GROOTOPA VERTELT – LOVE STORY

 

door: Peter Bosch

 

Grootopa loopt voorzichtig over het trottoir langs de Avenida dos Pioneiros. De zon daalt als een grote rode bal aan de horizon en boven Ponta Grossa ziet hij een zware, donkere regenwolk hangen. Prachtig om te zien, maar hij hoopt toch dat die regenval en wind maar een beetje uit de buurt van Carambeí blijven.

Hij komt voorbij het transportbedrijf TransArdo en ziet het parkeerterrein vol grote aanhangers staan. Ja, wat een bedrijf is dat geworden. Grootopa weet nog goed hoe de jonge gebroeders Aardoom begonnen zijn met één vrachtwagen om de melk in bussen bij de boeren op te halen in Carambeí en later ook in Castrolanda. Moet je nu eens zien, al die vrachtwagens… Dan moet hij ineens denken aan heel vroeger, bijna honderd jaar geleden, toen de familie van Aart Jan de Geus in 1913 in Carambeí aankwam. Met de familie is ook dochter Pleuntje de Geus meegekomen. Zij wou eigenlijk helemaal niet mee, maar de familie heeft erop aangedrongen en zodoende… Ja, als Rooie Aart wat in zijn kop had…

Dit verhaal is Grootopa verteld door tante Jo. Tante Jo haar achternaam was Aardoom en ze was getrouwd met Jaap de Geus, Ome Jaap. Tante Jo was een vriendelijke vrouw met een eeuwige lach op haar gezicht, en als je bij haar op bezoek kwam, ging je daar niet weg zonder eerst een lekker koppie koffie met een stuk koek te eten… én een mooi verhaal te horen over vroeger. Zo vertelde tante Jo Grootopa op een dag het verhaal over haar ouders Leendert Aardoom en Pleuntje de Geus.

Wat was nou het geval, toen de De Geuzen naar Brazilië vertrokken in 1913, was Pleuntje in Nederland al verloofd met de jonge beurtschipper Leendert Aardoom. Net als zij kwam ook hij uit ‘s-Gravendeel, en voer met zijn boot “Hendrika” op de binnenwateren waar hij zijn vracht van dorp naar dorp en stad naar stad transporteerde. De “Hendrika” was zijn grote trots en Leendert dacht er niet over om die te verkopen en naar Brazilië te vertrekken. Hij zou wel uitkijken. Maar zijn Pleuntje moest mee en tegenstribbelen hielp niet. Toen ze vertrokken, heeft Pleuntje beloofd dat ze over een jaar terug zou komen. Leendert op zijn beurt, beloofde op haar te wachten en wanneer zij terug kwam gelijk met haar te trouwen. Met bezwaard hart hebben ze elkaar gedag gezwaaid, Leendert op de kade en Pleuntje op de achtersteven van de grote oceaanstomer. Leendert heeft staan kijken tot het schip achter de mistige horizon verdwenen was.

Eenmaal in Brazilië vond Pleuntje het hier prachtig en ze genoot van het vrije leven in Carambeí. In de kolonie maakte zij zich nuttig door de kleine kinderen van de pioniers les te geven en zij was in feite de eerste schooljuffrouw. Daarbij maakte ze samen met haar zuster Jans de kaas van de De Geuzen. Ook brachten de twee meisje de productie naar Castro, te paard, meer dan twintig kilometer ver. Er was toen nog geen weg of brug, maar slechts een pad en ze deden er een hele dag over om heen en weer te rijden. Ze gingen gewapend met een geweer want vlakbij Castro lag een zigeunerkamp aan de oever van een klein riviertje precies op de plaats waar zij moesten oversteken. Het enige wat de meisjes van zigeuners wisten was dat het gevaarlijke mensen waren en dat ze kinderen stalen… vooral meisjes wilden ze graag hebben. Dus, wanneer ze dicht bij het kamp kwamen hielden ze de paarden even in en keken goed of het begaanbaar was en of ze geen gevaarlijke kerels aan de kant van het pad zagen. Wanneer alles veilig leek, spoorden ze hun paarden tot volle galop aan en zo hard ze konden vlogen ze door het lage water het kamp voorbij, en dat op de terugweg weer. Grootopa denkt zo bij zichzelf wat die mensen van het kamp wel niet gedacht zullen hebben iedere week weer die twee meisjes zo hard ze konden hun kamp voorbij te zien racen in wilde galop het water hoog opspattend, wapperende haren in de wind en een geweer slingerend aan het zadel.

Pleuntje schreef geregeld brieven en na een paar maanden maakte ze zich gereed om terug naar Holland te vertrekken. Maar toen brak plotseling de Eerste Wereldoorlog uit en de scheepslijnen werden stopgezet… ze kon niet meer terug! Helemaal overstuur schreef ze de ene brief na de andere, maar kreeg natuurlijk geen antwoord want ook de post kwam niet meer over. Oorlog in Europa, vreselijk. Gelukkig kwam er bericht dat Nederland neutraal was gebleven dus wist ze dat haar Leendert niet als soldaat het slagveld op zou hoeven. Dat was een hele troost. Zo gingen er twee jaren veel te langzaam voorbij voor het gevoel van de twee geliefden. Eindelijk, in 1916, kregen ze weer contact via brieven en nam Pleuntje het besluit om terug te gaan naar Holland. Ze zou met een oceaanstomer van Brazilië naar Engeland varen en vandaar met een kleinere boot, de Harwig, het kanaal oversteken naar de haven van Amsterdam.

Leendert, nu 26 jaar, stond aan de haven op haar te wachten. Hij was daar vroeg aangekomen, ongeduldig liep hij op de kade rondjes en wist na een paar uur precies hoeveel hijskranen er aan het werk waren en hoeveel boten er voor anker lagen en al hun namen. De hele tijd hield hij de grote klok in de gaten en zag de minutenwijzer langzaam maar zeker vooruit draaien. Het was al lang tijd dat de Harwig aan moest komen, maar er was nog geen boot te zien.

Toen klonk er een zware trillende stem door de luidspreker die vroeg om attentie! Leendert luisterde aandachtig en wat er toen gezegd werd sloeg in als een bom. De Harwig was op een zeemijn gevaren en met man en muis vergaan… niet één van de opvarenden had het overleefd. Leendert stond helemaal versuft en kon niet goed bevatten wat er eigenlijk gezegd was. Pleuntje verdronken? Dood? Zou hij haar nooit meer zien? Dat bestaat toch niet… er was iets, Leendert kon niet uitleggen wat, maar hij voelde dat dít niet waar kon zijn. Hij voelde dat Pleuntje nog leefde. Maar de Harwig was vergaan, dus hoe zou het dan mogelijk wezen dat zij nog leefde?

Leendert besloot in de haven te blijven tot er meer nieuws zou komen en op de volgende boot te wachten. Duizelig, met hangende schouders en kramp in zijn hart boekte hij een kamer in een hotel dichtbij. Die nacht is de langste nacht van zijn leven geworden. Hij dacht aan de familie in Brazilië die natuurlijk nog nergens van wist. Daar dachten ze dat Pleuntje om deze tijd al veilig en wel bij hem thuis zou wezen. En nu ligt zij daar op de zeebodem in het donkere, ijskoude water van het kanaal, begraven in een vergaan schip. Leendert huilde toen zijn eerste tranen sinds jaren en bad om een wonder.

Na een slapeloze nacht stond Leendert de volgende ochtend alweer vroeg aan de haven en tegen de middag kwam eindelijk de boot van Engeland aan. Op het dek stond het vol mensen die zwaaiden naar de wachtenden op de kade. Leendert keek en zocht, maar kon geen bekend gezicht vinden. Toen kwamen de passagiers de trap af en plotseling zag Leendert een bekend ogend meisje dat zoekend naar de mensen op de kade keek. Leendert voelde zijn hart bijna uit zijn keel bonken. Daar was ze!!!… Daar was Pleuntje!!!… Leendert gaf een schreeuw van blijdschap. Toen Pleuntje hem zag liet ze haar koffer pal uit haar handen vallen en ze renden op elkaar toe. Wat die twee elkaar toen niet allemaal te vertellen hadden…

Wat was er nu gebeurd? Het schip dat van Brazilië naar Engeland voer, had vertraging opgelopen en was te laat aangekomen, de Harwig was al vertrokken naar Holland en dus heeft Pleuntje een nacht op het schip moeten blijven slapen om de volgende dag pas met een andere boot naar Amsterdam te varen. Die vertraging is haar redding geweest.

Pleuntje heeft Leendert niet over kunnen halen om naar Brazilië te emigreren hoe ze ook vertelde over het prachtige vrije leven dat ze daar zouden hebben. Nee, Leendert kon het niet over zijn hart verkrijgen om zijn Hendrika te verkopen en dan de rest van zijn leven aan wal te slijten. Dus vormden zij een familie in Holland. Maar toen kwam de Tweede Wereldoorlog en het varen op de rivieren in Nederland werd steeds moeilijker totdat het helemaal verboden werd door de Duitsers. Niet zo lang voor de afloop van de oorlog werden de boten van de Hollandse schippers door de Duitsers tot zinken gebracht om zo de circulatie van de geallieerden te verhinderen. Wat Leendert toen gevoeld heeft… Toen hij ná de oorlog zijn Hendrika zag, eenmaal uit het water gehesen, voelde hij zich helemáál depressief worden. De hele boot was door roest aangetast en eigenlijk alleen nog maar goed voor de schroot.

Grootopa heeft dit altijd een prachtig verhaal gevonden.

Na de oorlog zijn hun zoons Bas, Arie en Leen en dochter Jo naar Brazilië vertrokken. Bas al in 1946, hij kon het in Holland niet meer vinden na de oorlog, de anderen een paar jaar later. Bas heeft jaren op de boot van zijn vader in Holland gevaren en heeft zijn leven lang terug naar het water gehunkerd terwijl hij in Carambeí duizend meter boven de zeespiegel zat. De brieven die Leendert en Pleuntje ontvingen deden hen in 1950 uiteindelijk beslissen om ook te gaan samen met de dochters Annie en Wennie. Ze lieten drie getrouwde kinderen in Nederland achter.

Het transporteren van goederen zit de Aardoomen in het bloed. Zo is het bedrijf in de jaren vijftig begonnen met melk in bussen bij de boeren op te halen en is later blijven groeien met het transporteren van de producten van de coöperatie naar Ponta Grossa en Curitiba. Bas is na enige beroepen te hebben uitgeprobeerd tenslotte landbouwer geworden en Arie is een winkel in zuivelproducten in Ponta Grossa begonnen, maar Leen ging door met transporteren… en het resultaat is dit door heel het land bekend geworden transportbedrijf TransArdo.

Opa ontwaakt uit zijn herinneringen door het zware ronken van een grote aanhanger die langzaam het bedrijf binnenrijdt. Doordat hij naar dit indrukwekkende geval kijkt, struikelt hij en valt bijna over het trottoir. Opa gromt en kijkt eens goed naar waar hij over moet lopen. Dit trottoir is eind jaren zeventig gemaakt en het zag er toen netjes uit. Maar een paar jaar later moest de Sanepar de zaak openbreken om er waterleidingen te begraven. Het probleem is dat ze het nooit meer netjes hebben dichtgemaakt en sindsdien is het een schande voor de kolonie. Al zo’n 28 jaar! Je kan er niet gewoon lopen. Oh, denkt Opa, als ík toch eens burgemeester zou zijn hier wat zou ik de zaak dan netjes houden…

Opa realiseert zich ineens dat de Hollanders in Carambeí eigenlijk op politiek gebied nooit echt hebben meegeleefd, er is hier in de kolonie nooit een echte politicus opgestaan. Carambeí viel tot 1997 als district onder de gemeente Castro. Maar door Castro is Carambeí eigenlijk altijd als een soort vergeten plek behandeld, ze dachten daar dat Carambeí zichzelf wel kon onderhouden, wat ook inderdaad werd gedaan. Gedurende jaren heeft de coöperatie hier als een soort gemeentehuis alles onderhouden. Dus eigenlijk waren de voorzitters van de coöperatie tegelijkertijd ook burgemeester van Carambeí. Maar om de wegen te onderhouden viel voor de coöperatie niet mee want daar hadden ze de goede machines niet voor. Toen, in 1970, stemde Carambeí haar eerste wethouder van Hollandse afkomst die zitting kreeg in het gemeentebestuur van Castro. Art Jan de Geus, beter bekend als Arturzão, heeft gedurende enige jaren veel goed gedaan voor de kolonie… nu zat er tenminste iemand in het bestuur die voor onze rechten vocht. Vooral het wegenonderhoud is sterk verbeterd. Daarna heeft Dick Carlos de Geus zijn periode als wethouder gehad en in 1982 werd Willy Los gestemd, beter bekend als Delegado. Later hebben we meerdere ‘Hollanders’ als wethouders gehad zoals Bauke de Geus, Art Jan Aardoom en Ary Harms bijvoorbeeld, en niet te vergeten dr. Orlando Los en Gaspar. Bart Janssen heeft het zelfs tot locoburgemeester gebracht. Maar als Grootopa er goed over nadenkt was niet één van dezen een echte politicus in hart en nieren. Hij kan dit goed begrijpen want politicus zijn is een heel apart vak. Dat moet gewoon echt ín je zitten.

Toen in 1997 Carambeí een onafhankelijke gemeente is geworden heeft Grootopa, en vele anderen met hem, gehoopt dat Dick zich kandidaat zou stellen voor burgemeester. Afgestudeerd in de rechten met speeches in absoluut correct Portugees was hij de ideale man… Maar Dick heeft het te druk gehad met de coöperatie en functies in de coöperatieve wereld buiten Carambeí. Om een coöperatie te leiden moet je al een sterke maag en huid hebben, want als je een zaak moet runnen waar je honderden leden hebt die zich eigenaar voelen… en zijn, moet je veel kunnen slikken en verteren. Maar om burgemeester te zijn in een land als Brazilië moet je wel echt een maag en pantserhuid hebben als van een krokodil, want wat je dan wel niet te slikken en over je heen gegooid krijgt is niet mis. Wil je succes hebben hier dan lijkt het wel alsof je soms alle gewetensbezwaren en ethiek van je af moet zetten … en dat zit niet in onze Hollandse cultuur.

Grootopa loopt te peinzen over hoe het met Carambeí verder moet. We zijn nu zo’n 14 jaar een zelfstandige gemeente en er is nog zo veel te doen. De coöperatie, daar maakt Grootopa zich niet druk over. Deze is door al die jaren heen altijd geleid door absoluut eerlijke mensen met een authentieke interesse in het welzijn van haar leden. Opa denkt aan de voorzitters van de laatste 60 jaar, Leen de Geus, Keimpe van der Meer, Wim de Geus, Dick de Geus, Franke Dijkstra en nu Renato Greydanus. De coöperatie zal zeker standhouden. Maar de gemeente van Carambeí, daar maakt Opa zich wat zorgen over, want deze is totaal uit de handen van de Hollanders geglipt. De nakomelingen van de pioniers en van de families die later gekomen zijn, zijn practisch apolitiek en willen er vaak niks mee te maken hebben. Toch is het voor Carambeí heel belangrijk dat we ons van onze verantwoordelijkheid bewust zijn. We mogen niet alleen maar klagen, we moeten eigenlijk écht meedoen!

Grootopa versnelt zijn pas een beetje want het begint nu harder te waaien. Hij maakt zijn pijpie uit, wikkelt hem zorgvuldig in zijn zakdoek en steekt hem diep in zijn broekzak. Hij trekt zijn hoed wat steviger op z’n hoofd en zijn jas een beetje dicht en stapt dan gestadig door. Voor hem ziet Opa een jongeman lopen met slechts een T-shirtje aan en deze lijkt zich niks van de toenemende kou aan te trekken. Opa ziet aan de rollende spieren van zijn armen, benen en rug dat hij veel op de sportschool vertoeft en dat-ie dat T-shirtje zo strak om zijn borst draagt om deze goed te laten zien. Tjonge jonge, Schwarzenegger is er niks bij. Zou dat manneke nou echt zo sterk zijn als hij eruitziet, vraagt Opa zich af, of zouden die welgevormde spieren alleen maar schijn zijn, net als kleding?

Opa kan het niet laten, hij moet opeens weer denken aan die opmerking van de Engelsen, heel vroeger, dat de lelijkste mens van Europa de Hollandse boer was… want hij had geen kont. Opa grinnikt en denkt aan het leven van zo’n boer. Twee keer per dag de koeien melken met de hand, dan de hele dag met riek en spa werken… spitten, maaien, laden, hakken en ga zo maar door. Zo iemand had helemaal geen tijd om vet in zijn billen op te slaan en om zijn spieren zo prachtig te modelleren. Toch, wees er maar zeker van dat onder die huid en over die knokkelige armen en rug spieren liepen zo sterk als staalkabels. En Grootopa weet zeker dat als zo’n boer een Schwarzeneggertje goed in zijn greep krijgt hij deze laat miauwen als een kat… O zo!

Na deze meditatie voelt Opa zich zeer goed en met een grote, triomfantelijke grijns loopt hij achter de atleet aan. In de verte rolt de donder, er zit onheil in de lucht, onweer en bliksem. Het kan nu ieder ogenblik losbarsten. De bliksem flitst. Grootopa doet de kraag van zijn jas omhoog, nu gauw naar huis want de eerste druppels beginnen al te vallen.

 

Dit artikel werd in februari 2012 geplaatst in het maandblad De Regenboog

 

GROOTOPA VERTELT – OME LEEN DE GEUS

 

door: Peter Bosch

 

Grootopa staat op uit zijn lekkere stoel en schudt niet-begrijpend zijn hoofd. Wat hij net hoorde op de televisie gaat zijn nuchtere Hollandse verstand weer eens ver te boven. Van economie heeft Opa geen verstand en sommige dingen probéért hij niet eens te begrijpen, maar één ding heeft hij zijn hele leven voor verstandig gehouden: “Niet méér uitgeven dan dat er binnenkomt, denk erom jongens”, was zijn leuze. De moeilijkste tijd die de kolonie heeft ervaren, is die van de crisisjaren van 1929 tot 1933 geweest. “De beurs in Chicago is gekelderd… er is een economische wereldcrisis”. Nou, ze hebben het geweten over de hele wereld, en ook hier in Carambeí. De kolonie was praktisch failliet. Maar hoe dat nou precies is gegaan weet Grootopa tot op vandaag niet en toen de Grote Depressie van de jaren ‘30 eindelijk weer voorbij was, hoorde je in Carambeí het woord beurs eigenlijk amper meer. Maar in Brazilië was er precies in diezelfde jaren ook nog revolutie en dat vergeet niet één ouwe Carambeíaan. De trein die onze producten naar São Paulo bracht, reed namelijk niet meer… dát was een echt probleem voor hen. Wat moesten ze nu met hun productie doen? En het verbod om in het Nederlands les te geven op school en dienst te houden op zondag… er mocht alleen nog maar in het Portugees gesproken worden bij officiële gelegenheden. Dát irriteerde ons.

Jaren later, toen de coöperatie groot in graan begon te handelen hoorde je wel weer geregeld – “De sojaprijs is gezakt op de beurs van Chicago…”, en het effect was zeer duidelijk, de boer kreeg onmiddellijk minder betaald voor zijn oogst. Maar vandaag de dag, ook al snapt bijna niemand eigenlijk precies hoe de beurs werkt, hoor je iedere dag van daling of stijging, en soms wordt de oorzaak van die schommeling toegewezen aan de meest vreemde voorvallen… de sjeik in Arabië is ziek en, hupsakee, de olieprijs stijgt over de hele wereld.

En daarom was Grootopa vandaag zeer verbaasd over de reden waarom de beurzen gedaald waren, namelijk omdat dat rare dictatortje van Noord-Korea gestorven was. U weet wel, dat manneke met die stekelharen die zo graag vanaf het balkon van zijn paleis, omringd door generaals, naar zijn leger kijkt dat in ganzenpas over het plein marcheert.

Economie is soms een onbegrijpelijk iets vindt Grootopa. Hij moet denken aan hoe het economische beleid vroeger werd gevoerd bij de coöperatie. Er waren hier geen afgestudeerden in economie. Maar goed dat toen, in die moeilijke dertiger jaren, dominee Muller is gekomen die jarenlang op een bank in Amerika gewerkt had en, buiten de Bijbel, ook verstand had van economie, administratie en boekhouding. Hij heeft de coöperatie gereorganiseerd en administratief op het rechte pad gezet. Daarna heeft de coöperatie voorzitters gehad die eigenlijk helemaal geen verdere opleiding genoten hadden dan de lagere school en Opa moet denken aan Leen de Geus die gedurende bijna twintig jaar de zaak geleid heeft zonder studie…, maar wel met mensenkennis, leiderscapaciteiten en een gezond verstand.

Leendert de Geus werd in 1890 in ’s-Gravendeel geboren in het poldertje dat De Nest genoemd werd. Hij was zoon van Leentje Kranendonk en Aart Jan de Geus, beter bekend als Rooie Aart, graanhandelaar en eigenaar van een mooie boerderij. Rooie Aart, één van de oprichters van de Christelijk Gereformeerde Kerk, was daarnaast ook nog een berucht stroper, jagen was zijn lust en zijn leven. Velen van zijn nakomelingen hebben die voorliefde geërfd en deze later in Brazilië naar hartenlust kunnen beoefenen.

In ‘s-Gravendeel, dicht in de buurt van Dordt, omringd door grote rivieren, groeide Leen op samen met een stel zusters en broers. Hij leerde van zijn vader het boerenvak want studeren zat er niet in, dat was voor een boerenzoon in die tijd niet weggelegd.

Toen in 1911 Jan Verschoor bij hen over Brazilië kwam vertellen, luisterde Leen gretig naar de verhalen over dat immense land. Leen was 20 jaar en had net zijn dienstplicht vervuld. Hij had voor eigen rekening 5 hectare land gehuurd in de Krabbepolder, een eilandje van ongeveer 50 hectare gelegen in de rivier Dordtsche Kil. Dat land was niet zo in trek bij de boeren omdat het veelal overstroomde, maar Leen durfde het toch aan. Hij plantte er aardappels en investeerde al zijn spaargeld in die onderneming. Het gewas groeide weelderig en een rijke oogst leek gegaranderd. Maar op een donkere dag kwam er een storm opzetten uit het noordwesten die gepaard ging met springvloed en de Krabbepolder verdween onder het bruisende water, de oogst ging totaal verloren. Toen Jan Verschoor hem verzekerde dat in Carambeí geen overstroming zou plaatsvinden was Leen niet meer te houden, dáár moest hij naar toe… naar Carambeí.

Toen Leen samen met zijn broer Arie en zijn zwager, meester Jacob Voorsluys, Carambeí verkenden, kreeg het enthousiasme ze alle drie te pakken. Hier was ruimte en hier waren mogelijkheden. Dit land leek geschikt voor melkveehouderij en Leen kreeg visioenen over akkerbouw op grote schaal… hier zou het zeewater nooit zijn land overspoelen. Duizend meter boven de zeespiegel en tweehonderd kilometer van de zee af gelegen. Daarbij lag Carambeí vlak aan de pas gelegde spoorlijn tussen twee redelijke steden, Castro en Ponta Grossa, dus afzet voor hun productie zouden ze hebben. Het enthousiasme van de jongelui stak de familie in Nederland aan en begin 1913 arriveerde er een groep nieuwe immigranten in Carambeí.

Leen trouwde in 1914 met Cornelia Verschoor, dochter van Jan Verschoor en Rookje van Solingen. Rookje was in Gonçalves Júnior vier jaar eerder gestorven en Jan was een jaar tevoren in zijn ouderlijk huis in Nederland gestorven, net toen hij klaarstond om met de groep nieuwe emigranten die hij bij elkaar geronseld had, terug naar Brazilië te reizen. Cornelia was 17 jaar en misschien wat jong voor Hollandse begrippen, maar dit was geen bezwaar in Carambeí. Ze was flink en had al jaren in huis en op het bedrijf meegewerkt.

Een trouwpartij hier was toen een hele onderneming. Leen en Cornelia waren het eerste Hollandse stelletje dat in Carambeí trouwde. Ze moesten hiervoor helemaal naar Castro waar de ambtenaar van de burgerlijke stand woonde die gerechtigd was om een huwelijk te voltrekken. Het bruidspaar en de getuigen gingen te paard naar Castro, vrolijk en vol goede moed. De reis erheen verliep vlot. Ze waren vroeg vertrokken die morgen bij mooi weer, de zon scheen en er was een zachte, frisse bries. Ze hadden de paarden even wat laten drinken in het kleine riviertje dat langs Carambeí loopt, en gingen toen over het kale kamp richting Castro. Het pad liep soms samen met de spoorlijn maar het grootste gedeelte apart, omdat de spoorlijn veel te veel bochten maakt. In de nabijheid van Castro moesten ze weer een rivier oversteken, precies op de plaats waar een zigeunerkamp lag, datzelfde kamp waar Jans en Pleus zo bang voor waren wanneer ze de kaas naar Castro brachten. Het kamp lag er rustig bij, met hier en daar een rookwolkje van de smeulende kampvuurtjes. De dag werd steeds warmer en na de burgerlijke plechtigheid, toen ze de terugreis aanvaardden, was het drukkend heet. In de verte zagen ze dreigende wolken opkomen. Weer bij het zigeunerkamp aangekomen zagen ze wat vrouwen in de schaduw zitten die een stelletje kleine kinderen in de gaten hielden en een klein jongetje met een vooruitstekend buikje haalde zijn vinger uit z’n neus en zwaaide naar de reizigers. De ruiters zwaaiden vriendelijk terug. Eenmaal weer op de open kampvlakte waar geen boom meer te zien was, zagen ze pas echt de dimensie van het noodweer dat op kwam zetten. De wind begon wat harder te waaien en in de verte hoorden ze het onweer rommelen en zagen de bliksem flitsen door de donkere wolken. Prachtig om te zien, maar angstaanjagend. Ze voelden de elektriciteit in de lucht en ze moesten de paarden wat strakker aan de teugels houden want deze begonnen zenuwachtig te worden. Zonder beschutting waren ze totaal aan de natuur overgeleverd. Het duurde niet lang of de regen stortte met pijpenstelen op ze neer. De koude druppels sloegen met kracht op hun hoeden die tenminste nog een beetje bescherming boden. Leen probeerde zo goed mogelijk op zijn bruidje te passen, maar kon niet veel doen. Eindelijk kwamen ze laat in de middag bij het riviertje van Carambeí aan, maar wat ze daar zagen deed hun hart een slag overslaan. Het kleine stroompje dat ze die morgen te paard hadden overgestoken en dat de hoeven toen amper nat maakte, was nu een bruisende stroom van een meter of anderhalf diep, onmogelijk om over te steken. “Daar stonden we, strontnat, een paar kilometer van huis zonder verder te kunnen gaan”, vertelde Leen later. Niks aan te doen, ze moesten wachten. Leen moest nog even denken aan wat Jan Verschoor hem verzekerd had… “In Carambeí heb je geen overstromingen”. Zo kwamen de jonggehuwden pas rond middernacht, nat en doodmoe, thuis waar de familie in angst en spanning op ze zat te wachten.

In de beginjaren ‘30 ging de kolonie door haar dieptepunt. Er werd zelfs over gedacht om te repatriëren, maar dat werd afgeketst. “Nee, dat nooit. Vader en moeder liggen hier begraven, wij blijven”, en als om dit te bezegelen bouwde ome Leen een nieuw stenen huis op zijn bedrijf, Chácara Pereira, dat in 1934 klaarkwam. Het eerste huis in Carambeí met badkamer en wc. Het huis dat praktisch alle nieuwe immigranten zou gaan herbergen in hun eerste weken hier. Dick Borger noemde het “De Zoete Inval” omdat het gebruikt werd door iedereen, oud-kolonisten en nieuwkomers die om raad kwamen vragen bij ome Leen. Iedereen werd aan tafel genodigd om mee te eten, van gouverneur tot zwerver. Er kwam die jaren geregeld een zwerver langs, ieder jaar weer. Het was een Duitser die in Brazilië gewoon landloper is geworden, een vreemde, doch aardige man. Hij werd dan uitgenodigd om aan tafel mee te eten, brood en perenstroop, en mocht in de schuur op het stro slapen omdat er in huis geen plaats was. Het huis waar veel coöperatievergaderingen gehouden zouden worden, rondom de tafel met een dienblad met koffie en eigengebakken zandkoekjes en borstplaatjes die door de dochters Roos en Leentje gemaakt werden. Het huis waar zelfs een tandarts een kamer had om zijn patiënten te behandelen, dr. Armando van der Laars, een nakomeling van de eerste Nederlanders die naar Gonçalves Júnior gekomen waren.

Het bruiste die jaren na de crisis gelukkig weer van activiteit in de kolonie.

In 1951 begon de kolonisatie van Castrolanda. Er waren al wat jongemannen vooruitgekomen om de opbouw voor te bereiden en nu zouden de nieuwe immigrantenfamilies in geregelde groepen komen. Ome Leen en Klaas Dijkstra gingen met het vliegtuig naar Rio de Janeiro om de eerste groep immigranten voor Castrolanda te ontvangen. Grootopa ziet het tafereel weer helemaal voor zich, daar staat ome Leen, nu een oude man van 61 jaar waarvan al veertig in Brazilië. Ome Leen ziet de groep nieuwe immigranten aan, ze zijn moe van de lange reis en een beetje onzeker over de toekomst, en de goedmoedige man weet precies wat hem te doen staat, hij loopt naar hen toe en zegt: “De Jager, met de jongens gaat het prima, ik ben op jullie nieuwe bedrijf in Castrolanda geweest, nou dat ligt er prachtig bij…”. Ja, vindt Grootopa, om zó ontvangen te worden in een onbekend land is natuurlijk zeer opbeurend.

Voor de nieuwkomers was de hulp van ome Leen en Klaas Dijkstra van onschatbare waarde. Ze kenden de taal en de Braziliaanse cultuur en wisten hoe te praten en wat ze moesten toegeven, maar ook de momenten waarop ze voet bij stuk moesten houden. Het importeren van de boedel van de immigranten liep niet vlot en als ze toen niet de hulp van deze mannen hadden gehad… Vooral Klaas toonde zich bekwaam in het onderhandelen met de douaneambtenaren die ontzettend klierig waren. Over ieder pakje dat maar een beetje vreemd leek, wilden ze invoerrechten rekenen. Omdat het hele gedoe veel langer zou duren dan wenselijk was, zijn de immigranten naar Paraná vertrokken, maar Klaas is in Rio gebleven om de inventaris en de huisboedel vrij te handelen. Ome Leen zei: “Mensen, wij hebben dit zelf in 1913 meegemaakt… ze hebben hier toen de familie Los praktisch alles afgestolen wat er maar te stelen was, maar wees niet bang dit laten we niet weer gebeuren!”, hij zag vooral de vrouwen wat onzeker kijken met het zomaar alleen achterlaten van al hun dierbare spullen in het voorzicht. Toen zei ome Leen: “Dit moet afgehandeld worden door iemand die er niet emotioneel bij betrokken is. Jullie gaan allemaal mee naar huis, maar Klaas blijft hier om deze zaak te regelen”. En zo is alles goed afgelopen ware het niet dat die douanemannetjes de kisten niet weer goed hebben afgesloten en toen deze aankwamen in Castrolanda na weken in de regen en de zon, er toch nog veel kleren, gordijnen en kleden verrot waren van het vocht. Die konden ze zo weggooien.

Een andere tegenvaller was de veehandel. De immigranten voor Castrolanda brachten veelal vee mee waarvan ze een gedeelte bij aankomst zouden kunnen verkopen om zo wat geld te maken. Kapitaal hadden ze nodig. Maar al gauw ontdekten ze een grote fout, sommige koeien hadden niet genoeg pedigree, en die konden ze toen slechts kwijt voor minder dan de helft van de prijs. Ome Leen liet de volgende immigranten waarschuwen om alleen maar vee mee te brengen met volledige pedigree, wat minimaal vijf geslachten betekende, want daar was een goeie, volle prijs voor te krijgen.

Toch bleek later dat deze veeverkoop niet zo goed liep als gehoopt was. Toen hebben ds. Muller en oOme Leen met de Braziliaanse overheid klaargekregen dat deze in plaats van zelf vee te importeren ten koste van deviezen naar buiten, de koeien regelrecht van de Hollandse immigranten kochten die in Rio aankwamen. Dat zou een voordeel betekenen voor beide kanten, maar met de Regering handelen bleek ook al niet zo’n heugelijk iets…

Al met al is het zeker dat als er toen de eerste groepen van Castrolanda aankwamen, geen mannen als ome Leen, Klaas Dijkstra en dominee Muller waren geweest om te helpen, deze mensen weer totaal beroofd zouden zijn door de douane in Rio.

Ome Leen deed in Carambeí vooral het politieke werk naar buiten. Hij was een zeer gerespecteerd en gewaardeerd man in de ogen van gouverneurs en politici. Vooral de gouverneur van Paraná rond de jaren veertig, Manoel Ribas, had veel met hem op. Regelmatig stuurde hij een gezant om ome Leen en tante Cor te waarschuwen dat hij zou komen eten. Als tegenprestatie stuurde Manoel Ribas een paar mooie percheron trekpaarden naar de kolonie, en ook wat koeien en een stier om het ras hier te verbeteren… en één keer zelfs cadeautjes voor de kleine kinderen.

Ome Leen was in de kolonie met zijn rustige manier van doen de leider die om raad gevraagd werd en die bijna twintig jaar lang voorzitter van de coöperatie is geweest, “Maar wie zou hem opvolgen?”, werd er weleens gevraagd. In de loop van de tijd werd duidelijk dat dit zijn zoon Wim zou worden.

Wim is geboren in het kleine houten huisje van zijn ouders, in 1926. Hij had al een stelletje broers en zusters, zodoende was er geen plaats meer in de slaapkamers, dus is zijn wiegje de eerste tijd maar gewoon in het kaashok gezet. Daar lag hij genietend van het heerlijke kaasaroma lekker op zijn duimpje te zuigen. Het heeft hem goed gedaan, hij is opgegroeid tot een gezonde jongen en toonde met acht jaar al zijn kunst als lassowerper. Het lasso werpen heeft hij eigenlijk uit nood geleerd. De jongens moesten allemaal hard meewerken met het vee, en dat vee van vroeger was niet zo mak als van vandaag de dag. De koeien hadden lange, vlijmscherpe horens… en ze keken niet dom uit hun ogen die tijd! Misschien was het daarom dat ze ook maar zo weinig melk gaven. Maar met dát vee moesten de jongens leren omgaan. Als er een koe behandeld moest worden of verkocht werd, moesten ze deze tussen al de anderen in vangen. Zijn oudere broers waagden zich stoer tussen die beesten in, maar Wim was op dat gebied niet zo’n held, dus daar moest hij wat op vinden. De oplossing werd zijn lasso. Grootopa ziet de kleine Wim lopen met een lasso die hij bijna niet de baas kon. Veilig staande op de hekken van de mangueira kon Wim met de tijd feilloos de uitgezochte koe de lasso om haar horens werpen. De broers vonden dat natuurlijk ook prima en sindsdien heeft niemand zich meer tussen die wilde beesten hoeven wagen.

Wim hield van snelle beslissingen. Toen Bauke Dijkstra naar Brazilië kwam, bracht hij buiten zijn vee ook een grote familie mee waaronder vier knappe meisjes. Toen Wim dochter Hiltje zag, zei hij meteen: “Die is van mij… daar ga ik mee trouwen”. Hij was snel en sportief en heeft gevoetbald tot over zijn vijftigste jaar, net als Corrigie Vriesman en Willy Los.

Over voetballen gesproken! Grootopa moet opeens lachen als hij denkt aan die keer dat ons Carambeí-team het spel vies aan het verliezen was, vijf nul was de stand. Het zal eind jaren veertig geweest zijn. Tjonge, wat voelden de spelers zich rot. De toeschouwers waren stil geworden en stonden een beetje chagrijnig te kijken. Geen één doelpunt…! Een spel eindigen zonder dat ons team zelfs maar één doelpunt maakt is wel heel miserabel, zoals men dat in Carambeí zegt. Maar opeens gebeurde er wat. Eén van onze spelers, Marinus, kreeg de bal aan zijn voeten. Marinus struikelde een beetje, maar kreeg het toch klaar om de bal naar voren te krijgen en toen gebeurde het. Marinus was een reus van twee meter lang en een meter breed. Hij had een baard van een week staan en zijn donkere haren stonden wild in de lucht. De kleine Braziliaanse tegenspelers zagen Marinus aan komen stormen en dachten slechts één seconde na voordat ze de benen namen. Ze schrokken zich dood van die wilde Bataaf. Marinus kreeg vrij baan en dreunde achter de bal aan, richting doel, waar dat verrekte keepertje stond dat tot dan toe geen één bal had laten doorgaan. De menigte voelde aankomen wat er ging gebeuren en joelde: “Joooaaaaaaaaa!!! Joooaaaaaaaa!!!”. De keeper zag Marinus aankomen en sprong als een kat in de houding om de bal te vangen, krom gebogen, benen wijd en armen uitgestrekt. Maar toen zag hij dat zijn verdediger in plaats van Marinus aan te vallen, er vandoor ging, dus stond hij er alleen voor. Zijn ogen sperden zich wijd open toen hij Marinus wat van dichterbij zag, denderend als een stoomtrein, recht op hem afkomend … en hij maakte toen dat-ie wegkwam!!

Zo heeft Marinus die dag onze eer gered, de held van de dag.

 Wim heeft nooit een opleiding genoten in bedrijfsadministratie of boekhouding of wat dan ook, hij heeft slechts leren lezen, schrijven en rekenen op de lagere school van Carambeí, maar hij had de meesterlijke capaciteit om mensen samen te houden, coöperatief te laten werken en denken en om naar de toekomst te kijken. Voor het technische werk zorgde hij gewoon dat er opgeleide mensen kwamen in het coöperatiekantoor. Dominee Muller kwam met kennis van zaken en heeft de administratie in de jaren dertig rechtgezet, maar het zijn mannen geweest zoals de oude ome Gerrit Los, ome Leen en later ome Wim die de simpele visie hadden dat we alleen maar sterk zouden staan als we alles “samen doen!”.

Wim kon praten als een burgemeester en hield ervan om in het publiek zijn woord te doen, in tegenstelling tot al zijn broers. De potentie van zijn stem heeft een microfoon altijd overbodig gemaakt. Wim gaat staan, hijst zijn broek op, steekt zijn kin vastberaden naar voren, en met luide stem, in vloeiend ‘s-Gravendeels Portugees, geeft hij zijn verhaal ten gehore dat altijd weer slaat op samenwerking: “Tudo nóis, em consjunto…”. Voor Wim bestaat er geen andere manier van werken dan coöperatief, en hij heeft zich totaal voor de zaak ingezet ten koste, misschien, van zijn eigen bedrijf. Zelfs nadat de nieuwe generaties het voorzitterschap hebben overgenomen is ome Wim nog steeds in tel, er gaat geen dag voorbij of hij gaat naar het kantoor om te kijken hoe alles loopt, drinkt een koppie koffie met de voorzitter of boeren en loopt dan weer naar huis, nadenkend over alles… als een echte Grootopa.

Grootopa, moet nu weer denken aan die beurs. Als zoiets iedere dag omhoog en dan weer omlaag gaat, moet daar toch iets mee te verdienen zijn. Grootopa kauwt op de steel van z’n pijpie en denkt bij zichzelf, ik moet toch eens wat meer van die beurs leren. Als iemand anders daar goed aan verdient, waarom ik dan niet? Met die slimme gedachten in zijn hoofd loopt Opa naar buiten.

Dit artikel is in maart 2012 geplaatst in De Regenboog

 

 

GROOTOPA VERTELT – DE VERDWENEN KOLONIE

 

door: Peter Bosch

 

Grootopa komt tijdens zijn dagelijkse wandeling langs het kerkhof van Carambeí. Hij is er al zo vaak langsgekomen, maar deze keer valt hem wat op. In de meeste dorpen ligt het kerkhof op een stille plek, een beetje afgelegen, meestal in de buurt of achter de kerk, net als in Castrolanda en Arapoti. Daar liggen de kerkhoven in heerlijke stilte. Maar niet in Carambeí!

In Carambeí ligt het kerkhof op het drukste kruispunt van het dorp waar het de hele dag raast van auto’s en vrachtwagens. Iedereen komt er praktisch elke dag wel een keer langs. Het kerkhof heeft geen muur, dus je kijkt altijd regelrecht op de graven.

Grootopa staat even stil en denkt na over dit feit. Ja, vindt hij, dit heeft zijn nadelen maar ook zijn voordelen. Een nadeel is dat het lijkt of je hier niet rustig kan liggen. Een ander nadeel is voor de familie van een pas gestorven familielid, want steeds als je voorbij het kerkhof komt realiseer je je weer het diepe, pijnlijke gemis. Maar het gevoel van verlies trekt gelukkig met de tijd voorbij en dan komt het voordeel. Het voordeel is namelijk dat wie op het kerkhof van Carambeí ligt nooit vergeten wordt. Iedereen die er voorbijkomt moet weer even denken aan wie hier ligt.

Grootopa kijkt over de graftuin en besluit dan naar binnen te lopen om naar de grafzerken te kijken. Langzaam loopt hij de rijen graven langs en staat even stil bij zijn oude bekenden. Hij kan de gezichten van zijn vrienden zo weer voor de geest halen, alsof ze naast hem staan… en zachtjes begint hij met ze te praten. Dan komt hij bij het graf van een echtpaar dat eerst in Monte Alegre gewoond had voordat ze naar Carambeí kwamen. Monte Alegre… Grootopa staat stil bij het graf en moet denken aan het verhaal dat een oud-kolonist van die kolonie hem vertelde.

Grootopa was op bezoek bij Rienk die aan zijn stoel gekluisterd zat vanwege zijn zieke longen. Rienk was één van de vroege kolonisten van de kolonie Monte Alegre geweest voor hij naar Carambeí kwam. Hij had een deken over z’n benen getrokken tegen de kou, haalde diep adem en vertelde toen zijn verhaal.

“Ja, om de geschiedenis van Monte Alegre juist weer te geven is de kerkelijke achtergrond niet te scheiden van de gemeenschap. Daarom moet ik je eerst iets vertellen over de vrijgemaakte kerk.

Ik was 14 jaar toen ik op een zondag in de kerk hoorde dat mijn ouders onder censuur werden gesteld vanwege een dwaling over de leer van de kerk. Dat hield in dat ze geen gebruik meer mochten maken van de sacramenten, en ook werd mijn vader als ouderling geschorst. Een kleine groep stapte hierna uit de kerk om samen een vrijgemaakte kerk te stichten. In deze groep was ook een zwager van professor Veenhof, hoogleraar theologie aan de Universiteit in Kampen. Eén keer per jaar hield de Universiteit van Kampen een schooldag voor de vrijgemaakte mannen, de vrouwen hoorden daar niet bij (!), en de écht vrijgemaakte mannen moesten daar ook ieder jaar naar toe. Zo was Kampen het Meca voor de vrijgemaakten. Lidmaat ome Kees, zoals wij de professor noemden, kwam vaak zijn familie bezoeken en ging dan altijd voor in de dienst. Vooral voor de jeugd nam hij tijd. Wij ontvingen uit de eerste hand een onderricht dat niet mis was. Net als Paulus onderricht werd aan de voeten van de Schriftgeleerde Gamaliël, werden wij door ome Kees onderwezen.

Toen ik 18 was werd ik gekozen tot Ring Kring Bezoeker voor het ring-kring-toezicht. Wij hoorden tot de kop van Noord-Holland, en in Den Helder, waar ze aparte jeugdclubgroepen hadden voor jongens en meisjes… dus de ringen apart van de kringen, was het een rebelse groep geworden die wij in het gareel moesten brengen. Dat viel niet mee. Toen wij op een dag gezamenlijk met een bus naar de kringbondsdag in Groningen gingen, zagen de dames dat er toevallig ook een kermis was… we hebben ze pas ‘s avonds weer teruggezien. In de Vrij-kerk was het regel dat de mannen het woord voerden en de vrouwen niks in te brengen hadden, dus de meisjes dachten dat als zij toch niks mochten zeggen ze er ook niet bij hoefden te zijn. Tjaaaa, dat vond ik eigenlijk best begrijpelijk.

Mijn vader liep eind jaren veertig al een tijd rond met het idee om te vertrekken. Niettegenstaande we een prachtig modelbedrijf hadden in Wieringermeer, Noord-Holland, waar hij goed geld verdiende met onder andere het telen van witte bonen en aardappelen, had hij de drang om weg te gaan. Weg uit Nederland. Toen de eerste groepen van Castrolanda zich vormden in Hogeveen heeft mijn vader zich ook opgegeven, maar dat ging niet door of hij moest weer overstappen naar de gereformeerde kerk… en dat wou vader niet. Toen dus de groep voor Klabin in Schildwolde gevormd werd, heeft mijn vader zich opgegeven met zijn hele gezin. Ook ik moest mee.

 Ja, mijn vader wilde weg, maar ik wilde eigenlijk helemáál niet weg! Ik had het prima naar mijn zin en had net gesolliciteerd naar een vacature om vertegenwoordiger te worden voor een nieuw Duits trekkermerk in Nederland. Ik zat al een paar weken te wachten op een reactie op mijn sollicitatiebrieven, maar die bleef uit. Ik heb nooit antwoord gekregen. Ik was diep teleurgesteld en besloot toen toch maar met de familie mee te gaan. Later, op de boot, zei mijn vader op een dag “Zo, jij wou dus trekkerverkoper worden?”. Ik heb het als een klap in mijn gezicht aangevoeld want ik had hem dit nooit verteld. Hij had waarschijnlijk de antwoordbrieven onderschept en dit heeft mij altijd dwarsgezeten.

Vader wilde dat alle drie zijn zonen boer werden wat in Nederland zeer moeilijk geweest zou zijn, dus dat is ook één van de redenen van zijn emigratiedrang geweest”.

Nu kijkt Grootopa even naar de hemel en haalt diep adem. Wat is het toch vreemd eigenlijk, dat een boer altijd denkt dat zijn kinderen alleen maar boer kunnen of willen wezen. Er schijnt geen grotere teleurstelling te zijn voor een boer dan dat zijn zoon geen boer wil worden!

“Zo heeft vader dus zijn boerderij verkocht en maakte daarmee goed geld. Voor de zekerheid heeft hij een groot deel op de bank in Nederland laten staan. De emigratie naar Brazilië en de opbouw van het bedrijf voor Klabin heeft ons zeer weinig gekost, integendeel juist. Door voor Klabin te werken verdienden wij in Monte Alegre best geld. Zodoende, toen mijn vader later naar Carambeí vertrok met het hele gezin, kon hij daar zo een goed stuk grond kopen en een heel nieuw bedrijf opzetten.

Ongeveer om vier uur ’s middags, op 25 oktober in 1953, kwamen wij aan in Monte Alegre. Het was zondagmiddag. Daar onze woning nog niet gereed was, werden we bij de kolonisten ondergebracht. De eerste kolonisten, vijf families, waren al in 1948 in Monte Alegre aangekomen, maar pas vanaf 1953 kwamen er nieuwe families aan. Eind 1954 woonden er zo’n 25 families met in totaal tegen de 100 personen. Zo was het op de zondagen best druk bij ons kerkje. Iedere kolonist had een brok land van bijna 80 hectare om te bewerken.

Al gauw ontdekten wij nieuwelingen dat er tussen de kolonisten een gevoelige rivaliteit bestond, er waren twee kerkelijke stromingen van vrijgemaakten ontstaan. Deze rivaliteit was heel goed te merken aan kleine onenigheden in de kolonie. Zo boterde het bijvoorbeeld niet erg tussen de melkrijder en een boer. Om reden van water voor de huishouding waren de huizen en stallen onder aan een heuvel gebouwd terwijl de weg boven over de heuvelrug liep, dus moesten de boeren hun bussen altijd “naar boven slepen”. De melk die ’s morgens werd afgehaald, moest door de boer op een bepaalde tijd boven aan de weg staan. Nu was er een boer die altijd op het laatste nippertje aankwam met z’n bussen, en dat irriteerde de melkrijder een beetje. Op een morgen was de boer, ome His, niet op tijd. Het zoontje van de melkrijder zag ome His onder aan de berg aankomen met de melkbussen en zei: “Pa, ome His komt eraan!”. Maar zijn vader zei: “Laat hem maar lopen!”, en reed strak voor zich uitkijkend weg. Hij zag uit zijn ooghoeken ome His nog met z’n armen in de lucht zwaaien. De volgende morgen stond er een woedende ome His de melkrijder op te wachten, deze keer netjes op tijd. Hij vroeg boos: “Zag je me gisteren niet aankomen?”. “Nee”, zei de melkrijder met een onschuldig gezicht. Toen stak het zoontje van de melkrijder zijn vinger in de lucht en zei: “Dat is niet waar, pa, want ik riep nog dat ome His er aankwam en toen zei jij, laat hem maar lopen…”.

De Klabins waren Poolse joden en hadden een gebied zo groot als de provincie Utrecht gekocht in Tibagi, in de deelstaat Paraná. Een heuvelachtig gebied dat Monte Alegre werd genoemd. In 1964 is de gemeente Tibagi gesplitst en sindsdien behoort Monte Alegre tot de gemeente Telêmaco Borba. Langs de rivier hadden de Klabins de grootste papierfabriek van Zuid-Amerika gebouwd.

Toen de Klabins bij de Hollandse ambassade informeerden naar Hollandse boeren werd Klaas Dijkstra uit Carambeí, die overal contacten had, gevraagd om hierin zijn hulp te verschaffen. Hem gelukte het om contact op te nemen met de vrijgemaakte groep in Schildwolde, Groningen. En zo arriveerden de eerste vijf gezinnen in 1948 in Monte Alegre. Ze werden voorlopig ondergebracht in een schooltje in Lagoa, een klein gehucht dat ligt in Monte Alegre iets voor het dorpje Harmonia. De kolonie stond onder leiding van een Braziliaan en als er ruzie of geschillen waren, probeerde deze man in de zaak te bemiddelen. Met zijn jeep kwam hij de bedrijven inspecteren. Hij was stomverbaasd over wat de Hollanders wel niet allemaal meegesleept hadden naar Brazilië. Er was een boer die zelfs een kist met pootaardappelen had meegebracht. Bij aankomst aan de haven werd de kist door de douane vastgehouden. Toen deze na veel moeite uiteindelijk aankwam in Monte Alegre, stonk hij een uur in de wind.

Bij kilometer 6 was een zijweg naar rechts en daar stonden wat huizen die eerder door Polen bewoond waren geweest. De Polen waren echter geen boeren en het was hun niet gelukt om genoeg melk te produceren. Polen zijn de beste timmermannen en metselaars die er bestaan op de wereld, maar als melkboeren… nee, daar hadden ze geen kaas van gegeten. Nu moesten de Hollanders bewijzen dat zij dat wél konden. Dat lukte natuurlijk prima. Melk was zeer belangrijk voor de compagnie. De werknemers werkten uiteraard in zeer ongezonde omstandigheden, de zwavellucht hing constant in de lucht en melk zou goed zijn om die vergiftiging tegen te gaan.

Zoals ik al vertelde werd er een Ford trekkertje beschikbaar gesteld die de boeren om beurten konden gebruiken. De kleine trekker was daarom dag en nacht in de weer. In het donker met een trekker op het land werken bleek levensgevaarlijk en dat liet zich al spoedig merken. Eén van de boeren die nachtdienst had zou de trekker bijvullen met benzine, bijgestaan door de oudste dochter die bijlichtte met een stormlantaarn. Plotseling vatte het meisje vlam! Haar vader probeerde het vuur te doven maar vatte daardoor zelf ook vlam. Hij heeft het meisje kunnen redden maar is zelf om het leven gekomen. Dit gebeurde al meteen in het begin van de kolonisatie en het heeft in de kolonie een diepe verslagenheid veroorzaakt. Temeer daar deze man leider van de gemeenschap was”.

Grootopa kan het moeilijke samenleven goed begrijpen, vijf boeren één trekker gebruiken is natuurlijk niet de beste manier om burenvrede te houden. Eén is er altijd de pineut. “Omdat wij de laatsten waren was het ding, als het onze beurt was, altijd kapot”, vertelde Jan, ook oud-inwoner van Monte Alegre, aan Grootopa, “dan moesten we hem eerst laten maken voor wij hem konden gebruiken en zo leverden wij hem altijd in goede staat aan de volgende boer…”. Grootopa glimlacht, want Jan kijkt nog steeds donker als hij eraan terugdenkt, 62 jaar later.

Rienk vertelt verder: “Na een tijd als tractorist gewerkt te hebben werd ik melkventer in de stad, want wij, Hollandse boeren, hadden al gauw genoeg melk voor de Compagnie, zodat er melk overbleef waar we mee mochten doen wat we wilden. Met paard en karos ventte ik de melk langs de straat.

Op een dag deed ik goed m’n best en liep ik roepend door de straat: “Leite! Leite!!!”, toen er een politieagent op me toe kwam. Ik zag dat de man een beetje teveel pinga op had. Hij dacht waarschijnlijk dat een paar slokken melk hem goed zouden doen en vroeg me een halve fles. Ik gaf hem de melk en hij dronk het gelijk op. Maar toen ik om m’n geld vroeg wou hij niet betalen. Ik kon bijna nog geen Portugees, maar ik begreep wel dat hij vond dat als iemand over de weg “Melk, melk” loopt te blèren, hij dat ook voor niks moet geven… Anders is het verboden! Ik wist daarop geen antwoord dus de agent draaide zich om en schommelend liep hij zo autoritair mogelijk verder.

De as van de fabriek bevatte veel kalk en zwavel en de boeren hadden ontdekt dat dit goede en goedkope kunstmest was. Op een dag had een kolonist een wagen vol as bij de fabriek gehaald om over zijn land uit te strooien. Zoon zat op de trekker en vader en schoonzoon strooiden het spul over het land. Het was een heel licht, dun poeder, dus in plaats van een schop te gebruiken deden ze het met de hand, zonder te weten hoe sterk corrosief dat spul was. Na een poosje had schoonzoon reuze blaren op zijn handen… de eeltige handen van de oude boer waren gelukkig wat beter beschermd.

Veel vertier hadden de jongelui niet in de kleine kolonie waar hard gewerkt moest worden en veel over kerk en geloof werd gepraat en gediscussieerd. Dus werd iedere kans door de jongens waargenomen om te kunnen spelen en lachen. In Nederland is het een boerentraditie om met oud en nieuw streken uit te halen. Zo was op oudejaarsavond Jan op zijn eentje langs de weg met de naamborden van de bedrijven bezig, midden in de nacht. Plots vraagt er iemand: “Wat ben jij aan het doen?”. Nadat Jan een beetje bekomen was van de schrik, zei hij: “Joa, ik bin de naomplaotjes an het verwisselen, doar zie ik gien kwaod in”.

Het jaar daarop hebben de jongens van Monte Alegre met oudejaarsavond de zittingen van alle trekkers afgesloopt en bij de consistorie opgestapeld. De volgende dag was het zondag en de mensen kwamen zoals gewoonlijk met de trekker naar de kerk. Het leek wel een carnavalsoptocht… ieder had een eigen oplossing gevonden om de zitting te vervangen. De één een houten melkbokje, de ander een kist weer een ander een stoel… Zo hadden ze toch lol onder elkaar.

Het probleem was dat er wat fanatisme groeide in die jaren. De groep was eigenlijk gekomen om hier, ver en geïsoleerd van andere geloven en ver weg van Nederland, een ware kerk op te richten de enige die de eeuwige zaligheid zou geven. Toen ik een keer een weekend naar Carambeí zou gaan werd mij gezegd daar vooral niet naar de kerk te gaan want dat was een valse kerk. Ik was zo’n beetje de rebel van de familie en werd beschouwd als het zwarte schaap. Dus toen ik in Carambeí was en daar contact kreeg met de jongelui en vooral met de mooie meisjes des lands, ging ik natuurlijk wél naar de kerk. De dienst werd geleid door ds. Moesker. Ik heb nooit zo goed opgelet als tijdens die preek, doch geen verkeerd woord heb ik gehoord.

Terug in Monte Alegre moest ik die week voor de Ring Kring Club een inleiding maken met vrij onderwerp, dus heb ik gekozen voor “De Ware en de Valse Kerk”, en ik heb toen in mijn jonge onstuimigheid mijn gal gespuugd over de zogenaamde valse kerk van Carambeí waar ik niks aan valsheid had kunnen ontdekken, enzovoort, enzovoort. Mijn ongeluk was dat er toevallig een ouderling present was die avond en die heeft mijn lezing wreed onderbroken. Hij stond op en zei: “Voorzitter, deze jongeman heeft me pijn gedaan. Wij hebben zo gevochten voor onze ware en zuivere kerk en nu dit…” Nou, ik was in één klap murw geslagen en ik wist niet meer wat ik moest zeggen.

Mijn vader zat in de kerkenraad en werd de volgende dag aangevallen vanwege de wandaad van zijn zoon. Hij vond ergens dat ik wel gelijk had maar dat ik veel te fel was geweest. Hij zei me: “Jongen, wat jij fanatisme noemt is voor hen een geloofsovertuiging en die behoort door iedereen gerespecteerd te worden… en zeker door jongetjes als jij”. Maar toch voelde ik dat mijn vader tussen twee vuren stond. Ik zei hem toen dat ik maar beter kon vertrekken naar elders. Dat vond hij ook en hij vroeg me waar ik van plan was heen te gaan. Ik zei dat Castrolanda mij het beste leek want dat waren nog kersverse emigranten in volle opbouw van de kolonie en ze zouden mij vast wel kunnen gebruiken. Ik zou me daar beter thuis voelen dan in Carambeí, dacht ik.

Dus ik vertrok kort daarna naar Castrolanda waar ik solliciteerde naar werk in de garage als monteur. Maar ik was niet voorbereid op hoe sterk kerkelijke stromingen kunnen wezen. Op een nette maar keiharde manier werd me regelrecht in m’n gezicht gezegd dat hij best een mannetje kon gebruiken maar dat hij mij niet wou hebben want – jij bent vrijgemaakt -. Ik wou nog argumenteren dat ik overhoop lag met de vrij-kerk, maar vond het beter dat niet te doen. Plotseling voelde ik me als een paria… een uitgestotene”

Grootopa dacht hier even over na en mompelde zoiets als: “Gelukkig zijn dit voorbije tijden en zou dit vandaag de dag niet meer gebeuren”. Toch kan Grootopa zich in die tijd terugzetten en begrijpen hoe dit kwam. Castrolanda is één van de meest homogene groepen die ooit een emigratie heeft ondernomen, en om daarbij te horen moest je aan sommige eisen voldoen… één ervan was dat je tot hun Kerk behoorde. Punt. Nou, dan is dat zo. Grootopa weet zeker dat het achteraf goed is geweest dat de jongeman daar op een harde maar eerlijke manier niet is opgevangen. Hij was toentertijd in Castrolanda vast en zeker altijd als een beetje vreemd beschouwd gebleven. Zo was dat toen eenmaal!!

In Carambeí bestond dit gevoel niet, vanwege de grote diversiteit in achtergrond van de mensen die er al jaren woonden. De oude pioniers hier wisten amper dat er verschillende kerkelijke stromingen in Nederland waren ontstaan. Er stond zelfs al een klein katholiek kerkje voor de Braziliaanse werknemers en families in de kolonie.

Grootopa gaat weer terug naar zijn herinneringen over het leven en het leed in het verhaal van onze jonge kolonist: “Toen ben ik achterop een vrachtwagen naar Carambeí gegaan, en kreeg daar werk bij Leen Barth. Sindsdien ben ik daar ook altijd naar de kerk gegaan. Later zijn mijn ouders met de rest van de familie naar Carambeí gekomen… hij kon de onderlinge geschillen ook niet meer zo goed verdragen en daarbij, hij werkte bij Klabin in feite op een huurbedrijf dat hij nooit op naam zou krijgen, en dat is voor een echte boer niks!

De kolonie heeft 20 jaren bestaan. Toen in 1968 het contract met de Compagnie verlopen was en deze het niet meer vernieuwen wilde voor lange termijn, wilde niemand meer blijven. Een boer die niet op eigen land werkt verliest zijn motivatie, en daarbij hadden ze ontdekt dat de Compagnie 30 % minder voor hun melk betaalde dan de boeren van Arapoti, Castrolanda en Carambeí betaald kregen door de CCLPL… en dat doet pien in de buutse.

Alle families zijn toen vertrokken. Klabin heeft ze allemaal netjes uitbetaald. Alle investeringen die de boer zelf had gedaan zijn verrekend. De Compagnie is keurig en eerlijk zijn deel van het contract nagekomen. Er zijn toen maar een paar families in Brazilië gebleven, die zijn gaan wonen in de buurt van de andere kolonies, het merendeel is terug naar Nederland gegaan of is geëmigreerd naar de Verenigde Staten, Canada of Zuid-Afrika. Daar woonden al grote groepen van de vrij-kerk in economisch succesvolle gemeenschappen.

De kerk van Monte Alegre, die de pioniers begin jaren vijftig gebouwd hebben en waar de families zoveel jaren iedere zondag trouw dienst hebben gehouden, is afgebroken, net als hun boerderijen. Alles is met de grond gelijkgemaakt. De hele kolonie is verdwenen… alles is aangeplant bos geworden, nergens is aan te zien dat er ooit een kolonie van Hollanders in Monte Alegre bestaan heeft”.

Grootopa ontwaakt uit zijn herinneringen en loopt verder langs de goed onderhouden graven. Het is mooi weer, zonder wind, en hij steekt vuur in zijn pijpie en zuigt diep slissend door de steel. Grootopa kijkt naar de wolkeloze lucht en hoopt dat er weer eens wat regen komt. Het is hoog tijd.

 

Dit artikel werd in De Regenboog van oktobter 2012 geplaatst