. Hij greep de poes bij haar staart en voor ze een miauw kon uitstoten was het gebeurd! De jongetjes loeiden van plezier!! Vóór de poes haar nagels kon uitslaan zat het aapje alweer voor zijn hokje te wachten op zijn volgende slachtoffer. Ja, het aapje van Jaap was bekend en berucht op de hele school.

Wat natuurlijk helpt bij het nemen van moeilijke besluiten, is dat je als gemeente in een kolonie samen sterker staat dan alléén. Dat helpt het besluit te nemen om toch maar door te zetten ook al zijn er tijden waarin de moeilijkheden soms niet te overzien zijn. Maar in de kolonie sta je dan niet alleen en de problemen van de één zijn bijna ook altijd de problemen van de buurman, hoewel het weleens kan regenen op buurmans land terwijl op jouw land het stof de lucht in waait. Dán krijg je als boer zin om achteruit te bidden!

Grootopa stopt z´n pijpie en moet opeens denken aan het museum van de kolonie Arapoti. Daar hangen twee lijsten van kolonisten. Op de ene lijst staan de namen van de emigranten die gekomen en gebleven zijn, en de andere is de lijst van de emigranten die gekomen zijn maar na een poosje weer vertrokken zijn. Ja, de eerste tien jaren zijn zeer moeilijk geweest in Arapoti en als ze toen elkaar niet hadden gehad… Op het hoogtepunt van radeloosheid, niet meer wetend wat te doen, ging een boer naar zijn vriend en buurman om te klagen over de situatie, want dat lucht zo op. Buurman hoorde alles aan en zei toen heel serieus, – ”Floor, jochie, maak je nou niet zo koortsig want morgen schijt er misschien een kraai die vandaag nog geen kont heeft”. Dat is nou weer eens één van die prachtige voorbeelden van boerenfilosofie waar een diepe waarheid achter schuilt. Daarom zijn het volhouders.

In de jaren zestig begonnen de zonen van de kolonisten mee te werken thuis op het bedrijf. Vooral in de kolonies Arapoti en Castrolanda waren de oudste zonen meestal nog jong, rond de vijftien, zestien jaar. Deze jongens hadden bijna niks geleerd na de lagere school, en technisch al helemaal niks buiten wat lessen over landbouw van ingenieur Bouwman en zijn assistent Heesterman. Toen kwam de ICM-school in Castrolanda waar de jongens melkveecursussen konden volgen, theorie en praktijk. De enthousiaste drijfveer van deze school was Kees van Santen die er zijn levenswerk van gemaakt heeft. Wat in de eerste jaren praktisch alleen maar voor de Hollandse kolonistenjongens uit de kolonies was, werd na een paar jaar uitgebreid voor kleine boeren en in de daarop volgende jaren voor het hele gezin. In feite hebben sinds 1966 enige generaties van Kees’ werk geprofiteerd. In die eerste jaren gingen de jongens van Arapoti soms wel voor een week naar Castrolanda naar de “Aissumschoal” om te leren melken en theorie op te doen over voeding en behandeling van kalveren en koeien. Dat was gezellig en leerzaam en ook goed voor de integratie tussen de jongelui. De meesten sliepen gewoon op de ICM-school, sommigen bij families in huis.

Met de jonge boeren was natuurlijk makkelijk te werken en meester Kees van Santen zag dat zijn werk vruchten gaf… maar om een oude boer bij te scholen valt niet mee. Zo was er een nieuwe Technisch Directeur voor de DAT van de CCLPL uit Holland aangenomen. Om een idee te krijgen van wat zijn werk zou worden, ging hij direct in het begin van zijn aankomst de boerenbedrijven langs. Een groot probleem in die jaren was mastitis. Deze ziekte heerste op alle bedrijven en veroorzaakte een groot verlies doordat de melkproductie van de koeien ernstig benadeeld werd. Op sommige bedrijven mocht je rustig aannemen dat het productieverlies 25 tot 30 procent was. Om dit probleem tegen te gaan was de dokter van plan om de boeren eerst eens wat hygiëne bij te brengen. Hij kwam op een melkbedrijf en liep de melkstal in waar de melkmachine zoemde en de boer rustig onder een koe zat te melken. De dokter stelde zich voor, maar de boer groette slechts met een “Móin”, en molk onverstoorbaar door. De dokter keek eens naar het uierdoekje waar de boer de spenen mee schoonveegde en begon direct met zijn les. – “Aan dat doekje zitten veel bacteriën, vooral de gevaarlijke stafylokokken, die gaan in het kanaal van de speen en veroorzaken daar een ontsteking, dus dat doekje hoort tussen ieder gebruik gewassen en ontsmet te worden…”. Omdat de boer niet reageerde ging dokter door met z´n les – “… ook de rubber tepelhouders van de machine moeten…” –  De boer kreeg net de staart van de koe in zijn gezicht, en was al aardig chagrijnig. Hij stond op, in de ene hand zijn melkbokje en in de andere de melkemmer, en zei tegen de dokter: – “Mójje luisteren, ik zit hier al meer dan dertig jaar te melken en weet onderhand wel hoe dat mót… dus hoepel alsjeblieft op!”

Terwijl de dokter ophoepelde keek de boer hem na en keek toen eens met wat meer attentie naar het uierdoekje dat glom van het vette, glibberige, dikke vuil en dacht bij zichzelf dat hij toch maar eens een schoner doekje moest gaan gebruiken… die dokter kon weleens gelijk hebben.

Heel veel is er geleerd door de jaren heen. Buiten het technisch goed te doen hebben de boeren ook moeten leren hoe je financieel een bedrijf moet runnen. Toen een jonge boer eens vroeg aan Heesterman wat nou eigenlijk de belangrijkste machine was op de boerderij, was het prompte antwoord – “Potlood en papier”. Dat dit inderdaad het belangrijkste gereedschap was op een boerderij is door de jaren heen wel aangetoond. De meeste boerderijen zijn uitgegroeid tot bedrijven die geadministreerd moeten worden, en dat gaat niet door alleen maar heel hard met riek of spa te werken, of de hele dag op een trekker te zitten. Nee, er moet gerekend worden, vergelijkingen gemaakt worden, tendenties, begrotingen en vooral uitgerekend worden hoeveel er binnenkomt en hoeveel er uitgegeven wordt… anders gaat het niet.

Grootopa zal nooit de beginjaren tachtig vergeten. In 1982 werd Brazilië failliet verklaard. Het land had onverantwoordelijk veel geleend in de jaren daarvoor, de jaren van het economische wonder, zelfs een heel nieuwe hoofdstad was gebouwd, midden in de bushbush, maar nu was het geld op. De wereld in het algemeen barstte van het geld, maar ons land was in de handen van de FMI. En zo feestte het land de overgang van het militaire bewind naar de democratie… failliet. We hadden schuld aan meer dan achthonderd banken… zelfs aan onze eigen Banco do Brasil. En we hebben er vierentwintig jaar over gedaan om de leningen terug te betalen. In 2006 was onze schuld eindelijk betaald en nu leent Brazilië zelfs áán de FMI. Grootopa grinnikt genietend. Nu staat Brazilië, midden in de wereldcrisis, redelijk sterk en zijn er een stuk of wat Europese landen die vroeger heel stoer op ons neerkeken, lekker ook eens failliet.

Brazilië wil de graanschuur van de wereld worden. Om dat te worden moeten de boeren gestimuleerd worden… met informatie, techniek en bedrijfskunde. Leiders die het heft in handen nemen. Natuurlijk niet meer door ongelimiteerde ontbossingen. Nee, met kennis… laten staan wat nodig is om de natuur niet te beschadigen. Nou, we zijn goed op weg om de graanschuur te worden, en niet alleen de graanschuur, maar ook vleesleverancier, en over enkele jaren misschien wel melk ook. Aan deze vooruitgang van Brazilië hebben de Nederlandse kolonies heel hard meegewerkt en er heel wat steentjes aan bijgedragen.

Hij voelt zich trots worden, trots op het nageslacht van die onvermoeibare pioniers die hier vijftig, zestig, honderd jaar geleden zich het zweet van het lijf ploeterden. Zij hebben niet voor niks geploeterd!!

Grootopa kijkt naar buiten en ziet dat het niet meer regent en dat zelfs een paar zonnestralen het wolkendek breken. Hij staat op, zet de tv uit en loopt naar buiten. Misschien staat er wel een mooie regenboog!!

 

Dit artikel werd in maart 2013 in De Regenboog geplaatst

 

GROOTOPA VERTELT – RENNEN!!!

 

door: Peter Bosch

 

Grootopa ziet genietend de zon opkomen en de warme zonnestralen vegen de slingerende, dunne mistgolven al gauw helemaal weg. Hij zuigt de frisse lucht diep in en steekt voor de gezondheid zijn pijpie aan. Hij hoort een irriterend knetterend motorfietsje aankomen en even later gooit de postbode zonder vaart te minderen, met een zwaai de krant in de tuin. Grootopa loopt erheen en raapt de krant op. Op de voorpagina staat een grote foto van de nieuwe paus. De hele week was er trouwens niets anders op het nieuws geweest dan het aftreden van Benedictus XVI en de verkiezing van de nieuwe paus. En nu is er een nieuwe paus. De hele wereld praat erover. Paus Franciscus is een Argentijn, wat al helemaal een verrassing was, vooral natuurlijk voor de Brazilianen die er al gauw wat op vonden om niet voor de Argentijnen onder te hoeven doen. In Brazilië zeggen ze: – “Oké, Oké… de paus is Argentijn, maar God is Braziliaan!” Daar kan de wereld het nu mee doen!

Grootopa peinst wat voor zich uit, maar kan zich niet herinneren dat de Carambeiaanse pioniers in 1914 überhaupt zelfs maar iets gehoord hadden over het Vaticaan en van de witte rook uit de schoorsteen, toen dat jaar de nieuwe paus, Benedictus XV, gekozen werd nadat Paus Pius X gestorven was. Nee, toentertijd lag het Vaticaan net zo ver weg als de maan, en dan nog, ze hadden in die tijd niet zo veel op met katholieken, dat waren totaal andere mensen die naar een heel andere hemel gingen.

Wat Grootopa vandaag niet begrijpt is waarom ze nou zo’n drukte maken over het feit dat het de eerste “niet-Europese paus” is sinds twaalfhonderd jaar. Hij vindt dit grote flauwe kul. De nieuwe paus heet in het echt Jorge Mario Bergoglio. Bergoglio!! Wat klinkt er nou meer Italiaans dan Bergoglio? Jorges ouders zijn zo’n vijfentachtig jaar geleden vanuit Italië naar Argentinië geëmigreerd, waar hij in 1936 geboren is. Eigenlijk is Jorge een Italiaan die toevallig in Argentinië geboren is. Dus er is niks veranderd in het Vaticaan. Grootopa zou er van opkijken als de nieuwe paus een zwarte kardinaal uit Uganda zou zijn of uit Arabië… een Arabier of Japanner, of een neger in het Vaticaan. Dat kán niet!! Of zou het toch wél kunnen? Wie had tien jaar geleden kunnen dromen dat een Barack Obama president van de Verenigde Staten zou worden? Zelfs Grootopa niet, maar hij blijft stug argumenteren dat bepaalde dingen gewoon tegen de natuur in gaan en daarom tot mislukking gedoemd zijn.

Bijvoorbeeld, die Zeeuwen in de bergen van Espírito Santo, dat kon toch van z’n levensdagen nooit goed gaan?! In de jaren 1850 is een grote groep van deze mensen daar terechtgekomen en zoals al in de sterren geschreven stond, is daar niks van terechtgekomen. Een Zeeuw hoort niet in de bergen, en zeker niet om bananen te planten. Dat zit niet in zijn natuur. Net als een kameel in de prairie, dat gaat niet goed … een kameel hoort in de woestijn en om gezond te blijven niet te veel water ter beschikking hebben. Trouwens, in Texas heeft het leger in de jaren achttienhonderd eens geprobeerd om met kamelen te werken in plaats van met paarden, want deze deden het niet goed in de woestijn, maar dat ging ook weer helemaal verkeerd, al was het deze keer om een andere reden. De kamelen deden het best in de Trans Pecos woestijn, maar om met een kameel óm te gaan moet je bedoeïen zijn en geen Amerikaan. Met kamelen omgaan zit niet in zijn natuur. Dus het duurde niet lang of het Amerikaanse leger is met dit kamelenproject gestopt en de soldaten hebben toen weer gewoon paarden gekregen.

Grootopa denkt weer aan die Zeeuwen in de bergen. Dat gaat niet. Een Zeeuw hoort op vlak land en het liefst onder zeeniveau, achter een dijk. Daar voelt de Zeeuw zich gelukkig en thuis. Precies hetzelfde geval was het met de Hollandse immigranten die in Gonçalves Junior in de bushbush gezet werden, honderd en vijf jaar geleden. Die kwamen zo uit het natte, frisse, vlakke Holland regelrecht in het hete, droge, ongezonde, bergachtige Gonçalves Junior terecht. Die mensen wisten zich natuurlijk geen raad en er kwam van de kolonie dan ook helemaal niks terecht.

Toen uiteindelijk, honderd jaar geleden, de eerste families in Carambeí kwamen, redden ze het op deze grote, golvende vlakte wél, ook al lag die duizend meter boven zeeniveau. Hier was tenminste wind en frisse lucht en hadden ze een horizon in de verte waar de zon opkwam, en niet op een paar honderd meter verder achter een berghelling.

Maar dan de mensen van Castrolanda! Dat ging helemaal goed. Die kwamen ook op een vlakte terecht en dan nog wel met een grote rivier die dwars door hun kolonie trok, en nog wat kleinere riviertjes die allemaal één ding gemeen hadden, namelijk dat langs hun oever overal een groot stuk moeras lag en in de regentijden ze allen overstroomden en hele stukken land onder water zetten.

Grootopa vertelt dit in de verleden tijd want een Hollandse boer laat zich niet door water opzij duwen. Nee, een Hollander duwt het water opzij, een rivier, een meer of een zee, dat doet er niet toe… niks weerhoudt de Hollander. Dat doen ze al een paar duizend jaar. Kijk maar eens naar de terpen van Groningen en Friesland, deze zijn de basis voor honderden steden geworden, en zo hebben ze door de tijden heen heel Nederland uit het moeras omhooggetrokken en de rivieren tussen hun oevers vastgelegd. Zo ook in Castrolanda. Toen de boeren zagen dat ze alleen maar een stuk moeras hoefden droog te leggen om zo een groot stuk land erbij te krijgen om soja te planten, stroopten ze gelijk de mouwen op en gingen de rivier te lijf. Het resultaat was dat als Greenpeace niet op tijd had ingegrepen onze broeders de hele Iapórivier hadden drooggelegd. Grootopa moet even lachen als hij hieraan denkt. Tjonge, de Hollandse boeren zijn wat mans. Dat zit in hun natuur… net als bij bevers.

Grootopa moet weer denken aan de Paus. Nu is Franciscus dus wel van puur Italiaans bloed, toch is hij in Argentinië geboren en wettelijk een Argentijn, dus voor de Italianen een vreemde. Vreemder dan een Europeaan uit welk land van Europa dan ook zou wezen. Dus Franciscus mag best wat integratiemoeilijkheden verwachten en hij zal zich wat moeten aanpassen. Of zullen de kardinalen en kamerlingen zich aan hém moeten aanpassen?! Opa denkt dat dit het geval wel zal worden. Paus Franciscus met zijn brede lach weet precies wat hij wil.

Over integratie gesproken, nu moet Grootopa weer denken aan onze drie Nederlandse kolonies in het grote Brazilië. Nee, hier is de integratie ook niet altijd meegevallen. Op kerkelijk gebied ging dit eigenlijk best goed, maar op zakelijk gebied… Toen Arapoti nog brandnieuw was en alle mogelijke hulp van de twee “oudere” kolonies nodig had, heeft ir. Kloosterman, de opvolger van ir. Bouman, rond 1965, de interkoloniale sportdag geïntroduceerd om de integratie te bevorderen. Dan kwamen Carambeí, Castrolanda en Arapoti om het jaar in een andere kolonie elkaars krachten meten op het sportveld. Grootopa herinnert zich dit evenement als altijd heel gezellig. Het was altijd in juli, dus soms ijzig koud, maar dat deerde niet. Zelfs Witmarsum heeft een paar jaar meegedaan. De atletiekonderdelen waren 100 meter hardlopen, 1000 meter hardlopen, hoogspringen en verspringen, voor jongens en voor meisjes, en dan nog volley en kampvoetbal. De atletiek werd door alle sporters gewoon blootsvoets gedaan. Voor het voetballen hadden ze wel een uniform aan, maar als voetbalschoenen gebruikten ze van alles door elkaar, van gymschoen tot rubber klompschoen, als ze maar stevig aan de voet zaten. Eén van de jonge atleten zal nooit vergeten worden in de sporthistorie, hij was het geheime wapen van Carambeí. Die hadden daar namelijk een pas uit Nederland gekomen jongen, Hans Kompier genaamd. Deze Hans was in één woord geweldig… hij won doodgewoon alle atletiekonderdelen met alle gemak, het ene jaar na het andere. Als Hans op de startbaan stond dan deden de andere atleten alleen maar mee om de tweede en derde plaats te halen. In de groepssporten deed Hans niet mee. Hij woonde in Carambeí op Areião en had de gewoonte om lopend naar Ponta Grossa te gaan, ongeveer op 20 km afstand.

Grootopa herinnert zich dat toen deze sportdag in Arapoti gehouden werd veel atleten na de middag wat nerveus werden want melktijd was aan het naderen en de spelen waren nog lang niet uit. Hoe moest dat nu? Een paar van de beste sporters van die kleine kolonie zouden weg moeten gaan om te melken…, maar toen kwam de redding. Lou Droog, de manager van de melkfabriek, gaf toestemming om die dag de melk twee uur later te ontvangen en zo konden de jongens zich nog goed uitsloven op het sportveld om daarna toch op tijd thuis te zijn om te melken.

Als groepssport was voetballen natuurlijk het hoogtepunt. Alle drie de kolonies hadden wel een paar uitblinkers. Grootopa stond in de beginjaren 70 eens in Carambeí naar het spel te kijken van een team Brazilianen tegen een team Hollanders. Voor de Hollanders speelden drie vrienden die samen op het Instituut zaten, het Instituto Cristão in Castro, en toevallig kwamen ze alle drie uit verschillende kolonies: Lolke uit Carambeí, Frans uit Castrolanda en Nico uit Arapoti. Grootopa stond te genieten van het spel, want de Hollanders deden het zeer goed, en hoorde opeens Henk Kooy, groot voetballiefhebber en -kenner, tegen iemand zeggen dat als die drie jongens nog in Nederland woonden, ze zo professioneel hadden kunnen spelen in ieder bekend team van dat land.

Nu Opa aan hardlopen denkt, herinnert hij zich wat er met twee meisjes in Carambeí is gebeurd waarvan er één voor haar leven heeft moeten rennen. Het zal in 1935 gebeurd zijn met twee vriendinnen, Hanna en Alisa, beiden rond de 14 jaar. Alisa had een stier vanaf kalfje opgefokt en toen het een paar jaar oud was kon zij er mee doen wat ze wou, maar voor anderen was het beest levensgevaarlijk. Op een zondagmiddag was Hanna bij Alisa op bezoek en ze gingen samen de koeien halen toen het bijna melktijd was. Spelend in hun mengelmoestaal van Duits en Nederlands liepen ze het kamp op, nog lachend om wat er de vorige dag gebeurd was. Hanna had namelijk ruzie gehad met een van haar nichten en op het hoogtepunt van de ruzie had Hanna zich omgedraaid en was gewoon weggelopen toen haar nicht haar nariep: – ”Ja, loop maar weg … ga heen en word koud!!” Als Grootopa daar weer aan denkt – “ga heen en word koud” – moet hij zijn pijp uit z’n mond halen anders valt-ie op de grond van de lach.

Maar daar liepen dus Hanna en Alisa lachend naar de koeien op het land, beiden nog in hun zondagse jurken. Alisa opende met moeite het strakke hek van prikkeldraad en liet het open liggen zodat de koeien naar de stal konden lopen. Toen ze een eind het land op waren, zagen ze dat de stier zijn kop in de lucht gooide en de meisjes vanuit de verte strak aan bleef kijken. Alisa trok er zich niks van aan, maar Hanna was het lachen al vergaan. Ze stond stokstijf stil. Alisa zei dat ze niet bang hoefde te zijn omdat als zij er bij was het beest Hanna niks zou doen, maar Hanna vertrouwde de zaak helemaal niet en zei dat ze terug wou gaan. Voordat Alisa wat kon zeggen zette Hanna het op een lopen en rende naar de dichtstbijzijnde prikkeldraadheining. De stier werd door Hanna’s vlucht schijnbaar aangespoord om haar te pakken en kwam in een razend tempo achter het meisje aan dat zo’n vijftig meter voorsprong had. Alisa wist niet wat ze moest doen en gilde naar de stier om te proberen het beest af te leiden, maar die was niet meer te stuiten en raasde in blinde woede achter Hanna aan en haalde haar al snel in. Hanna gaf geen kik, ze wist alleen dat ze moest rennen, de kortste weg naar de heining. Ze was er bijna toen ze voelde dat het beest nog slechts een paar meter achter haar was!! Bij de heining liet ze zich pal op de grond vallen, rolde bliksemsnel onder het draad door en scheurde daarbij een winkelhaak in haar gloednieuwe dure jasje.

Dat de stier niet dwars door het prikkeldraad heen vloog is onbegrijpelijk. Snuivend bleef hij voor de heining staan, een meter voor Hanna die aan de andere kant met grote ogen en trillende benen even uitblies. Ze keken elkaar even aan toen Hanna opeens doorhad dat een dertig meter verderop het hek wagenwijd open lag dus zij zette het weer op een lopen, nu richting de schuur. Haar voeten raakten amper de grond zo hard rende zij. Haar jurk wapperde in de wind. De stier had ineens ook door dat het hek open lag en vloog erdoor, weer achter Hanna aan, doof voor Alisa’s roepen. De stier had Hanna bijna weer ingehaald toen ze de schuur invloog en de deur achter zich dichtgooide, net voor de stier binnen wou stormen. Hanna keek om zich heen en zag aan de andere kant nog een deur openstaan, ze rende er heen en sloot die ook, en bleef toen hijgend met bonkend hart staan luisteren. Het duurde maar even of de stier stond weer voor een dichte deur. Het beest was haar gewoon aan het jagen!!

Alisa kwam ook hijgend aanrennen. Ongelooflijk, de stier keek haar slechts aan maar deed absoluut niks in haar richting, hoewel Alisa de zaak nu ook niet meer helemaal vertrouwde. Ze deed voorzichtig de schuurdeur open en ging snel naar binnen. Buiten bleef de stier snuivend en in de grond gravend staan draaien.

Alisa’s vader, Walter, had vanuit het keukenraam de hele zaak gezien en kon zich amper verroeren van ontzetting. Hij had Hanna in doodsgevaar gezien en absoluut niks kunnen doen. Nu hij zag dat het grootste gevaar voorbij was, riep hij naar de meisjes dat ze in de schuur moesten blijven. Hij wist dat hij nog maar één ding te doen had. Dit mocht zich niet herhalen en er was maar één uitkomst… de stier moest dood.

Hij liet Kees de Geus roepen die, ook al was hij nog maar 15 jaar, heel goed kon schieten. Het duurde niet lang of Kees kwam aan. Voorzichtig is hij de schuur ingegaan en had een goede plaats uitgezocht om te mikken door een kier van een luik. Het machtige beest stond 15 meter van de schuur strak te kijken en alles in de gaten te houden. Kees mikte zorgvuldig en schoot. Even hield de stier zijn kop stokstijf in de lucht en zakte toen steunend door zijn knieën. Grootopa weet niet waar Kees het beest geraakt heeft dat deze met slechts één kogel morsdood viel. Het was wel een zondag die in de familiegeschiedenis gebleven is. Sinds dat voorval is Kees Hanna´s grote held en een paar jaar later zijn ze getrouwd.

Grootopa is altijd onder de indruk gebleven van dit voorval en zeer blij dat vandaag de dag praktisch geen stieren meer worden gehouden op de boerderijen.

Hij brengt de krant binnen en gaat dan tevreden zijn dagelijkse wandeling doen terwijl de herinneringen door zijn hoofd flitsen.

 

Dit artikel werd in april 2013 geplaatst in De Regenboog

 

GROOTOPA VERTELT – EELTIGE HANDEN

 

door: Peter Bosch

 

Na een nacht harde regen was de morgenhemel helder, vogelgezang hing in de stralende lucht en tussen twee struiken flikkerden minuscule dauwdruppeltjes op een spinnenweb. Prachtig! Het hele landschap baadde in rust en in zonneschijn, maar Grootopa zag niets van dit alles. Hij liep te peinzen over iets wat hij zojuist had gezien in de krant. Ongelooflijk waar mensen zich vandaag de dag druk over maken. Namelijk, in de krant stond een tip om speciale handschoenen te gebruiken op de sportschool om geen eelt op je handen te krijgen.

Grootopa is er zich natuurlijk wel van bewust dat hij zich druk maakt over zo iets onbenulligs, maar geen eelt op je handen willen hebben, kan hij zich niet voorstellen. Tot een dertig jaar geleden was eelt op je handen hét symbool van hard en zwaar werken. Je gaf een boer een hand en deze voelde aan als een leren bankschroef. Het gekke is dat juist nu iedereen zijn spieren op de juiste plek wil ontwikkelen, en daar urenlang zweten op de sportschool voor over heeft, maar zijn handen lekker zacht wil houden met net geknipte, schone nagels. Grootopa denkt bij zichzelf: – “Man, ga toch in de tuin werken, dan zweet je veel harder dan aan touwtjes trekken in de airconditioning van de sportschool”.

Nee, vroeger was dat anders. Loop maar eens achter een ploeg die getrokken wordt door een paar paarden. Om daarmee rechte voren te trekken heb je kracht in je handen en schouders nodig, en toentertijd werden er geen handschoenen gedragen om handen te beschermen. Nee, die handschoenen groeiden op je handen in de vorm van eelt en de spieren ontwikkelden zich niet op de juiste plaats om stoer te lijken, nee, bij de boeren ontwikkelden de spieren zich vooral in de handen, de rest van het lichaam zwoegde in plaats van te trainen. Daarom zag een boer er altijd wat knokerig en krom uit,… maar blijf uit zijn handen!!

Als je vroeger een boer zag lopen in pak of met een nette tas in zijn handen stond dat een beetje vreemd, het paste niet bij die harige, eeltige handen en dat door de zon gegroefde, bruine gezicht. Hoe netjes hij zich ook kleedde.

Grootopa herinnert zich een boer in Arapoti die in de beginjaren zestig, net twee jaar in de kolonie, met zijn nieuwe, roodbruine leren aktetas, waar niet één waardevol papier in zat, alleen maar een prachtige vulpen die hij van zijn vader gekregen had, naar de bank ging. De tas zag en voelde vreemd aan in die eeltige handen. Ook al had hij een nette broek en hemd aan en een mooie witte strohoed op, toch stond die tas vreemd… het paste niet. Zijn zoon van veertien jaar ging mee om te vertalen. De boer had al dagen lopen repeteren wat hij zou zeggen tegen de gerente. Hij keek zijn zoon aan en zei: – “Ja m’n jongen, we zitten hier niet in de polder in Holland waar alles al geregeld is, hier, in dit vreemde land, moeten we voor onszelf zorgen”. De zoon knikte alleen maar stilletjes. Hij wist hoe radeloos de situatie was. Ze hadden in Holland alles verkocht, alle schepen achter zich verbrand en waren met een mooie dot geld naar de kolonie gekomen,… maar nu was het geld op. Zo snel dat het leek alsof ze het weggegooid hadden. Bij de coöperatie stond hij in het rood en het werd steeds moeilijker. Maar de boer was een trotse man die niet wou gaan bedelen bij de coöperatie. Nee, hij zou voor zichzelf zorgen dus daarom reden ze nu naar de bank. De boer verwachtte dat de bank hem zeker een lening zou geven. Hij was een harde werker, dat kon de gerente zo aan zijn handen zien. Hij had nu alleen maar wat geld nodig om door te kunnen boeren, hij zou alles, cent voor cent, met rente terugbetalen…; hij móest die lening hebben. Ze parkeerden de pick-up voor de bank en stapten binnen. Nu hij eenmaal daar was voelde de boer zich een beetje onzeker, maar hij liet zich niet kennen en stapte resoluut op de gerente af die hem hartelijk ontving met een brede lach en uitgestoken hand. Maar nadat hij met behulp van zijn zoon de zaak had uitgelegd, werd hem heel vriendelijk verteld dat de bank hem jammer genoeg toch geen krediet kon geven. Zoon durfde het amper te vertalen, maar zijn vader had het al begrepen. – “Krijgen we niks?”, vroeg hij alleen maar voor de zekerheid, terwijl een felle ergernis in hem opwelde. De gerente stond op als om te zeggen ‘ga nu maar naar huis’, en stak een slap handje uit naar de boer. Deze greep het handje vast in zijn eeltige knoest en gaf een goeie kneep zodat de man zijn mond vertrok. Gefrustreerd liepen ze naar de uitgang. Plotseling haatte hij alles om zich heen en eenmaal bij de deur kon de boer het niet houden, hij draaide zich om, keek de zaal in, stak zijn vuist in de lucht en riep keihard: – “Jullie kinne allemaal bárste met mekaar!!!”, en draaide zich om. Het was doodstil in de zaal en de klerken keken even verschrikt op van hun typemachines, maar toen had de boer zijn hand alweer naar beneden. Ze hadden absoluut niks begrepen van wat de boer gezegd had en dachten dat hij nog even had gegroet dus riepen ze allemaal terug: – “Tcháu, senhor, tenha um bom dia!”.

Zoon pakte zijn vader bij de arm en trok hem gauw naar buiten, bang dat deze weer een brul naar binnen zou geven. Maar de boer was helemaal gekalmeerd na zijn uitbarsting, hij klom in de pick-up en zei toen rustig: – “Zo, dat hebben we ook weer gehad… die bank hebben we ook niks aan. Nou, dan gaan we eerst eens even een lekker koppie koffie bij moe halen… morgen ga ik bij de coöperatie kijken. Dan moet het maar”. Nu hij wist waar hij aan toe was, leek het alsof al zijn krachten weer toegenomen waren en al zijn onzekerheid leek van hem af te zijn gegleden. In zijn lichtblauwe ogen stond nu een ongewone vastberadenheid te lezen.

Ja, denkt Grootopa, als ze toen niet samen de coöperatie hadden gehad was het allemaal niks geworden. Individueel waren de boeren als lucht bij de bank.

Deze frustratie had natuurlijk twee resultaten kunnen hebben, of ze gooiden er de pakken bij neer en zouden alles verkopen voor een waardeloze prijs en teruggaan naar Holland, of ze zouden juist zeggen ‘we zullen ze eens laten zien wat wij kunnen…’, en er dan keihard tegenaan gaan om te overleven. Dit laatste is wat die boeren toen gedaan hebben, er keihard tegenaan gaan. Vele slapeloze nachten doorstaan, maar uiteindelijk hebben ze het gered.

Grootopa realiseert zich weer alsof het de dag van gisteren was hoe moeilijk het was voor die boeren van vroeger om met nummers en geschrijf om te gaan. Zij voelden zich goed op het land of onder de koe, maar niet op de bank of op het kantoor. De meesten die in het coöperatiebestuur kwamen, voelden zich daar ook niet écht op hun plaats. Hij herinnert zich die keer dat de uitvoerend directeur van de CCLP de jaarbalans voorlas aan de fiscale commissie. De vertegenwoordigers van de drie coöperaties, allemaal simpele boeren, die eigenlijk alleen maar belang hadden bij drie nummers: salariskosten, melkprijs en eindresultaat, winst of verlies, zaten een beetje ongeduldig te luisteren. Daarna tekenden ze het papier praktisch zonder één vraag te stellen. Met hun eeltige, stijve handen, die niet gewend waren een pen te hanteren, maar meer hadden met koeienspenen, zetten ze hun handtekening houterig op het papier. Daarna maakten ze een toer door de fabriek. Toen ze door de kaasafdeling liepen kwamen ze langs een grote weegschaal en één van de boeren kon het niet laten, hij moest zich even wegen. Hij klom op het ding en toen het verwachte nummer aangegeven werd, zei hij tegen zijn collega: – “Moet je eens zien hier, precies het goeie gewicht! Nou, dan is die balans die we daarnet getekend hebben vast en zeker ook goed”.

Alles werd met de hand gedaan vroeger, aktes geschreven, rekeningen gemaakt. Later kwam het typemachine en toen de praktische rekenmachine. Wat was dat een uitkomst. Maar de echte grote sprong naar de modernisering werd gemaakt toen in de jaren tachtig de wonderbaarlijke computer werd geïnstalleerd in het coöperatiekantoor. Tot dan toe hadden we hier het woord computer praktisch allen maar in de Reader Digest gezien en in artikelen over de NASA. Toen wij dus het computertijdperk betraden in het coöperatiekantoor, was er maar één persoon die er verstand van had, die met dat ding om kon gaan. Die man werd vol ontzag aangekeken als was hij een of ander wereldwonder. Hij werd met de vinger nagewezen ‘die kan met computer omgaan’. Voor de gewone mensen waren die groene lettertjes en nummers op het scherm Hokus Pokus. De computerman werd door de directie in de watten gelegd want die dacht dat als deze weg zou gaan, ze niemand in de wereld zouden vinden die hem kon vervangen. Als ze toen hadden kunnen voorzien wat zo’n 20 jaar later een kind van vijf jaar met een computer zou doen…

Doch, al spoedig had de directie in de gaten dat er heel veel mensen waren, vooral jongeren, die precies wisten hóe je met de computer moest werken en dat het belangrijkste niet was te weten hoe je er mee óm moest gaan, maar om te beslissen wat er ín gestopt moest worden.

Grootopa voelt zijn gedachten weer op eeltige handen terugkomen. Hij weet dat als je vandaag de dag iemand ziet met harde, stroeve, eeltige handen deze hoogstwaarschijnlijk niet veel geld op zijn bankrekening heeft staan. Vroeger werd een schone, zachte hand door de boeren beschouwd als een wijvenhand, en de enigen in de kolonie die wijvenhanden mochten hebben, zonder dat ze als wijf beschouwd werden, waren de dominee en de schoolmeester. De boer en harde werkers moesten eelt op hun handen hebben. Toen echter de boeren erachter kwamen dat ze potlood en papier moesten gebruiken om hun bedrijf te runnen, en het zware handwerk beter aan knechten over konden laten, duurde het niet lang of je kon de boeren die nog echt eelt op hun handen hadden op je vingers tellen. Toen in de jaren vijftig, zestig de boeren wat serieuzer over de boekhouding van hun bedrijf begonnen te denken, hadden velen een speciaal boek daarvoor. Het leek een groot schrift met een dik, hard kaft in zwart, wit of grijs gekleurd. Vele boeren begonnen ieder jaar met de goede voornemens om het komende jaar de zaak eens echt professioneel te administreren. Maar de meesten hielden het maar een paar dagen of weken vol en ‘vergaten’ om verder te gaan. Heel wat kleine kinderen hebben deze boeken mooi vol mogen krassen en stoer mogen doen op school, want het bleef toch eeuwig leeg. Vooral als de vrouw er zich mee bemoeide, en haar man aanspoorde om toch eens wat meer te doen aan de boekhouding… dan deed deze er helemaal niks meer aan!!

Eens liet een boer zijn handen met opgezette gewrichten aan Grootopa zien: – “Man, mot je eens zien, met zukke vingers kan ik geen pen vasthouwe. M’n vingers zijn stijf van de rimmetiek”. Grootopa zag de bulterige vingers en stelde hem voor dan toch eens naar de dokter te gaan, want er waren daar best medicijnen voor, maar de boer ijsde terug: – “Ik ga niet naar dokters, die zijn niet te vertrouwen. Als ik me niet lekker voel neem ik gewôon een slokkie cognac, geen pinga, want dat is voor de kabokkels, nee, cognac, dat is beter dan die vergiftige pillegies en drankies die ze je veurschrijve”.

Zo ging dat vroeger. De boer die zich met een hamer op z’n hand slaat, een vloek slaakt, maar dan gewoon doortimmert, was als de dood voor een dokter in een witte jas en een injectiespuit in zijn handen! Nee, dokters, daar ging men alleen maar naartoe als het wel heel erg was…, maar ja, dan was het meestal te laat. Daarom vonden ze dat het niks hielp om naar een dokter te gaan. Het was altijd te laat. Grootopa is blij dat het nu anders gaat en is trots op de interne verzekeringen die we hebben in de kolonies. Vandaag, met de regelmatige check-ups, wordt er heel wat leed voorkomen.

Grootopa, loopt de keuken binnen en ruikt de verse koffie. Hij maakt een broodje klaar met ham en kaas. Terwijl hij de kaas snijdt moet hij opeens denken aan een prachtig verhaal, gebeurd tijdens een toneelopvoering van de toneelgroep van Carambeí in Castrolanda. Het was de gewoonte dat als men in de andere kolonies kwam er altijd heerlijke soep en broodjes met worst of ham en kaas klaarstonden om de hongerige gasten te ontvangen, klaargemaakt door de gastvrouwen van de kolonie. Terwijl de spelers het podium klaarmaakten, ging één van de spelers stiekem naar het zaaltje waar koffie, soep, en broodjes met kaas en ham klaarstonden. De man had honger, vooral lekkere trek, en hij at een broodje op met een warm koppie koffie. Heerlijk! Maar hij had nog veel meer trek, doch hij kon kwalijk alle broodjes opeten, nee, dat zou te veel opvallen. Hij keek voorzichtig om zich heen. Ja, hij was alleen. Hij hoorde de anderen hard bezig met het podium opmaken. Hij keek weer naar de heerlijke broodjes en kwijlde bijna van de trek. Opeens kreeg hij een ingeving, als hij nou eens alleen de kaas en ham opat? Dat zou niet zo opvallen! Ze zouden slechts denken dat de gastvrouwen van Castrolanda krenterig waren geweest en alleen maar koffie en droge broodjes hadden gemaakt. Jazeker, en dan zou hij zelf ook heel verontwaardigd meekijken. Zo gedacht zo gedaan, en hij begon de kaas en de ham tussen de broodjes uit te vissen. Plotseling kwam er een collega de kamer inlopen, die natuurlijk direct zag wat er aan de hand was, en vroeg: – “Hé wat doe jij?”. De tegenwoordigheid van geest van onze hongerige was geweldig… hij ging rustig door met snoepen en antwoordde: – “Jongen, ik heb honger, en in de hoogste nood smaakt het beleg zelfs zonder brood ”.

Zo’n reactie moet vereeuwigd worden, vindt Grootopa, en met genoegen stopt hij zijn eigen broodje in z’n mond.

 

Geplaatst in De Regenboog: mei 2013

 

 

GROOTOPA VERTELT  – DE ACHTERVOLGING

 

door: Peter Bosch

 

De auto’s stromen Carambeí binnen. Er zullen er een drie- à vierduizend komen gedurende het weekend. Aan de nummerborden kun je zien waar ze vandaan komen en dat is van alle kanten, sommige komen van honderden kilometers hier vandaan. Al die mensen komen voor één van de grootste attracties, misschien wel de grootste, van de kolonie. En dat is niet voor de landbouwtechniek of melkproductie, ook niet voor de yoghurtfabriek of de emigratiegeschiedenis; nee, ze komen alleen maar voor… een stukkie taart. U leest het goed… voor een stukkie taart. De “Torta Holandesa” die in Holland niet eens bestaat, is hier door Frederica beroemd gemaakt. Zó bekend dat mensen van buiten het ervoor over hebben om een paar uur in een auto te zitten, daarna in een lange rij te staan om dan eindelijk een lekker stukje taart met een mok koffie te nuttigen… en dan weer naar huis.

Grootopa staat stilletjes naar dit alles te kijken. Hij valt helemaal niet op te midden van het mensengewoel. Desondanks is Grootopa zich ervan bewust dat hij een nogal vreemd persoon is. Hij loopt graag alleen en is dan ook een interessante verschijning in zijn typische oud-Hollandse magere knokigheid. Hij loopt altijd met een beetje gebogen hoofd en ogen laag alsof zijn grote neus hem de weg wijst. Doch, vergis u niet, Grootopa ziet en hoort alles. Toch begint hij zich nu echt wat ouder te voelen. Hij kan niet meer tegen te veel gedoe om hem heen. Grootopa vindt dat dit alles de rust in zijn kolonie verstoort, vooral op de zaterdag en zondag, maar realiseert zich wel dat op de één of andere manier dit taartenfestival toch de Hollandse cultuur in Carambeí in ere houdt. Grootopa is nog steeds een echte Hollander, trots op Carambeí, trots op Batavo, trots op Holland en zijn geschiedenis, maar ook trots op Brazilië. Als echte Hollander snuit Grootopa z’n neus heel luidruchtig in een zakdoek, het liefst een rooie, bekijkt het resultaat goed of alles normaal is… en bewaart dan het snot in z’n broekzak. Zoiets doet alleen een echte Hollander nog maar.

En soep! Grootopa is gek op soep, vooral erwtensoep. Soep is één van die gerechten waar Hollanders specialist in zijn en Nederland staat dan ook bekend om zijn heerlijke soepen. Hier in Brazilië is het anders en met de tijd zijn ook de emigranten vergeten dat soep bestaat. Vroeger werd er in de kolonies op zondag altijd soep voorgeschoteld, nu nog maar zelden. Soep eet men in Brazilië alleen maar onder twee omstandigheden, of je hebt het heel koud of je bent ziek. Soep werd slechts gegeten in het ziekenhuis, dunne waterige kippensoep. Maar hier is gelukkig verandering in gekomen de laatste jaren. In alle grote restaurants kun je wel een bakkie soep krijgen. Nog niet de échte lekkere Hollandse soep, maar het begint erop te lijken.

Grootopa ziet tientallen mensen staan in de rij en zittend aan een tafeltje met een paar grote stukken taart en koffie. Hij staat naast een tafeltje van oudere mensen die hij toevallig uit een auto met nummerbord van Curitiba had zien stappen, en hoort de opmerking dat ze door de uitspraak van de “r” van onze mensen toch nog goed kunnen horen dat we van buitenlanders afstammen ook al bestaan we meer dan honderd jaar. De “r” in het Braziliaanse Portugees wordt namelijk aan het begin van de woorden en in de woorden die met twee erren (“rr”) geschreven worden, als een soort “g” uitgesproken.

Grootopa denkt daar over na en komt tot de conclusie dat wij hier eigenlijk geen van de twee talen meer goed spreken. Let maar eens op het hedendaags gesproken Nederlands op de televisie. De uitspraak die we op BVN horen is wel heel ver verwijderd van de taal die wij hier spreken. Op BVN horen we veel Vlaams, nou ja, dat is nog tot daar aan toe want deze taal wordt sinds eeuwen gesproken in Vlaanderen, België. Maar de uitspraak van de Nederlanders die wij op de televisie horen, klinkt steeds meer als een mengelmoes van brouwen met Engels. Bijvoorbeeld als ze zeggen – “We staan in de regen en worden nat”-, dan wordt dat uitgesproken als – “We staan in de ggrreegge en wowrwde nat…”. Dat is toch geen Nederlands, vindt Grootopa. Vroeger werd brouwen als een spraakgebrek beschouwd nu wordt het schijnbaar iedereen aangeleerd. Zelfs de “n” wordt niet meer uitgesproken aan het eind van de woorden, en dat nog wel op tv! Maar luister dan eens naar de aftredingsspeech van koningin Beatrix, zij sprak gewoon Nederlands, bijna zo als wij het gewend zijn… wanneer we héél goed ons best doen.

Grootopa wordt de drukte in het taartenpaviljoen zat en wringt zich tussen de mensen door naar buiten. Langzaam sloft hij het pad omhoog en ziet dan een tiental Volkswagen Kevers staan, de fuscas, de beroemde fukkies van vroeger. Vol interesse bekijkt hij de wagentjes. Jammer dat de meeste helemaal volgeplakt zijn met stickers met prachtige leuzen, steigerende paarden, stoere helden met lasso´s, drankmerken, nakende meiden en wat je nog maar meer bedenken kan. Over één sticker moest hij wat meer nadenken. Daar stond op: “Não ao aborto… Sim à vida”.

We leven in 2012, denkt Grootopa verbaasd, en nog steeds horen we onenigheid over abortus. De meerderheid vindt dat de vrouw over haar eigen lichaam moet mogen beslissen, anderen willen daar niks van horen, vooral ook de paus en de katholieke kerk niet, voor wie het embryo al het volle leven betekent. Grootopa heeft hierover zo zijn eigen opvatting, maar hij weet wel dat als Maria tweeduizend jaar geleden had mogen beslissen of zij het kind zou krijgen of niet, zij zonder het te weten de wereldgeschiedenis had kunnen veranderen. Hij moet weer lachen als hij denkt aan wat een cabaretier jaren geleden eens zei – “Als Maria toen de verkeerde beslissing had genomen, waren wij nu allemaal moslim geweest…!”.

Grootopa keert met zijn gedachten terug naar de fukkies en denkt dan weer aan vroeger. Vijftig jaar geleden hadden de meeste mensen in de kolonies al wel een auto. Meestal was het een auto die voor alles gebruikt werd zoals de jeep, de Willy´s en Toyota pick-ups, de Komby en de Rural. Sommigen hadden een fukkie of zelfs een luxe Aerowillys die meestal alleen maar voor de schone vracht gebruikt werden, om naar de kerk te gaan bijvoorbeeld. Maar vaak werd het fukkie ook nog gebruikt om een zak meel, cement of een kalf te vervoeren. Omdat er toen alleen nog maar grondwegen in de kolonies bestonden zagen de auto’s er vaak verschrikkelijk uit. Soms was de kleur niet meer te herkennen. Grootopa keek eens een keer in de kattenbak van het fukkie van een vriend en ontdekte dat daar spurrie groeide van al zeker twintig centimeter hoog, weelderig en groen.

In de jaren zeventig begonnen de drie kolonies aan een ongekende groei. De bedrijven werden steeds groter, wat mogelijk gemaakt werd door gesubsidieerde leningen die de regering ter beschikking stelde. Doordat de rente niet aan de inflatie gekoppeld was, vrat de inflatie de waarde van de afbetaling zo af dat na een paar jaartjes de boeren soms slechts de waarde van een slof sigaretten betaalden aan de lening van hun graandrooginstallaties. Ze verdienden grof geld en de jongeren konden eindelijk hun wildste dromen laten uitkomen en nieuwe, dure, luxe en grote auto’s kopen. Soms ruilden ze wel twee of drie keer per jaar van auto. Zo reden er aan het eind van de jaren zeventig geweldige auto’s rond in Carambeí zoals Veraneios en Dodges… en een Galaxy.

De Galaxy brengt Grootopa weer op een prachtig verhaal. Het is een verhaal dat eigenlijk vereeuwigd had moeten worden in de annalen van de coöperatie Batavo, maar het is de betrokkenen gelukt dit uit de officiële geschiedenis te houden. Helaas, ze konden natuurlijk niet voorzien dat er ooit een Grootopa zou opstaan die al die ouwe koeien uit de sloot zou halen. Grootopa steekt zijn pijpie aan, neemt een diepe teug van de lekkere rook naar zijn terige longen, doet zijn ogen dicht en gaat terug in de tijd.

  1. Doordat het zo goed ging die jaren, besloot de coöperatie Batavo dat ze naar buiten moesten groeien. De coöperatie moest uitbreiden en er werd een delegatie directieleden op pad gestuurd. Ze bezochten Londrina in het noorden van de deelstaat Paraná en andere kleinere steden, keken daar naar potentieel te koop land en bestudeerden eventuele samenwerking met andere coöperaties.

Ze reden in de grote Galaxy van Mario, de meest luxe auto destijds, die zweefde over de weg met een zacht zoemende motor die bedelde om meer gas en om te mogen racen op volle snelheid.

Op de terugweg reed Mario niet in zijn eigen Galaxy want een collega wist de weg beter en bestuurde de auto door de straten van de steden en over de binnenwegen waar ze aangingen. Het deed hem pijn in zijn hart de slee niet in eigen handen te hebben en hij zat de hele tijd mee te sturen als een soort copiloot.

De officiële snelheidslimiet was destijds 80 kilometer per uur, maar in zo´n auto was het onmogelijk om die te houden, vooral op rechte stukken weg, en de Galaxy voer dan ook gemiddeld op de voor die tijd geweldige snelheid van 120 km/uur iedereen voorbij. In de buurt van Guarapuava kwamen ze plots langs een politiepost, maar de chauffeur had deze niet opgemerkt door het drukke gepraat over de toekomst van de coöperatie, en reed er in volle vaart voorbij. De verkeersagent stak een hand in de lucht en floot op zijn fluitje. De chauffeur schrok, maar in plaats van te stoppen gaf hij gas en de Galaxy schoot vooruit. De politieagent wist niet wat hem overkwam, vloog met nog een collega naar hun politieauto en startten de achtervolging van de grote Galaxy met de vier eerwaarde bestuursleden van de coöperatie Batavo.

De mannen keken naar achteren en zagen de politie met rood zwaailicht aan komen stuiven. Eén van hen, die brouwde, riep, met de bedoeling de chauffeur op te hitsen – “grrije, GGRiekus… grrije!”.

En rijen dat deed de chauffeur. Hij keek in het spiegeltje en zag het zielige politiewagentje aankomen, zo hard het kon. Een triomfantelijke grijns kwam er om zijn lippen. Hij zou eens laten zien wat voor machine hij onder zich had en trapte het gaspedaal in tot aan de plank toe. De motor gierde met volle kracht en de auto schoot vooruit; in een mum van tijd werd de afstand tussen hen en de politiewagen groter en groter. De knokkels van de vingers van de chauffeur waren spierwit, zo vast had hij het stuur in handen, strakgebogen met het hoofd naar voren vlogen zijn ogen van de weg voor hem naar het achteruitkijkspiegeltje om de achtervolgers in de gaten te houden. Al gauw was het politiewagentje zo ver achter dat wanneer ze een bocht maakten deze voor een poosje niet meer te zien was. De brouwende directeur zat op de achterbank te wippen van genot, – “Prragggtig… prragggtig!!”.

Ja, drie van de mannen vonden het prachtig, maar de vierde, een al iets oudere man bleef toch maar een beetje voorzichtig met de vrolijke uitlatingen. Hij voelde zich niet zo erg gerust over dit geval.

Ze kwamen langs een wegrestaurant. De chauffeur keek in het spiegeltje, er was niks te bekennen van de politie, en hij vloog het asfalt af, het plein over en parkeerde de wagen ver naast het gebouw, een beetje verscholen achter andere auto’s. Doodstil bleven ze zitten wachten en het duurde niet lang of daar vloog het politievolkswagentje voorbij, zonder de Galaxy te zien. Ademloos bleven de vier kameraden nog even zitten wachten om er zeker van te zijn dat de politie voorbij zou rijden. Ja hoor, al snel verdween het autootje met zwaailicht uit het zicht. Toen barstten de vier uit in een wilde baldadigheid. Uitgelaten leken ze net vier schooljongens die de meester voor de gek gehouden hadden. Alleen onze oudere man haalde zijn vingers even peinzend door z’n witte haren. De chauffeur voelde zich helemaal opgelaten, hij zal de jongste van het stel geweest zijn en voelde zijn ego gestreeld door de lof van zijn collega´s. Mario keek trots naar zijn Galaxy die daar stond uit te rusten, nog een beetje nasidderend alsof hij moe was van de inspanning.

Na het eten gingen ze weer de weg op. Zwaar zoemde de Galaxymotor over het asfalt, wachtend op het moment dat-ie weer gas zou krijgen en al zijn potentieel zou mogen gebruiken.

Nu waren de vier wat stiller en voelden toch een soort dreiging boven hun hoofd hangen. Zouden ze de politie niet onderschat hebben? Stil reden ze door, nu absoluut zonder de wettelijke snelheid van tachtig kilometer per uur te overschrijden.

Toen ze dicht bij Ponta Grossa kwamen en zich al een beetje opgeluchter begonnen te voelen, kregen ze plots de schrik van hun leven en de chauffeur vloog op de rem. Met gierende banden kwam de Galaxy tot stoppen. De oudere man met de witte haren had zitten dommelen en omdat toentertijd nog geen veiligheidsriemen werden gebruikt, vloog hij bijna door de voorruit. Met grote ogen zagen ze een paar honderd meter verder een barricade van politieauto’s met zwaaiende rode lichten en politiemannen met mitrailleurs in handen. Ze waren natuurlijk door hun collega´s via de radio gewaarschuwd dat er een Galaxy aankwam met een stel bandieten.

De chauffeur wist dat hun lot nu in zijn handen lag en hij dacht bliksemsnel na. Wat nu? De gevangenis in of zou Mario’s Galaxy met kogels doorzeefd worden?

Zijn vingers kromden zich met alle kracht om het stuur en zijn voet gaf ongewild stoten gas – Vvrróemmm!!!… Vvrróemmm!!!… – de slee stond schommelend als een renpaard dat op het vieren van de teugels wacht, klaar om vooruit te schieten.

Plots wist hij wat te doen. Hij gaf vol gas en gooide het stuur om. De auto draaide slippend om en ging met gierende banden terug van waar ze kwamen. De anderen keken achterom om te zien wat de politie deed. Deze keer waren ze allemaal doodstil. De politiemannen sprongen in hun auto’s en begonnen de achtervolging. Weer werd het bestuur van de coöperatie achtervolgd door de politie, deze keer gewapend met mitrailleurs.

De chauffeur wist precies wat hij deed. Hij kende de regio als de palm van zijn hand en wist dat er iets verder terug een binnenweggetje was dat in Ponta Grossa uitkwam… dat zou hij nemen en zo de politie in het stof achter zich laten. Na een paar minuten sloegen ze het binnenweggetje in. Ze keken nog naar achteren in de hoop dat de politie niet zou zien dat ze daar ingeslagen waren, maar dat lukte niet. In de verte zagen ze de geel-zwarte auto’s aan komen vliegen. Vol gas vloog de Galaxy over de hobbelige grondweg, slippend over het zand en stenen en een grote stofwolk achter zich latend. Mario hield zijn hart vast van de zorgen over zijn splinternieuwe auto, maar hij zei niks. De brouwer sloeg ook geen motiverende kreten meer uit en de man met de witte haren zag nu helemaal zo bleek als een vaatdoek. Even werd de hoop groot dat de politie dit niet zou volhouden en dat ze de achtervolging zouden opgeven want de afstand tussen hen werd langzaamaan groter. Doch plots vloog de voet van de chauffeur met een “puta merda” op de rem en de mannen die allen naar achteren zaten te kijken, en dit niet verwachtten, werden naar voren gegooid. Wat was er nu aan de hand? De weg was afgezet met een heining. De politie wist dit natuurlijk en had daarom minder haast. Daar zaten onze mannen in de muizenval.

Het duurde maar even of ze werden omsingeld door de politiemannen met wapens op scherp. – ‘Eruit!! … Handen omhoog!!’ – werd er gesnauwd. Onze mannen wisten niet hoe snel ze de auto uit moesten. Daar stond het coöperatiebestuur, met de handen in de lucht. Alle vrolijke baldadigheid was verdwenen! De chauffeur begon toen te roepen – ‘Desculpe… a culpa é minha!’. Hij wou alle schuld op zich nemen. Hij zei –“Wij zijn directeuren van Batavo…”

De politie wist niet wat ze zagen. Ze hadden een stel ruige bandieten verwacht, maar wat daar stond met de handen in de lucht waren vier verschrikte, eerbiedwaardig uitziende mannen die hen met grote ogen bang aanstaarden. Eén van de politiemannen zei – “Veja só, um deles tem até cabelo branco!!”. Nee, een bandiet op die leeftijd, met witte haren, dat hadden ze niet verwacht.

Het misverstand werd goedgepraat. In die tijd was Batavo al heel bekend en de verkeerspolitie kreeg altijd melk voor niks… Ja, wij Hollanders waren al goed in het systeem ingeburgerd. Maar de Galaxy werd wel mooi in beslag genomen. Die mocht Mario pas na veertien dagen weer ophalen bij het politiebureau.

De mannen zwoeren onder elkaar dat dit verhaal niet openbaar gemaakt mocht worden. Dit moest geheim blijven… vooral voor Castrolanda natuurlijk.

Thuis was Anneke, de vrouw van Mario, doodongerust. De mannen hadden al vroeg in de middag thuis moeten zijn en het was nu al in de avond. Er begonnen rare gedachten in haar hoofd rond te gaan toen er eindelijk een auto de oprit opreed waar Mario uitstapte. Anneke was opgelucht dat hij thuis was, maar wilde natuurlijk wel weten waar hun nieuwe Galaxy was. Mario, in plaats van te antwoorden, hield een vinger voor de mond… Sssst…! en hij gebaarde naar de kinderen. Hij wilde niet dat zij dit verhaal van diverse wetsovertredingen hoorden, want dit zou een heel slecht voorbeeld wezen. Pas laat in de avond werd het hele avontuur fluisterend opgebiecht. Anneke, die het beeld van de vier verschrikte mannen met de handen in de lucht voor zich zag, vroeg – “Hebben jullie het niet in je broek gedaan?”.

Grootopa ontwaakt uit zijn droom en zuigt aan zijn pijpie waar de vlam weer in moet. Hij ziet de twee rijen auto’s langzaam vorderen, de éne komend de andere weggaand. Grootopa besluit naar huis te lopen. Dan moet hij weer denken aan Annekes vraag aan Mario – “Hebben jullie het niet in je broek gedaan?”-, en hij moet aan een oude vriend denken die zo´n last had van zijn buik dat hij niet eens meer naar de kerk ging omdat hij, als hij naar de wc moest dan ook écht moest, en niet zomaar een paar minuten kon wachten. Grootopa herinnert zich hoe zijn vriend gedokterd heeft tot hij ten einde raad een andere oplossing vond.

Grootopa kwam eens bij hem op ziekenbezoek. Al maanden had zijn vriend last van zijn ingewanden en leed aan een eeuwige diarree. Hij ontmoette hem op zijn hurken in de tuin zoekende naar iets. Grootopa vroeg nieuwsgierig wat hij verloren had. – “Ach man”, zijn vriend zuchtte diep en zag een beetje bleek om z’n neus, – “ik ga niet meer naar dokters want die weten me toch niet te helpen, dus ben ik naar een oud mannetje in Catanduva geweest, een soort medicijnman, en die heeft me een plant voorgeschreven die mijn probleem zeker zal oplossen. Hij heeft dat van zijn oude grootmoeder van Duitse afkomst geleerd. Nu ben ik dat plantje aan het zoeken om thee van te trekken”. Grootopa keek naar het onkruid en had er geen flauw idee van welk plantje zijn vriend zou helpen weer eens normaal te poepen. – “Hoe heet die plant?”, vroeg hij. De vriend antwoordde zonder op te kijken – “Ik weet het niet precies, die man wist alleen de wetenschappelijke naam, tanschijse…, of zoiets dergelijks”. -“Tanschijse?”, vroeg Opa, dat klonk hem niet erg Latijns in de oren en hij begon na te denken. Tanschijse klinkt Duits… scheiße. Dan barst Grootopa in lachen uit. Tanschijsse betekent Dünne Scheiße, in het Nederlands doodgewoon dun schijten… niet erg wetenschappelijk maar wel duidelijk en het voorkomt ieder misverstand. Grootopa grinnikt, tanschijse, maar goed dat de bestuursleden daar toen geen last van hadden anders hadden ze het vast en zeker in hun broek gedaan.

Glimlachend sloft Grootopa het hoggie (heuveltje) op, huiswaarts.

 

Geplaatst in De Regenboog: november 2013