WAT ZOUDEN ZE ERVAN VINDEN?

 

door: Peter Bosch

 

Honderd jaar. Ja, een volle eeuw. Kunnen wij ons wel indenken hoe het hier was toen Jan Verschoor voor het eerst met de trein op station Carambehy aankwam? Wat zou hij gezien hebben? En toen een paar maanden later Leen Verschoor tekende voor het eerste perceeltje land van de Brazil Railway Company, nu precies honderd jaar geleden, wat zou hij van het land gevonden hebben?

Er stonden praktisch geen bomen, alleen wat natuurlijk bos dicht aan de rivieren, onderaan en tussen de heuvelruggen, zoals kenmerkend is voor de Campos Gerais waar de regio Carambeí ook onder valt.

Kunt u zich indenken wat hij voelde om eindelijk zijn vrouw en kinderen uit het broeierige, dichte bos in de bergen van Gonçalves Júnior te kunnen halen om hier op de open heuvels in de frisse lucht en altijd waaiende wind een nieuw bestaan op te bouwen?

De wind, daar gaf een echte Zuid-Hollander niks om. Hij was wel meer gewend in Nederland. Dat deerde allemaal niks, als ze maar weg konden uit die vreselijke plek waar al zoveel vrouwen en kinderen gestorven waren, begraven in naamloze graven met slechts een houten kruisje dat de plaats aangaf waar ze lagen. Kruisjes die snel zouden verdwijnen en met deze, de ligging van het graf. Niemand zou meer weten waar en wie daar liggen. Doch, ze mogen nooit vergeten worden!

Je moet wel gek zijn om daar in dat bos te blijven wegkwijnen. Gelukkig, gek waren onze voorouders niet. Zo vertrokken de gebroeders Verschoor met hun families naar Carambeí en een paar maanden later kwam Jan Vriesman ook met zijn dochter en zoons. Allemaal lieten ze familieleden op het Vrouwen-Kerkhof achter.

Ja de wind, heerlijk, als het maar niet méér dan een forse bries was. Doch de wind van Carambeí is meestal veel sterker en als het dan stormde wist men niet waar beschutting te zoeken. Dus iedereen plantte bomen om zijn bedrijf. Meestal dennenbomen die snel groeiden en hun gebouwen beschermden tegen de eeuwige wind.

Dus het is eigenlijk de wind geweest die de kolonie zo heeft veranderd want de meeste bomen die er nu staan, zijn al bijna honderd jaar geleden geplant. Daarom is het voor ons zo moeilijk om een voorstelling te krijgen van hoe Carambeí er als kale, glooiende vlakte uitziet. Toch was het toen zo. Waardeloze grond volgens de Braziliaanse buren.

Een van de verhalen die de ronde doen, is dat toen de Hollanders hier kwamen de Braziliaanse buren dit land “Pelados” noemden, waar ze naakt of kaal mee bedoelden, en dat Jacob Voorsluys dit heeft verstaan als “Pilatos”. Daarom heet deze lange heuvelrug nog steeds Pilatos. Of dat waar is…?

Nu, honderd jaar later, beginnen velen de grote oude bomen om te hakken. Reuze dennen en eucalyptusbomen worden krakend geveld. De kolonie wordt er mooier door en het lijkt dat het minder benauwd wordt, dat we beter kunnen ademen en dat er meer licht schijnt. Op vele plekken zien we voor het eerst de horizon weer.

Honderd jaar. Wat zouden de eerste kolonisten zeggen als ze de kolonie van nu eens zouden kunnen zien? Zouden ze trots zijn of misschien hun hoofd schudden, niet begrijpen waarom we nu in een eeuwige haast schijnen te leven. Zullen ze vreemd opkijken als ze zien dat hun Hollandse nageslacht ver in de minderheid is in het nu 17 duizend inwoners tellende Carambeí?

Ja, we zijn een gemeente geworden en we hebben een echte burgemeester en een Gemeentehuis, net als vroeger in Dordt waar Jan Verschoor een eeuw geleden heeft moeten melden dat hij ging emigreren naar Brazilië.

Of zouden ze denken; nou, het is er niet erg op vooruitgegaan hier, je kan verdorie nergens fatsoenlijk meer wandelen. Ja, er is wel een asfaltweg dwars door de kolonie gelegd, de Avenida dos Pioneiros, en dat asfalt is natuurlijk wel beter dan de modderige gaten en lagen stof die er vroeger op lagen, maar het wandelen hier is onmogelijk. Iedere keer als je een motor hoort brommen, moet je in de berm duiken want dan scheurt er weer zo’n lawaaierig gevaarte vlak langs je heen.

Laten we onze voorouders, die hier als eerste pioniers kwamen, voor het gemak even grootopa en grootoma noemen. Zij die toen vertrokken zijn uit Nederland waren allemaal nog in de negentiende eeuw geboren. Wij leven nu in de eenentwintigste eeuw. Zodoende mogen we nu dus écht zeggen dat onze voorouders historie zijn en leefden in een tijd die wij ons niet meer voor kunnen stellen, maar… zij ook zeker de onze niet.

Wat zou grootopa opkijken als hij al die luxe auto’s ziet staan bij de kerk. Dat was vroeger wel anders toen iedereen lopend of met de sjees naar het kerkje kwam. En ook al lag er veel stof op de weg, daar hadden ze toen niet eens zo veel last van want er kwamen geen razendsnelle auto’s voorbij die het stof opgooiden dat een paar minuten in de lucht blijft dwarrelen.

Eén van de goede oude gewoontes van
vroeger wordt nog steeds door velen in ere gehouden, en dat is dat op zondag de familie vaak bij elkaar komt. Lekker bij opa en oma op visite. Maar nu vraag ik me af hoe onze grootopa aan zijn pijp zou lurken als hij ziet waar wij zo op de zondag op de televisie naar zitten te kijken. Ik heb zo het idee dat grootoma hem niet lang naar al dat gedoe zou laten kijken en het ding snel uit zou laten zetten.

En dan hebben we nu, honderd jaar later, misschien nog een ander probleem als onze grootoma eens om het hoekje zou kunnen kijken. Namelijk, vandaag de dag trouwen onze kinderen met Braziliaanse meisjes en jongens, vaak nog katholiek ook. Dat zou vroeger absoluut niet door de beugel gekund hebben. Toch heb ik het gevoel dat als ze de lachende gezichtjes van hun kleine achterkleinkinderen zien, ze in hun hart weten dat dit geloofsverschil maar een klein en onbelangrijk detail is.

In Carambeí is er voor het eerst gevoetbald in de jaren 30. Er was een trein die om de één of andere reden voor een paar dagen op het Carambeí-station stil is blijven staan. En zoals echte Brazilianen dat altijd doen, zetten een stelletje jongens die met de trein reisden twee stokken in de grond en zo hadden ze een doel gebouwd. De jongens van Leen Los, die in de buurt van het station woonden, zagen dat spel met de bal vol interesse aan. Het duurde maar even of ze werden uitgenodigd om mee te spelen. Zo is het voetballen de kolonie in gekomen. Daarna is deze sport nooit meer gestopt. Als er maar even niet gewerkt hoefde te worden, rolde de bal over het gras en de jongens erachter aan. Maar het werd wel een hele toer om op de zondagen te kunnen voetballen want dat was tegen de streng calvinistische regel van onze grootopa, en vooral grootoma, in. Op de zondag moet men rusten … alleen melken, dat mag wel, want een koe kun je kwalijk met een vol uier laten lopen. Maar rennen achter een bal niet.
Moesten onze grootopa’s en –oma’s ons eens hebben zien juichen voor de tv toen op zondag de wereldcup finale draaide.

De tijden zijn inderdaad veranderd. Jammer voor de taal. Het Nederlands wordt steeds minder gesproken, zelfs de Portugeestalige kerkdiensten hebben al in grote mate de overhand. Het duurt niet lang of de Nederlandstalige diensten zullen alleen nog maar in het ouderdomstehuis gehouden worden.

Toch zullen onze grootopa’s trots mogen zijn op veel dingen. De groei van de Coöperatie die ze met zoveel moeite samen hebben opgebouwd, is nu uitgegroeid tot een miljoenenzaak, en het Batavo-merk, dat ze voor het eerst in 1928 op hun kaas gebruikten, heeft nationale bekendheid gekregen en heeft een waarde die zij in hun stoutste dromen nooit voor mogelijk gehouden hebben. Zouden ze het erg vinden dat het niet meer écht van ons is? Nou ja, er zit toch nog altijd wel melk van onze koeien en vlees van onze kippen en varkens in…

In de tijd dat onze grootopa’s en –oma’s geboren werden, zo midden tweede helft van de jaren achttienhonderd, waren de meest vooraanstaande personen in de steden, en vooral in de dorpen van Nederland, de dominee, de burgemeester de dokter en de schoolmeester. Meestal ook in deze volgorde. Eenmaal in Brazilië, honderd jaar geleden, was het voor onze pioniers onmogelijk om hun kinderen te laten studeren, daar werd niet eens aan gedacht zelfs. Meester Jacob deed zijn best om de kinderen te leren lezen, schrijven, rekenen, en niet te vergeten Bijbelse geschiedenis bij te brengen, maar daar bleef het wel zo’n beetje bij. Dus we mogen gerust aannemen dat grootoma er geweldig trots op zou zijn als ze nu kon zien wat velen van haar nakomelingen geworden zijn. We hebben hier in de kolonie ingenieurs, dokters, onderwijzers, dominees, architecten, veeartsen, advocaten en noem maar op, allemaal heel belangrijke mensen … toen, in die tijd, zo rond de twintigste eeuwwisseling.

Moeten we ons eens voorstellen dat onze grootoma nu, honderd jaar later, een kerstdienst mee kon maken. Wat zouden haar gevoelens zijn? Ik zie het vrouwtje zitten. Heel streng en rechtop met de rug tegen de bank. De dienst begint in het Portugees … Oei! Een diepe rimpel komt er boven grootoma’s neus en haar mondje staat strak. Zou Hij dit wel verstaan? Ook mist oma dat de mannen netjes in pak in de kerk zitten, en de vrouwen dan, die komen zelfs in lange broek, met gulp erin nog wel! Volgens haar ging het vroeger toch wel meer volgens de regels. Een beetje bezorgd zit zij daar tussen de moderne mensen van vandaag en zij vraagt zich af of het wel goed gaat met haar uit de mouwen gegroeide gemeente. Dan staat het koor voor in de kerk op en zingt een mooi lied en even later klinken de zware basstemmen van het mannenkoor door de zaal en oma kan niet voorkomen dat ze haar ogen sluit van genieting. En wanneer daarna de Sonata groep begeleid door gitaar en orgel met zachte stemmen het Stille Nacht zingt, laat oma zich door de melodie meeslepen. Haar mond staat niet meer strak en de zorgelijke rimpel is weg. Nu weet ze zeker dat alles wel goed komt.

Voor het vieren van het Honderdjarige bestaan van onze kolonie wordt er hard aan het Historische Park van Carambeí gewerkt. Het Museum is al een paar jaar geleden opgericht om de geschiedenis te bewaren. Nu wordt er een heel park omheen gebouwd. Het is in één woord prachtig geworden. Vooral ook de beelden van mensen en dieren. Die geven een speciale sfeer aan het geheel en maken dat de bezoekers altijd even iets langer blijven kijken dan dat ze normaal hun blik snel over de dingen laten glijden.

Maar hoe zouden grootopa en -oma hierop reageren? “Gij zult u geen eigen beeld maken…” staat er in de heilige geschriften. Maar och, het is ook niet met de bedoeling van eerbied gemaakt. Men moet het zien als een schilderij of foto. Een manier om een paar speciale mensen in het licht te zetten. Zij die de moed hadden te vertrekken met vrouw en kleine kinderen, naar een vreemd land, waar ze tot dan toe misschien nog nooit van gehoord hadden. Natuurlijk gingen ze met een droom in het vooruitzicht. In de reclame die ze over Brazilië gehoord hadden, was het of ze regelrecht naar het paradijs vertrokken. Ik denk weleens dat als ze geweten hadden dat ze hier in een soort tropische groene hel terecht zouden komen, ze misschien hun avontuurlijke drift wat getemperd zouden hebben. Maar ze zijn gekomen en hebben zich er doorheen geslagen al was het vaak met de moed der wanhoop.

Als grootopa het museum inloopt en daar zoveel van hun oude spullen netjes bewaard ziet, krijgt hij een brok in de keel. Dan ziet hij daar een paar personen uitgebeeld. Hij bekijkt ze met gemengde gevoelens. Aan een kant zegt zijn streng gelovige opvoeding: “Gij zult u geen eigen beeld…”, doch aan de andere kant voelt hij zich trots op de erkenning die ze krijgen van hun nakomelingen voor wat zij, grootopa’s en –oma’s, voor deze kolonie hebben betekend. Tevreden kijkt hij rond. Wat mooi!

Buiten loopt grootopa naar het beeld van de zaaiende boer dat voor het museum staat. Ja, denkt hij, inderdaad, zo zaaiden wij vroeger in 1911, honderd jaar geleden. En dat deden we ook zo in 1912, dertien, veertien, … twintig. Jarenlang hebben wij zo moeten zaaien. Als ik nu zie wat voor machines er over het land gaan…

Grootopa loopt verder het park in maar draait zich nog even om en kijkt aandachtig naar het beeld van de zaaier en mompelt dan tegen zichzelf: “Toch wel een bietjie te klén ventjie!” Hij lurkt aan zijn pijpie en loopt genietend het mooie park in. Trots op wat hij door middel van zijn nageslacht bereikt heeft.

Dit artikel is geplaatst in het maandblad De Regenboog nummer 145 – april 2011

 

 

GROOTOPA VERTELT:    Koninginnedag in Carambeí

 

door: Peter Bosch 

 

Grootopa leest in De Regenboog dat er Koninginnedag gevierd zal worden, het Oranjefeest. Opa´s pijp valt bijna uit zijn mond. Koninginnedag in Carambeí? Koninginnedag? Dat bestaat toch niet. Hij legt zijn pijp op de asbak en kijkt nog eens goed naar wat er precies staat in de krant. Oh, hij heeft zich vergist, het Oranjefeest wordt in Castrolanda gevierd.

In Carambeí wordt geen Oranjefeest gevierd en over de koningin en het koningshuis wordt niet veel gesproken. Waarom zouden ze?!

Toen in 1909 onze grootopa´s en -oma´s naar Brazilië trokken kwamen ze in Gonçalves Júnior terecht en de rest van het verhaal kennen jullie wel. Toen de situatie daar hopeloos werd, hoorde Grootopa van anderen dat de Nederlandse regering de mensen die in grote groepen uit Nederland vertrokken waren achter hun beloofde El Dorado aan, niet op hangende pootjes terug hoefden te komen. En net als de Zeeuwen een halve eeuw eerder in Espírito Santo, zijn de geronselde immigranten in Gonçalves Junior totaal aan hun lot overgelaten.

Ze voelden zich Nederlanders en vonden dat ze vanuit hun vaderland geholpen hadden moeten worden. Maar de hulp kwam niet, volgens hen had koningin Wilhelmina ze in de steek gelaten en dat terwijl ze toch zoveel naamgenoten onder de emigranten heeft. Dit is altijd tegen het zere been geweest van de allereerste pioniers.

Jaren later, in 1959, heeft prins Bernhard geprobeerd het nog een beetje goed te maken door de kolonie te bezoeken. Hij staat op een mooie grote foto in het boek Levensverhalen, uitgegeven ter ere van het 100-jarig bestaan van Carambeí, naast dominee Muller. Maar op die foto wordt de prins overschaduwd door de overheersende aanwezigheid van onze dominee, en in de tekst die onder de foto staat, wordt zijn naam niet eens genoemd. Zou dat een kleine wraakneming zijn? Grootopa grijnst.

Toen er een naam voor onze hoofdstraat moest komen, en er om ideeën gevraagd werd, kwamen natuurlijk namen naar voren als Julianalaan en Wilhelminastraat, maar er werd uiteindelijk toch maar gewoon gekozen voor Avenida dos Pioneiros.

In Castrolanda ligt het anders, daar wordt Oranjefeest gevierd. Grootopa gaat kijken en voelt zich best thuis tussen al die mooie kraampjes, de indrukwekkende molen en vooral het Boerenkoor. Dat vindt hij geweldig! Vooral als ze zingen: “Daar in dat kleine café aan de haven, daar telt je geld of wie je bent niet meer mee”. En als ze dan zingen: “De wereldproblemen opgelost tussen twee glazen bier”. Prachtig! En de rest van de middag loopt Grootopa de melodie te neuriën.

Maar toch…! Opa loopt na te denken, waarom vieren ze in Castrolanda eigenlijk dit feest? Hij komt tot de volgende conclusie: er is tegen hen, net als tegen alle immigranten die na de Tweede Wereldoorlog in Carambeí gekomen zijn, en ook in Castrolanda en Arapoti, nooit zoiets gezegd als “…op hangende pootjes terugkomen”. Nee, zij kwamen in heel andere omstandigheden naar Brazilië. Zij kwamen in georganiseerde groepen, mensen die precies wisten wat ze kwamen doen en wat ze hier te wachten stond. Er was in Carambeí al een hele Nederlandse gemeenschap, met kerk, Nederlandse dominee en leraar en een coöperatie waar ze zo mee verder konden. De hele basisstructuur was aanwezig en ze konden “moeiteloos” beginnen met boeren. Ik zet moeiteloos even tussen aanhalingstekens want, natuurlijk, ook deze immigranten hebben heel hard moeten werken en veel tegenslagen moeten incasseren, toch was het niet te vergelijken met wat onze allereerste pioniers mee hebben moeten maken.

De Hollanders in Carambeí hadden in de jaren veertig het respect van de Braziliaanse buren allang verworven. Eerlijke, hardwerkende mensen, volgens de Brazilianen. Een bezoeker uit Nederland schreef aan een vriend: “In Carambeí vind je nog het soort mensen die je vandaag de dag alleen nog maar in boeken terugvindt”.

De grote inbreng van de nieuwkomers was toen vooral het garanderen dat de Nederlandse cultuur nog jarenlang gehandhaafd zou blijven; want als ze niet gekomen waren, was de jeugd waarschijnlijk al veel eerder met Braziliaanse jongens en meisjes gaan trouwen, verder brachten ze nieuwe technologie op gebied van veeteelt en akkerbouw mee. De lijdensweg van de allereersten heeft niemand meer hoeven te gaan. Ze kwamen en konden zo meespelen met Carambeí.

Ja, de coöperatie stond klaar voor de nieuwe immigranten. In 1925 gesticht door een paar families, in de beginjaren dertig praktisch failliet, als toen dominee Muller er niet geweest zou zijn… Hij is de foto in het boek dubbel en dwars waard, vindt Grootopa.

In de beginjaren van 1940 toen er weer wat schot in de coöperatie kwam, moesten de nieuwe leden er heel wat voor over hebben om lid te worden. Grootopa herinnert zich nog dat een jonge boer even vijf van zijn beste vaarzen moest verkopen om lid te kunnen worden. Dat betekende 30% van zijn hele veestapel!

Zo loopt Grootopa voor zich uit te mijmeren en kan niet echt genieten van het feest. Hij moet denken aan het kerkhof in Gonçalves Júnior en aan al die mensen die daar liggen in naamloze graven. Mensen die hierheen gelokt zijn door slimme, bedrieglijke propaganda. Grootopa bijt op de steel van zijn pijp, staat stil en staart voor zich uit zonder iets te zien. Mensen die hier honderd jaar geleden neergezet zijn midden in het bos en ‘je komt maar terecht’. Ze hebben gezwoegd, geleden en gehuild… en nergens kwam hulp vandaan. Ze waren totaal aan hun lot overgelaten.

Het is ze achteraf gelukt om hier een nieuw leven op te bouwen, en hun nageslacht leeft nu eigenlijk in het paradijs dat toen aan hen beloofd is. Maar wat is de prijs geweest? Deze geschiedenis van bedrog en teleurstelling mag nooit vergeten worden.

Grootopa kijkt omhoog en dan gaat hem opeens een licht op. Is het wel eerlijk dat zij toen zo kwaad zijn geweest op de koningin? En dat hij het zelf eigenlijk nog is. Wat heeft de koningin toen ook alweer gezegd: “Als jullie achter dat paradijs aan gaan, hoeven jullie niet op hangende pootjes terug te komen”. Ja, denkt Opa, eigenlijk heeft zij ons alleen maar gewaarschuwd. Niemand van de regering heeft ons gevraagd of gestimuleerd te emigreren. Nee, wij gingen achter een valse droom aan en hebben niet naar de waarschuwingen geluisterd. Het is juist de Braziliaanse regering geweest die haar beloftes niet is nagekomen. De Braziliaanse regering hoort eigenlijk haar verontschuldiging aan te bieden aan alle bedrogen immigranten van toen. Nederlanders, Duitsers, Zwitsers, Italianen, allemaal mensen die ze op een handige manier naar Brazilië gelokt hebben met het doel om het volk te “witten”, nadat de slavernij is afgeschaft.

Opa voelt zich helemaal licht worden na deze conclusie. Hij hoort opeens de mooie Hollandse muziek weer uit het draaiorgel. Hij ziet de oranje wimpels in de wind wapperen en hij voelt zich weer blij. Het is niet ons koningshuis waar hij teleurgesteld over moet zijn… gelukkig niet. Nu vindt Opa het jammer dat de naam van prins Bernhard niet vereeuwigd is in het boek. Hij vindt zelfs dat Carambeí ook eens moet gaan nadenken over het herdenken van dit feest… we hebben er nu een prachtige gelegenheid voor. En het houdt de Hollandse cultuur hoog. Verlicht en blij loopt Grootopa verder tussen de feestvierende mensen, mee neuriënd met de muziek van het Boerenkoor.

 

Geplaatst in De Regenboog: Mei 2011

 

CARAMBEÍ – OVER SCHERPSCHUTTERS EN KRACHTPATSERS

  • door Peter Bosch

Toen in het begin van de vorige eeuw onze grootopa´s en oma´s naar Brazilië vertrokken, was de Boerenoorlog in Zuid-Afrika net een paar jaar afgelopen. De verhalen over die oorlog zijn de wereld rondgegaan en hebben de boeren beroemd en berucht gemaakt als de beste schutters die er bestonden. Stuk voor stuk scherpschutters. Eigenlijk waren deze Zuid-Afrikaanse boeren al vóór deze oorlog tegen de Engelsen berucht doordat ze hele legers negerstammen slechts met een handjevol scherpschutters versloegen en soms zelfs uitmoordden.

Grootopa heeft die boeken allemaal gelezen en hij kent de verhalen van Pieter Maritz en de Wessels-familie uit zijn hoofd.

Bijna alle jongens die hier in Carambeí geboren zijn in de twintiger en dertiger jaren hebben deze boeken gelezen. Zij droomden dat ze ook zulke scherpschutters waren. Hollanders in Afrika, net als zij zelf, Hollanders in Brazilië. En in feite hebben ze dat ook getoond. In die tijd was wapenbezit en jagen op herten helemaal vrij. Geen haan die er naar kraaide als er toen een jochie van twaalf jaar met een geweer rondliep dat groter was dan hijzelf. De jongens van die tijd hebben hun dromen uit kunnen leven. Dat er geen ongelukken gebeurd zijn, is natuurlijk een waar wonder, want ze maakten zelf hun munitie. Ze vulden de hulzen met kruid, dan de kogel erop… goed aanstampen en maar schieten. Deze hulzen barstten soms wel eens naar achteren zodat de schutter de vlam in zijn gezicht kreeg. Ik denk niet dat de jongens dat aan hun papa en mama vertelden.

Grootopa weet nog goed dat de eerste Hollandse Brazilianen naar het leger moesten in Castro. De Carambeíanen zijn daar beroemd geworden als de beste schutters van de kazerne, zoals Alois Esser en Kees de Geus die kampioen is geworden tijdens zijn diensttijd. Vijfhonderd meter afstand, en hij schoot midden in de roos. Het was die dag waarschijnlijk wel windstil!

De eerste Carambeíanen die in dienst moesten, zo midden jaren dertig, voelden zich de eerste dagen niet zo op hun gemak in de kazerne. Ze waren totaal anders opgevoed dan hun Braziliaanse collega’s. Toen in 1913 de families De Geus, Los, Voorsluys en Harms in Carambeí arriveerden, vormden zij samen met de Verschooren en Vriesmannen een Hollandse bevolking van 52 personen. Zij leefden in de kolonie samen met veel Duitsers die hier al een jaar of zeven à acht woonden. Maar de Duitse kolonie liep niet goed en toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, was het al snel helemaal gedaan. Keizer Wilhelm had wel andere zorgen aan zijn grote snor hangen dan zich druk te maken over het Projekt – Landbau und Colonisation Carambehy -, in Brazilië. Dus het duurde niet lang of Carambeí was helemaal in handen van die paar Nederlandse families.

In de praktijk leefden de families in Carambeí eigenlijk als één grote familie met alle voor- en nadelen van dien. Ze hielden van elkaar, ze roddelden onder elkaar en wisten alles van elkaar en ruzieden met elkaar, maar toch … als puntje bij paaltje kwam hielden ze elkaar allemaal vast zoals broers en zusters dat doen.

Maar door deze samenleving hadden de jongens en meisjes amper contact met de buitenwereld en leefden hier in een soort beschermde oase. Dus toen onze jongens in het leger kwamen, voelden ze zich daar totaal vreemd. De taal hadden ze wel zo´n beetje geleerd, maar ze spraken het met een sterk accent waardoor ze altijd direct de bijnaam Holandes of Alemão kregen. Thuis waren ze opgevoed met bidden vóór het eten, en danken erná, en ook nog een stuk uit de Bijbel lezen ´s middags ná het eten. Maar in de kazerne kwamen ze tussen een stel van die wilde Brazilianen terecht die dat helemaal nooit deden. De jongens leerden daar dus voor het eerst een beetje werelds te leven.

Doch, eenmaal over de eerste schok heen, hadden zij het al gauw geweldig naar hun zin. Ze waren gewend om heel vroeg op te staan en de hele dag te werken tot ‘s avonds laat. Terwijl het leven in de kazerne door hun collega’s als zwaar werd ervaren, was het voor de Carambeíanen niks. Voor onze jongens was het lekker uitslapen want ze werden pas om zes uur gewekt door brullende sergeants. Thuis moesten ze vaak om vier uur opstaan om de koeien te halen en te melken.

De jonge Holandeses waren al gauw bekend als prima schutters, ijzersterk en absoluut betrouwbaar.

De meestal kleine Brazilianen, keken met ontzag naar sommige van onze reuzen. Grootopa weet nog het verhaal van Ai de Geus en Willy Verschoor. Die waren samen in het leger. Ai had de kracht van wel drie Brazilianen samen. Op een dag was hij ondeugend geweest en moest in de bak. Willy liep over het terrein toen hij opeens een brul hoorde. “Hee, Willy!!”. Verbaasd keek Willy omhoog en zag daar Ai half uit de gevangenis hangen. Hij had de tralies opengebogen zodat hij er met zijn hoofd makkelijk door kon. Stomverbaasd stond Willy naar z’n vriend te kijken. Door het gebrul van Ai kwamen er nog meer kijken wat er aan de hand was. Een kapitein vloog kwaad naar boven. “Wie heeft die tralies kapotgemaakt?” – Met gebogen hoofd torende Ai boven de kapitein uit. “Ik, Kapitein” – zegt hij dan. De kapitein keek eens naar de armen en machtige borst van onze Holandes, maar kon het toch niet helemaal geloven. “Buig ze dan weer dicht”- commandeerde hij. Ai draaide zich om, pakte de stangen beet en boog deze weer op hun plek. De kapitein was zo onder de indruk dat hij Ai maar weer losliet.

Grootopa vindt het vreemd dat hij nu in Carambeí niemand meer vindt die in het leger zit. Vroeger was dat anders. In de dertiger en veertiger jaren gingen onze jongeren naar de kazerne in Castro. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden veel jongeren die in Nederland geboren waren opgeroepen om in Nederland in het leger te dienen. Sommigen van onze Braziliaanse Hollanders moesten in Brazilië in het leger. Van de De Geuzenjongens heeft niemand tijdens de oorlog naar het leger gehoeven, daar heeft de gouverneur van Paraná, Manoel Ribas, indertijd voor gezorgd. Daan Los heeft tijdens de oorlog in Castro gelegen. Hij weet nog goed dat ze regelmatig moesten oefenen met snel paarden gereedmaken voor de strijd, mocht die eens uitbreken. Maar Daan, als echte nuchtere Hollander, vond dat allemaal maar zeer nutteloos want volgens hem zou de oorlog allang afgelopen zijn voordat zij hun paarden voor de kanonnen gesjord zouden hebben.

Later zijn er nog velen in dienst geweest. In de gelederen van Rio de Janeiro, in de jaren vijftig, toen deze stad nog de hoofdstad van Brazilië was, kon je namen vinden als Harms en Elgersma tussen al de Silva´s en Gomes’.

Daarna zelfs in nóg hogere sferen. In de jaren zeventig liepen er Aardoom- en Dijkstrajongens wacht rond het regeringspaleis in Brasilia. Dat was anders wat!

In de eindjaren zestig waren er al heel wat Carambeíanen in dienst geweest. Maar geen een die er nog echt zin in had. Eén van onze jongens, Klaas, vroeg aan een veteraan of deze geen goeie manier wist om aan de dienstplicht te ontkomen. De veteraan gaf Klaas de tip om zich heel dom te houden want “dan word je gelijk ontslagen”. Klaas maakte zich een beetje zenuwachtig want hij had nog nooit toneelgespeeld en wist niet precies hoe hij zich moest gedragen om dom te lijken. Eenmaal op de keuringsdag was Klaas aardig van streek en besloot toch maar gewoon te doen want anders kon hij weleens in de problemen komen. Hij werd naar binnen gestuurd en stond zenuwachtig in zijn onderbroek voor een man met streng gezicht waarvan hij dacht, “die vent heeft van zijn levensdagen nog niet gelachen”. De Commandant vroeg: “Náám!”. Klaas schrikt en zegt: “Wat?”. Als hij al in het leger gezeten had, was hij natuurlijk regelrecht de bak in geslingerd, maar deze keer hield de commandant zich in en vroeg: “Hoe heet jij?”. Klaas keek om zich heen en vroeg: “Wie, ik?”. De commandant barstte bijna en gaf een brul: “Eruit jij … !!!”. Dus Klaas had zijn doel bereikt al had hij nog niet precies door hoe hij dat eigenlijk klaargespeeld had.

Dus zo liepen er in die jaren in het Braziliaanse leger jongens rond die luisterden naar namen als Hennie, Haije, Auke, Kees, Leen… Alleen Klaas hoorde je niet, nee, die was het leger te slim af.

Grootopa herinnert zich één van onze Hollanders die carrière heeft gemaakt in het leger. Jan Vriesman, beter bekend als Jan Fabriek, heeft het tot kapitein gebracht en is zelfs naar Egypte gestuurd in 1960, toen de Verenigde Naties zorgden voor de bescherming van het Suezkanaal dat pas weer geopend was.

Dat men nu absoluut geen wapens meer in huis mag hebben, vindt Grootopa toch wel jammer. Ergens kan hij het natuurlijk wel begrijpen, maar toch… Het gaf vroeger een zekere sfeer, dat jagen op herten, capivara’s en vossen. Hij zal nooit vergeten hoe Kees van Jannigie hem kleurrijk vertelden hoe deze samen met Jan van Kampie drie herten hadden geschoten. Kees woonde boven op de heuvel bij het Wolvenbos en Jan had zijn bedrijf op de andere heuvel dat ‘Het Kampie’ werd genoemd. Lopend is de afstand zo’n twee kilometer maar hemelsbreed misschien zevenhonderd meter. Jan en Kees waren neven en heetten beiden De Geus van hun achternaam, en ze waren beiden met twee nichten getrouwd die allebei Jannigje heetten en Vriesman van hun achternaam. Dus alles in familie. Het was melkenstijd. Kees en Jannigje zaten onder de koe. Opeens hoorde Kees een schel gefluit. Dat moet Jan zijn! Hij liet de koe staan en ging kijken. Ja, daar stond op de andere heuvel Jan te seinen. Ze waren zo op elkaar ingespeeld dat Kees precies begreep wat Jan bedoelde. Jacht… drie herten… op het kamp… stuur je hond… wij wachten ze op in het bos… hun vluchtpad…

Kees wist precies wat hij moest doen. Ten eerste, ophouden met melken, daar zorgde Jannigje wel voor, en zijn geweer pakken. Ten tweede, zijn hond naar de herten sturen, die zal de beesten op de vlucht jagen en Jan en Kees wisten precies waar ze heen zouden vluchten, naar het bos onder aan de rivier en daar zouden de twee Nimrods de beestjes opwachten.

Even later zaten Jan en Kees verscholen in het bos, ieder aan een kant van het pad. Daar kwam het eerste hert. Jan mocht het eerst schieten want de beesten liepen op zijn land. Dus hij mikte zorgvuldig en schoot. Mis! Kees had het beest ook al op de korrel, trok de haan over en daar lag het hert, morsdood. Daar kwam het tweede hert. Jan schoot… Weer mis! Kees schoot, en daar lag het tweede hert. Kees kon uit de verte zien dat Jan helemaal overstuur was. Zoiets was hem nog nooit overkomen. Het derde hert kwam schichtig aanlopen. Het noodlot sloeg toe. Jan schoot weer mis en Kees legde het beest neer. Grootopa weet nog dat Kees Jan heeft moeten beloven dit nooit aan iemand te vertellen. ‘Natuurlijk niet’- had Kees gezegd; maar ja, zo’n prachtig verhaal is niet geheim te houden, dus diezelfde avond nog…

Dit artikel is geplaatst in het maandblad De Regenboog nummer 148 – Juli 2011

 

 

FIETSEN IN CARAMBEÍ

 

door: Peter Bosch

 

Eén van de redenen dat Jan Verschoor naar Brazilië emigreerde, was dat hij het zat was om in Nederland in weer en wind op de fiets zijn kost te moeten verdienen. Hij was in Zuid-Holland vertegenwoordiger van de Singer-naaimachines. Jan leed aan astma en het klimaat dat hij moest trotseren tijdens zijn fietsreizen deed hem geen goed. Toen hij naar Brazilië emigreerde, heeft hij zijn fiets dan ook niet meegebracht.

Arie de Geus, de oudste zoon van de patriarch Aart Jan de Geus, handelde in ´s Gravendeel in fietsen. Arie is als voorloper in 1912, samen met zijn broer Leen en zwager Jacob Voorsluys naar Carambeí gekomen, gelokt door de verhalen van Jan Verschoor die hier al woonde sinds 1911. Toen de rest van de familie De Geus naar Brazilië kwam in 1913, heeft Arie een lading fietsen mee laten komen omdat hij dacht dat die hier een gat in markt zouden zijn, maar dat viel tegen. Ten eerste moet je hier in Brazilië heuvel op heuvel af, en ten tweede was er in die tijd in Carambeí alleen een soort pad dat goed was voor paard en sjees maar voor een fiets bijna onmogelijk te berijden. Ook de fietsenverkoop in de stad Ponta Grossa liep niet denderend. Er waren maar een paar straten geplaveid met ronde hobbelsteen waartegen de Nederlandse fietsbanden niet goed bestand waren. De fiets is nooit echt een veelgebruikt vervoermiddel in Carambeí geweest.

Maar er komt verandering in; niet alleen in Carambeí trouwens, maar in heel Brazilie.

Doch, het is niet zoals men verwachten zou een vervoermiddel geworden, nee, de fiets wordt praktisch alleen maar voor de sport gebruikt.

Pas zat ik op het straatje naar de tuin te kijken toen er een stuk of vijf, zes fietsers voorbijkwamen. Niet zomaar fietsers die voor hun plezier een rondje reden, nee, deze mannen zagen eruit of ze aan één of andere wedstrijd meededen. Ze stopten onder onze grote kapokboom om wat uit te blazen in de schaduw. Toen ik wat beter keek, zag ik dat het maar gewoon amateurs waren die gezond trachtten te blijven. Maar ik was bang dat deze mannen een beetje te ver gegaan waren met gezond proberen te blijven, want er waren er een paar bij die volgens mij beter verder konden gaan met een ambulance. Hun ogen stonden bol en waren vuurrood en het zweet liep in stralen van het voorhoofd. Ze kwamen uit Ponta Grossa en hadden er dus al zeker zo´n 30 kilometer op zitten, berg op berg af. En nu moesten ze weer helemaal terug!

Maar nou komt de moraal van het verhaal. Doordat de fiets niet gebruikt wordt als gewoon vervoermiddel, maar slechts voor de sport, wordt er ook verwacht dat men zich ernaar kleedt. Je kan niet zomaar met gewone kleren op de fiets gaan zitten. Hoe oud je ook bent! Van dichterbij bekeken waren de fietsers allemaal mannen van over de veertig jaar, maar… een sporttenue dat ze aanhadden! Nou, om je dood te lachen. Net balletdansers met hun ballroomblitzgekleurde strakke broeken om hun niet weg te moffelen ronde welvaartsbuikjes geplakt… ze hadden beter kunnen gaan diepzeeduiken met die pakjes. Hoewel de flikkerende kleuren alle vissen zouden hebben afgeschrokken.

Je houdt het niet voor mogelijk wat mode doet met mensen. Je weet echt niet wat je ziet als je daar zo´n stelletje aan ziet komen fietsen, kromgebogen over hun stuur. Alles is aerodynamisch, van helm tot strakke hemden en broeken. Hoe hard de tegenwind ook is, niks beweegt er aan het lichaam, de lucht vloeit over ze heen alsof het niks is.

De helm heeft ook al zo´n eigenaardig design, er zit een punt aan die naar voren steekt, ook al voor de aerodynamica, denk ik. Maar als je dan zo´n fietser van voren aan ziet komen met helm diep getrokken over z´n zonnebril, lijkt het net een soldaat uit de Eerste Wereldoorlog met gasmasker op, maar dan in alle kleuren van de regenboog.

Ik kan het niet laten. Ik zie Grootopa weer lopen langs de Avenida dos Pioneiros, lekker lurkend aan z´n pijpie, genietend van het mooie weer. Daar komt dan zo´n fietser aan. Opa staat stil om goed te kijken wat dat eigenlijk is wat daar zo hijgend op de fiets aankomt. Dan, als hij het masker ziet, schrikt Opa en instinctmatig krimpt hij een beetje in elkaar terwijl hij zich alle kanten uitdraait om te kijken waar de gele, dodelijke wolk mosterdgas vandaan moet komen. Gelukkig blijkt de hemel schoon te zijn en nergens is iets vreemds te zien.

Als de fietser voorbij is, kijkt Grootopa hem nog lange tijd na, niet gelovend wat hij ziet. Bij iedere trap glijden de in strakke broek gewikkelde billetjes van de ene naar de andere kant op het gladde, dunne fietszadel. Zoiets had Opa nooit verwacht nog eens te zien. Toen hij er zeker van was dat de fietser hem niet meer kon horen barstte Opa uit in een schaterlach. Met tranen in zijn ogen staat hij nog enige tijd na te snikken. Nu had hij weer eens een prachtig verhaal om thuis aan Oma te vertellen. Opa moest weer lachen toen hij zich voorstelde hoe die fietser er van voren uitziet in dat strakke pakje, staande naast zijn fiets… Jammer dat Arie de Geus deze tijd niet mee kan maken, denkt Opa, nu is er tenminste markt en afzet voor fietsen. Al zijn het natuurlijk niet meer van die oerdegelijke, zware mannenfietsen die hij honderd jaar geleden importeerde uit Nederland en waar Kees de Geus iedere zaterdag op naar Ponta Grossa fietste over een weggetje vol stenen, gaten, zand en modder als het regende, om bij zijn Jannigje te wezen. Nee, vandaag de dag zijn het vederlichte fietsen met 36 versnellingen… Kees had slechts de kracht en motivatie gedreven door de liefde.

Maar nu weer even serieus. We moeten eerlijk blijven. Ik steek nu wel de gek met die strakke broeken van onze atleten, maar die zijn tweehonderd jaar geleden ook al mode geweest, al waren ze toen niet zo kleurrijk. In de jaren zeventienhonderd en de eerste helft van de jaren achttienhonderd hadden de elite en hoge officieren allemaal van die strakke, witte broeken aan. Goed hoog opgetrokken tot ver boven de navel. Kijk maar eens naar een schilderij van de historische helden uit die tijd. We zien Napoleon staan in zijn witte broek en we kijken niet eens vreemd op, weet u hoe dat komt? Dat komt omdat ze toentertijd slim waren. Zo´n strakke broek tussen je benen verraadt namelijk heel veel. Moet je eens indenken hoe zo´n broek je staat in de winter als het vijf graden vriest! Wees er maar zeker van dat iedereen gelijk weet hoe koud jij het hebt, mijn vriend.

En wat hebben de mannen van toen gedaan om niet om hun mannelijkheid bespot te worden? Heel simpel, net als de vrouwen die in de vorige eeuw ontdekten dat je met een opgevulde beha jarenlang de mannen voor de gek kan houden, gebruikten onze historische helden een opgevulde “peha”. Wat ik met “peha” bedoel laat ik aan ieders eigen fantasie over.

Wie mij niet geloven wil, moet de volgende keer als hij naar een schilderij van de helden van toen kijkt maar eens goed opletten. Dat is cultuur die je op school niet leert.

Maar we gaan weer terug naar onze fietsen. Fietsen is inderdaad heel gezond. Jammer dat het zo moeilijk te beoefenen is in ons Carambeí. In het boek “Over Levensverhalen Vertellen I” uitgegeven ter ere van het 100-jarig bestaan van Carambeí, schrijft de heer Rodrigo Horochovski het volgende: “Langs de Avenida komt men verschillende industrieën tegen, veel winkels en grote, comfortabele woningen. Degene die goed oplet ziet iets wat men niet vaak in een Braziliaanse stad tegenkomt: bijna langs de gehele Avenida ligt een fietspad waar fietsers rustig kunnen rijden en dat zijn er heel wat in deze stad”.

Wat ik hierover wil zeggen is dat je wel echt met de analytische blik van Grootopa moet kijken wil je langs de Avenida een fietspad zien waar fietsers “rustig“ kunnen rijden. En ik wil langs deze weg alle fietsers in Carambeí waarschuwen dat als je dat fietspad gaat gebruiken je ook echt dat strakke fietserstenue aan moet trekken, in alle kleuren van de regenboog, zodat je goed opvalt en niet voor je sokken gereden wordt.

 

Dit artikel is geplaatst in het maandblad De Regenboog nummer 147 – in Juni 2011 

 

 

 

GROOTOPA VERTELT: AFSCHEID

 

door: Peter Bosch

 

 

Carambeí is op z’n mooist, de zon schijnt, de vogels zingen in de bomen en een koele, zachte bries streelt de bladeren. Opa loopt genietend aan z’n pijpie lurkend de kant van de school uit, de Escola Evangélica. Hij komt de auto’s tegen van moeders die net hun kinderen hebben geloosd. Ja, dat ging vroeger wel even anders, dacht Opa, toen kwamen ze lopend of te paard, hoe klein de kinderen ook waren.

Opeens hoort hij een kwaad hoog stemmetje van een kind. Opa loopt verder en ziet hoe een moeder haar jochie probeert over te halen om de school binnen te gaan. In de school is het een hels lawaai van kinderstemmen en soms een chagrijnige krijs van een juffrouw die probeert de orde te herstellen. Grootopa kan zich eigenlijk best voorstellen dat het kleine jochie geen zin heeft om naar binnen te gaan. Hij kan zich niet herinneren dat vroeger meester Keimpe ooit zó heeft lopen krijsen om de kinderen in bedwang te houden.

Grootopa loopt vlak langs de twee heen en hoort hoe de jonge moeder het kind probeert te overtuigen dat het in school heel leuk is en dat hij daar héél veel gaat leren. Hij kijkt naar het jongetje en ziet de bedelende blik van ‘nee, mama, laat me niet hier’, tranen staan in zijn grote blauwe ogen. Grootopa ziet het tafereeltje aan en opeens lijkt het of hij weer honderd jaar geleden op de kade van de haven stond, klaar om aan boord van het schip te gaan en te vertrekken naar Brazilië.

De kade staat vol mensen. Velen zouden die dag vertrekken en de hele familie en alle vrienden zijn gekomen om hen vaarwel te zwaaien. Het is een triest gezicht. De mensen zijn gekleed in bruine of grijze kleding, zoals toen gewoon was, en alle mannen droegen een hoed of pet. Het weer is mistig en het zeewater bruin met witte schuimkoppen op de golven die dreigend tegen de wal slaan. Opa kijkt naar de verte maar kan geen horizon zien, het water en de mistige lucht lopen ineen in het oneindige. De mensen zijn gespannen en velen huilen, vooral oma’s en kinderen. Slechts wat jonge mannen lopen overmoedig hard pratend en lachend in het rond, voor hen is dit louter het begin van een avontuur. De moeders houden hun kinderen angstvallig vast.

Er zijn ook velen wier familieleden al eerder zijn vertrokken, sommigen al een paar jaar eerder. Een jonge vrouw met een jongetje van een jaar of vijf duwt een man die naast Grootopa staat een brief in de hand en zegt: ‘Zoekt u alsjeblieft mijn man op. Hij is al drie jaar weg en sinds een jaar laat hij niks meer van zich horen. Zeg hem dat Hanna en kleine Jan op hem wachten. Doe het alsjeblieft’. De vrouw loopt weg, het jongetje meeslepend die nieuwsgierig alle kanten uitkijkt. Grootopa ziet de man naar de brief kijken alsof hij de naam van de geadresseerde vader goed in zijn geheugen wil prenten. Dan vouwt-ie de brief dubbel en stopt hem in de binnenzak van zijn jas.

Ja, veel jonggetrouwde mannen zijn gegaan met de droom om in Brazilië snel rijk te worden en dan later de familie op te halen. Een droom die op niets is uitgelopen. De meesten van hen zijn blut teruggekomen en sommigen zijn zelfs nooit meer teruggekomen, ze zijn in Brazilië gestorven, hebben hier een andere vrouw gevonden of zijn gewoon verdwenen in dit immense land en hebben nooit meer iets van zich laten horen.

Honderd jaar geleden… in de beginjaren negentienhonderd was Grootopa in de kracht van zijn leven, net in de dertig, en dacht dat hij alles aankon. Maar daar aan de kade, klaar om aan boord van het schip te klimmen, kreeg hij een beklemmend gevoel in zijn borst. Hij keek naar zijn vrouw die hun kinderen in de gaten hield, maar toch dicht bij haar eigen moeder bleef staan, hij voelde een schuldgevoel in zich opkomen en vroeg zich af: ‘Doe ik het wel goed?’ Hij had zich toen nooit kunnen voorstellen dat hij binnen de volgende zeven maanden drie brieven zou moeten schrijven om de familie in Nederland op de hoogte te stellen van het feit dat zijn twee kinderen en vrouw gestorven waren… begraven op het kleine kerkhof in Gonçalvez Junior. Een kerkhofje zonder kerk.

Grootopa kan zich de beschuldigende gezichten van zijn schoonouders voorstellen. Zij hadden hem toen nog gevraagd: ‘Ga jij echt onze dochter en kleinkinderen meeslepen naar dat apenland?’ Als hij daaraan denkt, krijgt hij nog steeds een brok in de keel.

Maar waarom vertrokken toen al die mensen eigenlijk? Was het alleen maar om het beloofde El Dorado te vinden? Of was het in Nederland ook niet allemaal koek en ei?

Rond de twintigste eeuwwisseling was het in Nederland een armzalig leven. Het verschil tussen de elite en de gewone mens was zeer groot en hun levens werden als het ware gescheiden door een heel hoge muur. Maar de gewone mens begon zich hiertegen te verzetten. En de beste manier die ze vonden was staken. Eén van de belangrijkste stakingen was die van de spoorwegen in 1903. Het resultaat was dat de mensen en masse ontslagen werden en het werkloosheidscijfer vloog omhoog.

In die tijd verdiende een gewone arbeider rond de 10 gulden in de week. Daarvoor moest hij zo’n 15 uur per dag werken, soms ook op de zondag. De kindersterfte was heel hoog. Naar veiligheid op het werk werd niet gekeken, en de werktijden waren gewoon slaafs. Het werken aan de haven, bijvoorbeeld, was in die tijd bijzonder gevaarlijk en bedrijfsongelukken waren aan de orde van de dag. Alleen al in het jaar 1907 zijn er over de vierduizend doden en gewonden gevallen in de havens van Amsterdam en Rotterdam en werktijden van 72 uur werden toen normaal geacht.

De gewone mens leefde zeer armzalig, zonder elektriciteit, en had ’s avonds slechts een olielamp aan. Ze werkten zich overdag uit de naad en lagen ‘s avonds om acht uur al in bed. Het enige vertier dat ze hadden, was zich te bezatten in de kroeg en op de zondag naar de kerk, waar ze door hun vrouw of moeder naartoe gesleept werden.

Het schijnt dat de staking van de havenwerkers in Rotterdam voor velen het springlont is geweest om te emigreren naar Brazilië. Ze waren ontslagen en hadden geen perspectief om in Nederland weer snel aan de bak te komen. Het werkloosheidsniveau rees de pan uit, niet alleen voor havenwerkers maar voor alle mensen in het land. Dus honderden besloten om te vertrekken toen ze de fantastische verhalen over het groene paradijs hoorden. Velen waren van plan om maar voor een paar maanden te gaan, veel geld te verdienen en dan weer terug te komen naar het vaderland … maar dan wel in volle glorie en met veel centen op zak. Daarom vertrokken die mannen alleen en lieten vrouw en kinderen achter.

Een van de problemen was dat de grote meerderheid die naar Brazilië vertrok nog nooit van zijn leven een radijsplantje gezaaid had of een spa in handen had gehad, en in Brazilië zouden ze een stukje land krijgen om de grond te bewerken en om van de oogsten te moeten leven … Er waren toen maar weinig emigranten die in Nederland met grond of dieren hadden gewerkt. Degenen die een vak hadden zoals timmerman, metselaar of gewoon boerenzoon die zouden zich overal op de wereld kunnen redden. Maar tussen de emigranten die toen naar Brazilië vertrokken, waren er maar weinigen die vakkennis hadden, de meesten waren havenwerkers of spoorwegwerkers, vertegenwoordigers, fabrieksarbeiders enz…, ze hadden eigenlijk maar één ding gemeen en dat was: ze hadden allemaal geld nodig.

Grootopa weet nog dat hij zich daar wel een beetje druk over had gemaakt, omdat hijzelf ook alleen maar wist hoe je groente bij de groenteboer kon krijgen, en niet hoe je die moest telen. Maar hij liet deze handicap zijn plan niet overschaduwen. Hij wilde eigenlijk gewoon wég uit Nederland. Hier lag geen toekomst meer voor hem of voor zijn kinderen. Alle tegenspraak werd in de wind gegooid. Wij gaan … klaar. Een voorbeeld van hun doorzettingsvermogen was dat toen aan boord Mina, de vrouw van Leen Verschoor, haar gevoel van onzekerheid liet blijken, haar schoonzuster Rookje zei: ‘We hebben “A” gezegd, Mina, nu moeten we ook “B” zeggen’.

Dus, daar stonden ze dan, klaar om aan boord te gaan. Het was tijd om de grote koffers naar boven te zeulen. Ze gaven de familie nog een laatste omhelzing en de kinderen die zouden achterblijven een knuffel, en klimmen dan de trap op. Boven kijken ze nog even om en zien daar de familie dicht tegen elkaar aan staan. Het was ondertussen zachtjes gaan regenen en de mensen aan de wal hadden de paraplu’s geopend zodat je alleen nog een massa zwarte paraplu’s boven mensen met bruine of grijze kleren zag die op hun beurt weer één werden met de grijze stenen van de kade. Grootopa pakt zijn eigen jochie bij de hand en zei: ‘Kom, we moeten naar binnen, blijf bij mama in de buurt’. Hij voelt het kind een beetje tegenstribbelen. Dan ziet hij zijn zoontje hem aankijken met grote tranen in zijn ogen: ‘Wij komen toch wel weer gauw terug naar opa en oma, papa?’, vraagt hij met een klein stemmetje.

Grootopa schrikt opeens wakker uit de droom van zijn herinneringen. Hij ziet dat het moedertje de tranen van het gezicht van haar zoontje weggeveegd heeft en hoort haar zeggen: ‘Zo, en nu ben jij een grote jongen en ga jij naar school’. Het jochie kijkt wat zelfbewuster en zegt: ‘Tá bom… maar als ik groot ben ga ik naar een land waar geen scholen bestaan!’ En daar kon moeder het mee doen.

Het joch draait zich om en loopt de school binnen met een rugzak die bijna net zo groot is als hijzelf. Grootopa glimlacht en denkt bij zichzelf: ‘Zo is dat, mijn klein manneke!’ Hij haalt een doosje lucifers uit zijn zak en steekt voorzichtig z’n pijp weer aan die uitgegaan was. Hij blaast de rook de lucht in en loopt mijmerend over zijn herinneringen verder. 

Dit artikel werd geplaatst in het maandblad De Regenboog nummer 149 – Augustus 2011

 

 

IN DE KERK

 

 

door Peter Bosch

 

 

Grootopa zit, zoals gewoon, vijfentwintig minuten voor de dienst begint al in de kerk. Het is warm al is het nog midden in de winter. Er klinkt een zachte muziek uit de luidsprekers. Opa luistert wat beter en herkent het lied Amazing van Thomas Newton. Om zo´n mooi lied te maken zou je je toch voorstellen dat Thomas Newton een monnik was die helemaal alleen in zijn donkere kloosterkamer zat toen hij hieraan werkte, met geen ander licht dan een kleine kaarsenkandelaar. Niks is minder waar. Thomas Newton leefde in de tweede helft van de jaren zeventien honderd en was kapitein op een schip dat slaven transporteerde van Afrika naar Noord-, Midden- en Zuid-Amerika , en terwijl onder in het donkere ruim de mensen huilden en stikten in hun eigen vuil zat Thomas in zijn kapiteinkajuit één van de prachtigste melodieen te schrijven die er ooit gecomponeerd is.

Grootopa ziet steeds meer mensen de kerk binnenkomen, praktisch in dezelfde volgorde en op dezelfde tijd als iedere zondag. Ook de laatkomers zijn altijd dezelfden. En zoals  iedere week weer, gaat iedereen op zijn “eigen” plek zitten, of in ieder geval er dichtbij. Hij ziet ook verschillende stelletjes waarvan de man of vrouw braziliaan is en misschien oorspronkelijk uit een heel andere kerk komt. Maar dat geeft vandaag de dag gelukkig niks meer. Opa herinnert zich dat zijn kleindochtertje hem eens vroeg –‘Opa, wat is eigenlijk het verschil tussen presbiteriaan, protestant, evangelisch, gereformeerd, hervormd, luthers en katholiek?’- Hij had toen eerst heel geleerd naar boven gekeken, diep nagedacht, en toen eerlijk moeten toegeven dat hij daar geen uitleg voor had. ‘Mijn lieve kind, dat moet je toch maar aan de dominee vragen’- heeft hij toen voorgesteld. Of het meisje daar ooit de moeite voor heeft genomen weet Opa niet.

Precies om tien uur gaat de deur van de konsistoriekamer open en komen de diakenen, de ouderlingen en de dominee binnen. De laatste ouderling geeft de dominee plechtig een hand en doet de deur achter zich dicht. Grootopa is nieuwsgierig wat de ouderling eigenlijk zegt tegen de dominee, zou dat nog hetzelfde zijn als vroeger, een gezegende dienst, of zou hij hem maar gewoon succes wensen?

De dienst begint. De liturgie is door de jaren heen gelukkig niet veel veranderd vind Opa, alleen de psalmen en gezangen die gezongen worden zijn niet meer ouden. Er worden veel liederen gezongen die Opa nog nooit gehoord heeft en hij mist de psalmen waar hij zo lekker méé kon galmen.

Na het gebed en de informaties over de gemeente roept de dominee de kinderen op om naar de zondagschool te gaan en dan gebeurt er iets waar Grootopa zich iedere zondag weer over verbaasd. Als hij gedurende het zingen en gebed voorzichtig rondkijkt ziet hij op z´n hoogst een stuk of drie kinderen, maar wanneer de dominee de kinderen oproept voor de zondagschool doemen er plotseling over de dertig kinderen uit het niets op, en als ze weg zijn merk je eigenlijk niet eens dat ze in de kerk waren.

Grootopa kijkt rond, ziet de mensen zitten en herkent nog bijna alle families van vroeger. Velen zitten nog op de plaats waar in de jaren zestig zij als kinderen met hun ouders zaten. Je kan nu in het jaar 2011 bijna niet meer spreken van een kolonie, daar zijn we te groot voor geworden en te veel gemengd met mensen van buiten, maar toch is het nog steeds een gemeente van mensen die heel dicht bij elkaar staan. De kerk is altijd het middelpunt van de gemeente geweest en geeft veel mooie herinneringen. Hij denkt dan aan de kerstdiensten en trouwerijen of het dopen van een kleinkind, maar ook zoveel trieste herinneringen en hij denkt aan de rouwdiensten die hier gehouden zijn, zo triest, vooral van kinderen en jonge mensen. Een totaal verslagen gemeente zat er dan in de kerk te kijken naar een kist, of soms twee, overdekt met een zwarte doek. Er bestaat geen grotere pijn voor de mens dan het verliezen van een kind, dat is tegen de regels van de natuur in, en het is toch zo vaak gebeurt in Carambeí, Castrolanda en Arapoti. Opa krijgt het moeilijk als hij denkt aan het verdriet die de ouders hebben moeten verdragen en schudt even zijn hoofd als om die nare gedachten weg te schudden. Op zulke momenten merkt iedereen het weer hoe fijn het is om te weten dat je in een gemeente woont, tussen mensen die je kan vertrouwen en die elkaar proberen te helpen als de last te zwaar wordt om alleen te dragen. Ja, daar is Grootopa zeker van, de kerk is niet weg te denken uit onze kolonies, hoe groot en rijk we ook worden.

Hij denkt aan de jaren zestig De kolonie bestond toen al meer dan vijftig jaar, maar was nog echt een kolonie in de ware zin van het woord en het Nederlandse was nog praktisch de dagelijkse voertaal. Alle families hadden een schare kinderen en in de kerk had iedere familie zijn vaste bank, sommige hadden zelfs twee banken nodig.  Dat was een mooie tijd vond Opa, misschien wel de mooiste tijd die de kolonie gekend heeft.

In die tijd werden alle volwassenen door de kinderen Oom en Tante genoemd, of ze familie waren deed er niet toe. De kans was natuurlijk zeer groot dat het een echte oom of tante was, want door de jaren heen waren alle families wel zo´n beetje onder elkaar getrouwd. In die jaren was er bijna nog niemand met een braziliaan getrouwd, dat is pas in de jaren zeventig in gekomen. Opa ziet ze nog zitten Ome Leen, Ome Aart, Ome Wim, Ome Daan, Ome Ai, Ome Lolke … en alle tantes, Tante Ant, tante Went, Tante Wennie, Tante Niesje, Tante Leentje, Tante Suze, en noem  maar op… En allemaal hadden ze tussen de zes en acht kinderen. De kinderen waren in die jaren tussen de vijf en twaalf, dertien jaar, en zij moesten dan gedurende de hele dienst stilletjes in de bank blijven zitten.  Dat viel natuurlijk niet mee, vooral gedurende de preek, daar luisteren kinderen van die leeftijd misschien twee minuten naar. Opa moet glimlachen als hij aan het geschuifel en gewoel in de kerk van toen dacht, vooral het krakend geluid van de snoeppapiertjes die de kinderen kregen om zoet te blijven zitten. Om de paar minuten hoorde je een moeder  “Ssssstt!!” zeggen, of zag hij één van de kleine een draai om z´n oren krijgen .

De gewoonte om iedereen maar oom en tante te noemen bracht wel eens een probleem voor de kinderen. Meester Sijpkes was hier nog niet zolang of hij trouwde met de een van de De Geus dochters, en was toen in één keer oom van de halve kolonie.  Maar de kinderen hebben hem nooit Ome Henk genoemd, hij is altijd gewoon Meester gebleven. Grootvader kan zich trouwens niet voorstellen dat de kinderen de meester in school oom zouden noemen. Hij ziet het al gebeuren, – ‘Ome Henk, mijn rekensom komt niet goed uit…’!- Hij ziet de meester al opvliegen.  Het was ook zo´n probleem toen Dominee van Hattem met zijn familie kwam. De kinderen zagen de deftige mevrouw van Hattem en durfden haar geen tante te noemen, maar toch, de gewoonte maakte het moeilijk om het niet te doen, dus daar werd wat op gevonden, ze noemden haar gewoon Tante Mevrouw.

De preek is net begonnen, in het Portugees, maar Grootopa kan zijn gedachten er niet bijhouden. Ineens moest hij weer denken aan ome Henk Kooy. Kooy werkte al jaren voor de cooperatie in een leidende funktie (misschien ook wel vaak met een lange ‘ij’!) en was een man die van punctualiteit hield… ook in de kerk. Hij had de gewoonte om als hij vond dat het tijd was dat de dominee eens een punt achter zijn verhaal zette, te gaan zitten draaien op zijn plek. En als hij vond dat het écht tijd was voor het ‘amen’ stak hij heel breeduit zijn arm in de lucht en keek eens goed naar zijn horloge en dan naar de dominee. De dominee deed net of hij niks zag, natuurlijk, maar misschien zonder het zelf te merken ging hij toch wat sneller preken.

Rond kijkend viel het Grootopa op dat de mensen nu niet meer in zondagse kleren komen. Nu hoeft dat ook niet meer. Maar vroeger had iedereen speciale kleren om naar de kerk te komen. Dat moest toen ook wel want alle boeren en veelal ook hun vrouwen, werkten hard mee op het bedrijf en door de week kon je aan de mensen ruiken waar ze mee bezig waren geweest: Kippen vangen, varkens laden, kuilgras steken, enz…

Nu hij aan luchtjes denkt herinnert hij zich dat hij net in de krant gelezen heeft dat de koeien een probleem vormen voor het milieu. De methaangassen die uit hun ingewanden komen zijn namelijk slecht voor de ozonlaag in de hoge atmosfeer die de mens tegen de ultravioletstralingen van de zon beschermd. Wat dat precies betekent snapt Opa niet, maar hij begrijpt wel dat de mens weer iets heel gevaarlijks heeft ontdekt. Tot gisteren totaal onschadelijk  beschouwd, was nu ineens een koeienscheet gevaarlijker dan dat hij ooit heeft kunnen dromen en in de toekomst misschien wel verantwoordelijk voor het uitsterven van de mensheid op de aarde.

Over gassen gesproken. Opa moet opeens denken aan een leuk voorval die vroeger in de kerk is gebeurd. Wij allemaal hebben wel eens last van gassen en alle dagen laat iedereen die wel op een zeker moment de vrije gang gaan. Als we in publiek zijn houden we ons in of we doen het heel voorzichtig en lopen dan gauw weg zodat niemand weet wie de omgeving heeft verpest. Maar in de kerk doen we ons best om alles in te houden want je kan daar niet weglopen en iemand anders de schuld geven. Jaren geleden zaten alle ooms en tantes met hun kroost in de kerk toen Ome Bas ineens last kreeg van een luchtbel in zijn buik. Bas was één van die mensen die wij levenskunstenaars  mogen noemen, altijd opgewekt, vrolijk en vol grote verhalen en streken. Maar die zondag voelde hij zich niet zo lekker. Eerst probeerde hij de gasbel weer terug te duwen maar dat lukte niet zo goed. Dus hij zat een beetje draaien en te doen om te kijken of er opluchting kwam maar nee hoor, hij voelde dat het mis ging. Dus concentreerde hij zich goed op de uitlaat en probeerde de lucht er heel langzaam en stilletjes door te laten vloeien zoals zo velen van ons dat wel eens doen als de nood het hoogst is. Of niet soms?  Maar ja, op zulke kritieke momenten kan het noodlot toeslaan. In die jaren lagen er nog geen kussens op de banken en we zaten regelrecht op een kale, gladde plank. En in plaats van het geluid te dempen werkt zo´n gladde plank juist als versterker. Dus in plaats van als een zachte gevaarlijke wind kwam deze er al toeterend uit. De kerk was ineens doodstil.  Zelfs de kinderen hielden op met schuifelen.Toen draaiden ze als één allemaal naar de kant waar Bas zat. Want van hem kon je zo’n streek verwachten. Maar wat doet Bas? Hij draait zich snel om naar Ome Jaap die op de bank achter hem zit en kijkt hem met een beschuldigend gezicht aan. Jaap had niet de snelle tegenwoordigheid van geest als Bas en raakte in de war en voelde een hittegolf naar zijn hoofd vloeien en werd vuurrood. Dan kijkt Bas weer voor zich, heel serieus, schudde meewarig zijn hoofd en wachtte tot de dominee weer verder gaat.

Dát zijn nou de leuke dingen voor de mens!!

Vandaag de dag is trouwen in blijde verwachting heel normaal. Vroeger was dat anders! In zo´n geval wist iedereen dat het stelletje móest trouwen. Foei toch! Heel wat hebben er moeten biechten voor de in de kerk en ook nog moeten beloven het nóóit meer te doen. Ja, waar dat nou precies op slaat heeft Grootopa nooit begrepen…

De trouwerijen waren vroeger ook heel anders. In de kerk stond er hoogstens één fotograaf die wat fotos nam op momenten dat hij de dominee absoluut niet lastig viel. Vandaag de dag mag je blij zijn als je de dominee nog ziet staan. Er staan soms wel tien beroepsfotografen in zwart pak en flitsende apparaten en die duiken dan net als een stel aasgieren over het bruidspaar heen om maar geen detail te missen. De ouders die op de voorste bank zitten zien er dan maar zielig uit. De vader van het bruidje kijkt nog even naar een ouderling met een gezicht van – ‘Ik kan er echt niks aan doen… ik heb niks meer te vertellen’, en geeft zich dan over en laat alles maar over zich heen komen.

Op het feest zelf gaat het ook heel anders. Vroeger kon men nog rustig praten op het feest dat meestal gehouden werd in een mooi versierde stal met dennetakken en rozepapier. Er werden voordrachten gedaan en leuke schetsjes over het leven van het stelletje, alles onder leiding van een ceremoniemeester die het feest aan de gang hield. Er stond toen al wel een clugebouw in Carambeí, maar om daar een feest in te houden was meestal niet naar de smaak van het bruidstel want men mocht er namelijk niet in dansen omdat deze gebouwd was met het hout van de oude kerk die afgebroken is toen de huidige kerk  eind jaren vijftig is gebouwd. Vandaag worden er reuze feesten gehouden in de grote Clube Social en is het lawaai van de muziek zo hard dat je eigenlijk alleen maar een beetje ja en nee zit te knikken net doende of je alles verstaat, en vaak even heel hard meelacht, ook al weet je absoluut niet waar de mop over ging. Nee, je kan het beste maar gaan dansen…

Onder de preek ziet Grootopa dat sommige mensen het toch wat moeilijk krijgen met het opletten. Hij moet een beetje glimlachen en denkt aan Dominee van Hattem. Dominee van Hattem had de meest origineele methode om de mensen allert te houden gedurende zijn preek, die Grootopa zich kan herinneren. Velen hebben het misschien nooit precies in de gaten gehad maar hij deed het volgende: Dominee´s jongste zoontje kon geen sekonde stilzitten, die was altijd in de weer, en dat wist de hele gemeente. Doch in de kerk was hij toch meestal redelijk stil. Maar wat deed dominee nou? Als hij merkte dat er velen van zijn publiek indoezelden  zei hij ineens keihard midden in de preek: “Arie Willem, opletten!!!” En iedereen was plots weer helemaal wakker. Alleen Arie Willem, arm jochie, die voelde zich dan net als Pietje Bell, vol zelfmedelijden.

En zo had iedere dominee zijn eigen kort belangrijk tijdperk. Dominee Muller hield zijn kudde in bedwang met zware preken over zijn geliefde onderwerp ‘De tien geboden’. Hij had toen die tijd één meevaller en dat was dat de kolonie nog niet zo leed onder de wereldse invloed van buiten. De jongetjes in de jaren 30 waren trouwens net zulke grote deugnieten als vandaag de dag. In die jaren stond er een kleine WC buiten de school, je weet wel, zo´n klein romantisch schijthuisje. Maar de jongetjes van toen, de opa´s van nú dus, hadden een leuk spelletje uitgedacht. Als er een meisje naar het hokje ging hoorde je al gauw een schreeuw van – ‘ Jongens, een meid op de plee!!’ – en dan rende er een stelletje op af en gooiden zomaar het hele hokje omver. Tot aan de dag dat ze niet goed opgelet hadden wie er in het hokje gegaan was en dat pas merkten toen die omgeduwd was … daar zat namelijk de juffrouw op de troon, in volle glorie. Toen hebben ze dat spelletje maar afgeschaft.

Dominee van Hattem en Meester Sijpkes hebben in feite de ouders van nu opgevoed. Grootopa keek eens in de kerk rond en zag daar al die gedegen mannen en vrouwen met hun kinderen zitten, sommigen al zelf opa en oma. Allemaal zo tussen de 50 en 60 jaar. Grijze haren of kaal en heel serieus kijkend zitten ze daar in de banken. Een paar ervan in het voorgestoelte als ouderling en diaken. Grootopa weet nog heel goed dat deze eerbiedwaardige ouders ook hun wilde jaren hebben gehad en goed ook. Wie het meest geleden heeft om dezen op het rechte pad te houden is Dominee Witzier geweest. Hij had de eerste generatie onder zijn hoede waarvan bijna alle jongelui in Ponta Grossa of Curitiba ‘verder leerden’ en dus een heel ander blik van de wereld hadden dan de vorige generatie die praktisch niet uit de kolonie was weggeweest. Deze jongelui wisten precies wat er in de wereld buiten de kolonie te koop was.

Dominee Witzier heeft heel wat zaterdagavonden midden in de nacht de beruchte bailes in donkere, lege kippenschuren, alleen belicht met wat flikkerlichten die flitsten op het ritme van de harde rock’n’roll muziek, afgelopen en die met moeite iets over twaalven laten stoppen, onder luid protest van de jongelui. Volgens hem was het grootste probleem niet de wilde dans op de muziek van Creedence Clearwater Revival, nee, het probleem was de schuifeldans op de zogenaamde ‘musica lenta’ zoals van Lobo, en dat begon altijd zo tegen middernacht. Daar kreeg je alleen maar ‘moet-trouwerijen’ van, volgens de Dominee. De jongelui in de jaren zeventig hbben een hele overgang meegemaakt. Ze hadden vroeger als kinderen van tien of twaalf leren walsen van hun moeders op de muziek van Strauss, doch een paar jaar later kwamen de platen van The Beatles, The Rolling Stones, enz… de kolonie binnen. Strauss en James Last lagen in één keer in de hoek. Grootopa denkt dat die nooit meer gespeeld zijn.

‘Amen!’- zegt de dominee en Grootopa schrikt wakker uit zijn herinneringen. Het orgel begint te spelen en het geluid klinkt indrukwekkend door de kerkzaal. Hij kijkt naar de organist die vandaag eens niet achter de schutting zit en ziet Egbert wiegend op de melodie de toetsen bespelen. Opa krijgt een gevoel van respect voor hem die iedere zondag weer, week na week, jaar in jaar uit, trouw de dienst komt begeleiden met muziek. Opa kan zich geen kerkdienst indenken zonder dit orgelmuziek. Gelukkig zal Egbert dit nog wel enige tijd door blijven doen. In zijn gedachten zet Opa de kerkorganisten van de laatste 40 jaar op een rijtje, mevrouw van Westering, Struiving, Ome Auke en nu Egbert. Maar wie zal hem opvolgen? Grootopa weet dat hij zich hier niet te druk over hoeft te maken want er is talent genoeg in onze gemeente, maar of dat talent meekomt met zoveel toewijding en discipline als onze organisten tot nog toe hadden is nog een vraag.

Eenmaal buiten ziet Opa de meeste mensen nog even napraten over het weer en over de prijzen van soja en melk, en ook nog iemand die zei – ‘het was een goeie preek vandaag’. Opa schaamt zich een beetje want hij heeft door zijn mijmeringen zelf helemaal niet goed opgelet en weet niet meer waar het precies over ging. Maar hij maakt zich daar maar niet te druk over, hij heeft al zoveel gehoord dat er wel niet veel nieuws gezegd zal zijn. Hij steekt zijn pijpie aan een loopt met zijn armen achter zijn rug naar huis. Het is zondag dus er zal wel een pan lekkere soep staan wachten.

Dit artikel is geplaatst in het maandblad De Regenboog nummer 151 – Oktober 2011

 

GROOTOPA VERTELT: OP DE WEI

 

Door: Peter Bosch – Carambeí, PR

 

Grootopa is vroeg opgestaan en gaan wandelen. Het is rond halfzes in de ochtend en het schemerlicht zal al gauw door de zonnestralen vervangen worden. Opa ziet dat het een mooie dag wordt en wandelt in gestadige pas door, de frisse ochtendlucht diep in zijn longen ophalend. Het heeft al een paar dagen achtereen geregend en al die dagen was het weer grauw, nat en vies, maar vandaag zal de zon gaan schijnen, en de wereld zal weer mooi lijken. Hij loopt langs een melkboerderij waar de bedrijvigheid te horen is aan het zoemen van de melkmachine en het rammelen van een emmer. Hij voelt de warmte uit de schuur komen. Dan ziet hij dat er een kleine vrachtwagen staat met hoge hekken en een trekker met voorlader is bezig iets op de bak te laden. Opa staat stil en kijkt eens goed naar wat er aan de hand is. Hij kan eerst niet goed zien wat er op de voorlader ligt dat ruw op de bak van het vrachtwagentje geloosd wordt. Plots ziet hij dat het een koe is. Eerst denkt hij dat ze dood is, maar dan hoort hij een zwak gekreun… de koe leeft nog. Aan de vreemd kromgebogen rug ziet Opa dat het beest zijn rug gebroken heeft. Opa kijkt eens in de stal en heeft gelijk door wat er gebeurd is, de vloer is van spekglad cement gemaakt en daarbij nat en onder de stront. Het beest is natuurlijk heel ongelukkig uitgegleden en heeft daardoor haar rug gebroken. Voor de boer een groot verlies. En om het verlies een beetje te minderen heeft hij een slager uit Campo Largo laten komen, één die overal verongelukte dieren opkoopt. Deze slager komt altijd ´s nachts of ‘s morgens heel vroeg, zodat hij geen last krijgt met de politie, want deze hele business loopt zwart. Grootopa had te doen met het beest, een gebroken rug, met de laadschop op een vrachtwagen gemikt worden als een stuk oud vuil en dan ook nog een anderhalf uur moeten rijden tot de slagerij waar ze waarschijnlijk met een grote voorhamer de hersens ingeslagen zal worden.

Opa loopt maar snel door, zijn ochtendwandeling is verpest. Vegetariër zal hij worden… hij hoeft nooit geen vlees meer, alleen maar groente. Alleen maar groente? Dat vindt Opa toch wel een rare gedachte. Moet je eens indenken, alleen maar sla, tomaten en komkommer. Nee, dat gaat toch wel wat te ver, minstens zo nu en dan toch ook maar een eitje of een stukkie vis… en zo nu en dan een lekker stukje karbonade. Na wat beter nadenken, besluit Grootopa toch maar geen vegetariër te worden, maar het vlees dat hij gaat eten komt voortaan alleen maar bij de Perdigão of Sadia vandaan, daar worden de dieren tenminste pijnloos gedood, in zoverre dat mogelijk is. Opa denkt aan Hendrik Harms van vroeger, hoe zal die de beesten geslacht hebben? Dat ging waarschijnlijk ook niet zo diervriendelijk, maar één ding is zeker, Hendrik martelde zijn varkens absoluut niet vóór het slachten. Opa loopt door en mist de prachtige zonsopkomst helemaal. Hij kan het beeld van die arme koe niet vergeten. Dierenbeulen, zegt-ie hardop. Maar wat kan hij daar nu aan doen? Dan krijgt hij ineens een goed idee, hij gaat het alle mensen vertellen door in het Maandblad te schrijven wat hij gezien heeft. O zo, hij gaat de macht van het geschreven woord gebruiken!!

Ja, Grootopa noemt De Regenboog nog steeds Maandblad en vindt eigenlijk dat de naam nooit had moeten veranderen. Hij denkt aan vroeger toen Keimpe dit blad praktisch alleen schreef. Het mooiste van al vond Opa de kleine stukjes met de intelligente humor van de drie personages die Keimpe verzonnen had: Krampie, Kastrie en Poti… Carambeí, Castrolanda en Arapoti. Deze personages liet hij op leuke wijze heel in het kort een situatie beschrijven. In die jaren was er geen telefoon, geen televisie, niks. In Castrolanda en Arapoti luisterde men naar radio Hilversum, iedere avond, en dan moesten de kinderen heel stil zijn want vader en moeder wilden geen woord missen. Zodoende wist men in de kolonies praktisch meer van Nederland en van het wereldnieuws dan van wat er in de kolonies gebeurde, hoewel de afstand tussen de kolonies helemaal niet zo groot is, voor Braziliaanse begrippen natuurlijk. Daarom was het Maandblad toen zo belangrijk! Zo kwam men tenminste iets te weten van hoe het in de andere kolonies reilde en zeilde.

Grootopa loopt langzaam de berg op. Het is vroeg en hij kan lekker midden op de weg lopen want er rijden nog geen auto’s en zo hoeft hij niet zo op zijn stappen te letten, want er liggen nog steeds bagger en waterplassen langs de weg, en kan hij lekker door mijmeren. Als hij zo denkt aan de geschiedenis van de kolonies krijgt hij een gevoel van dankbaarheid aan die paar mensen die er de moeite voor genomen hebben om deze op te schrijven. Als zij dat niet gedaan hadden, zouden de prachtige boeken die van het jaar uitgekomen zijn ter ere van het honderdjarig bestaan van Carambeí, zeer zeker niet compleet geweest zijn. Hij denkt aan Keimpe, Henk Kooy en Borger in Carambeí, in Castrolanda aan mevrouw Kiers en in Arapoti aan Bronkhorst, Floor Bosch en Tiny Salomons. De boeken die zij geschreven hebben, worden met het jaar waardevoller.

Diep in gedachten verzonken loopt Opa verder met zijn uitgebrande pijp scheef in de mond. Hij ziet de plas baggerwater niet liggen en stapt er met één voet pardoes middenin. Opa is ineens weer helemaal wakker en vergeet alle historie. Verdorie, zijn schoen en sok zijn drijfnat. Nou ja, die worden thuis wel weer gewassen in de wasmachine en droger. De vrouwen van vandaag hebben toch maar een kattenleven vergeleken met vroeger, kleren-wasmachine, vaat-wasmachine of een dienstmeid die alles doet. Nee dat ging vroeger wel even anders en Opa denkt aan toen ze hier pas waren, in de beginjaren negentienhonderd. In de stad was wel zeep te krijgen maar dat was duur spul dus maakten de pioniers het zelf van vet en soda. De eerste keren dat ze het maakten kwam er een vreselijk stinkend spul uit hun toverpot, maar met de tijd kregen ze het proces redelijk onder de knie en maakten ze zelf zeep om kleren, vaat, kinderen en zichzelf te wassen. Hij kan zich het recept nog aardig herinneren. Het vet kwam voornamelijk uit de ingewanden van geslachte varkens en koeien, soms werd ook het vet van de buik van het varken gebruikt, maar dit werd toch liever gebruikt om spek van te maken. Hieraan werd een zekere hoeveelheid soda toegevoegd en dan werd dit mengsel opgewarmd in een grote ijzeren of bronzen pan op laag vuur om langzaam tot het kookpunt te komen, dat moest wel zo´n twee uur duren. Gedurende het opwarmen werd het mengsel met een houten lepel constant in beweging gehouden, tot het vet helemaal gesmolten was. Als de inhoud mooi egaal was, zonder stukjes, als een gladde pasta, werd het in houten vormen gegoten en voor twee dagen op een koele plaats gezet, beschermd tegen zon en regen, tot het hard was geworden. Dan werd het in stukken gesneden en zo hadden ze voor een paar maanden zeep. Het hele gedoe stonk natuurlijk wel, maar als het proces goed gebeurde, waren de kleren die ermee gewassen werden prachtig schoon en roken ze best fris… en vroeger gebruikte iedereen deze zeep dus een geurtje meer of minder maakte ook niks uit. Alleen op feestdagen, dan wil iedereen op zijn mooist wezen.

Het vertier in Carambeí was vroeger vooral gebaseerd op picknicken en kamperen. Dit werd dan gedaan op mooie plekjes in de natuur, liefst dicht bij een rivier met een mooi zwemplekje onderaan een kleine waterval. Kamperen ging met een paar families tegelijk, ouders en kinderen, meestal ook echt familie van elkaar. Dat waren dan prachtige dagen en de kinderen genoten met hun ouders die dan ook de grootste lol hadden, meestal wat opgehitst door de pinga en caipirinha’s. Opa ziet Daan nog net als Tarzan van de ene boom naar de andere slingeren, en ome Siebe een lied zingen – ‘ik drink nooit geen pinga meer alleen maar koffie en capilé…’,- wat dat ook betekenen moge.

De grote feesten werden gehouden op de wei. Dan kwamen alle mensen van de kolonie, ook de Brazilianen uit de Vila. Iedereen feestte mee. Er werden spelletjes gedaan te voet en te paard voor groot en klein. De winnaars kregen dan een prijs, en de eerste prijs was wel iets heel speciaals voor die tijd… een reep chocola. Vandaag de dag liggen de supermercado’s er vol mee, maar toen, in de jaren dertig en veertig, was chocola een rariteit. Toch waren er die liever iets nuttigs hadden. Grootopa herinnert zich nog dat Kees de eerste prijs haalde met ringsteken te paard. Trots stapte hij naar voren om zijn premie te ontvangen, maar toen ze hem een reep chocola toereikten, stak hij zijn hand niet uit. De ceremoniemeester keek hem niet begrijpend aan, toen zei Kees – ‘Ik heb liever de tweede prijs’ – dat waren mooie zilveren sporen. Ja, Kees had met zijn vooruitziende blik wel in de gaten dat die reep chocola de volgende ochtend op zou zijn en dat hij hem waarschijnlijk ook nog zou moeten delen met zijn broers en zusters, dat waren er een stuk of tien, terwijl de zilveren sporen over zeventig jaar nog aan de muur van één van zijn dochters zouden hangen.

Het eten op zulk een groot feest was altijd brood met churrasco. De grote lappen vlees werden een avond van tevoren in tonnen met azijn, zout en uien gedaan om de hele nacht te marineren. De volgende dag werden de lappen aan vlijmscherpe houten spitten geregen en dan boven gloeiend vuur gehangen dat in een geul gemaakt was en waarvan de vlammen niet te hoog mochten zijn anders verbrandt het vlees van buiten en is het van binnen nog rauw. Churrasco maken was de specialiteit van de Carambeianen. De Castrolenadezen en Arapotianen konden er niks van. Als er op de fokveedag in Arapoti churrasco gemaakt moest worden, werden er dan ook specialisten uit Carambeí gehaald… de neven Willy en Daan Los. Prachtig was dat om te zien, Daan mager en pezig, Willy groot, dik en sterk en eeuwig met een sigaret in zijn mond. Alle twee een hoed op en daar stonden ze dan met bloeddoorlopen ogen van de rook de groene immigranten van Arapoti vlees te voeren. Het vlees bakken was voor de kinderen van Arapoti helemaal prachtig om te zien. De jongetjes van rond de acht tot tien jaar, bijna allemaal met kaal geschoren koppies met alleen een kuifje haar op het voorhoofd, stonden daar rustig de hele ochtend naar te kijken. Je moest wel echt boerenbloed in je aderen hebben vloeien wilde je liever naar de koeien kijken dan naar die twee Carambeiaanse helden die hun sigaret oprookten zonder hem zelfs maar één keertje uit de mond te halen, en als die op was werd er gelijk weer een andere aangestoken. Met open mond stonden de jongens te kijken als Willy en Daan met schorre stem met elkaar spraken, in het Portugees, dat klonk helemaal stoer natuurlijk, de sigaret scheef in de mond en terwijl ze praatten kwam de rook door hun neusgaten naar buiten. Dát was nog eens roken. En volgens de jongetjes van Arapoti konden zelfs Old Shatterhand en Lucky Luke niet zo goed roken als de cowboys uit Carambeí.

Als je de namen van de Carambeianen in de verhalen van vroeger hoort, raak je in de war. Ze heetten allemaal Jan, Leen, Leentje, Willy, Hennie, Lolke, Bauke en dat geeft de grootste verwarring, want je weet namelijk nooit precies over wie men het eigenlijk heeft, opa, vader, zoon of neef? En dan nog, Leentje, Willy en Hennie waren namen die werden gebruikt voor jongens én voor meisjes dus dat was helemaal verwarrend. Als je in de jaren zestig, zeventig heel hard door de kerk zou roepen – ‘Jan en Leen, kom naar buiten’-, was in een klap de halve kerk leeg. Maar daar is natuurlijk wat op gevonden. Eerst kregen alle Leenen als roepnaam de naam van hun vader bijgevoegd. Zo hadden we hier Leen-Wim, Leen-Jaap, Leen-Ai, Leen-Gijs, Leen-Bas, bijvoorbeeld, maar toen ze groter werden kregen ze andere bijnamen. Daar waren ze in Carambeí vroeger trouwens heel sterk in. Grootopa probeert zich er een stel te herinneren:- Leen potlood, Jan biciclet, Jan winkel, Jan fabriek, Jan kampie, Leen meu fio, Chicletão, Chico pança, Chico poeira, Vaca, Tio pé, Zebu, Mole, Coelho, Sapo, Berne, Dentinho, Picante, Pincha, Wim kip, Tutus, Bossie, Gigante, Fonfon en ga zo maar door. We hebben er zelfs tussen van wie de meeste mensen waarschijnlijk de echte naam niet eens weten zoals Chanco en Panoka, bijvoorbeeld.

Dus werden de mensen van de andere kolonies vroeger onderwezen door de Carambeianen, hoe je hier moest overleven. En niet alleen van die kleine dingen zoals churrasco bakken, nee, ook in het zakelijke leven.

Toen de Castrolanda-groepen arriveerden in de beginjaren ‘50, hadden deze in Nederland al een coöperatie voor Castrolanda gesticht, doch de statuten werden in Brazilië niet goedgekeurd en moesten aangepast worden aan de Braziliaanse wetgeving. Dat is toen gedaan door Keimpe van der Meer. Met dit probleem eenmaal opgelost kon deze coöperatie samen met de coöperatie van Carambeí een Centrale Coöperatie vormen, wat het zakelijke leven in het begin van de nieuwe kolonie natuurlijk erg vergemakkelijkte. De nieuwelingen uit Castrolanda waren in Nederland praktisch allemaal lid van één of andere coöperatie geweest en kwamen natuurlijk met veel nieuwe ideeën aanzetten, maar die werden meestal niet met het verwachte enthousiasme door de Carambeianen ontvangen, en dat gaf nogal wat wrijving. Dus de bestuursvergaderingen van de Centraal waren nou niet direct evenementen waar de afgevaardigden van Castrolanda en Carambeí iedere maand weer zo graag naar toe gingen. Zeker niet. Maar toch liep de zaak goed en het belangrijkste was dat men groeide.

Hoewel allemaal Nederlanders, waren de mensen van Castrolanda toch anders dan die van Carambeí. Er is niks wat de mens onderling sterker bindt dan de taal. Het waren allemaal Nederlanders, maar toch… Er is nooit een homogenere groep emigranten naar Brazilië gekomen dan de mensen van Castrolanda. Deze kwamen hoofdzakelijk uit het noordoosten van Nederland – Groningen, Drenthe en Overijssel. Zij konden onder elkaar aan hun dialect precies horen wie uit welke provincie kwam, maar voor de Carambeianen klonk het allemaal hetzelfde. Ze spraken heel snel en slikten de woorden half in. Zo was er op een dag afgesproken dat Jan van Kampie een paar nieuwe boeren uit Castrolanda zou ontvangen omdat ze batata-doceranken wilden kopen. Jan was net wat stro in de kalverhokken aan het strooien toen de visite arriveerde. Het waren een paar vrolijke en snelpratende jongens van Rabbers. Jan wilde goeiendag zeggen maar ze waren hem voor en zeiden met uitgestoken hand – ‘goei’ndag, de Geus, wie kom’n uut Kas’land en wold’n groag wat petatt’n rank’n koop’n’ zoas afsprook’nis’ – Jan schrok zich te barsten. Hij verstond namelijk niet wat er gezegd werd! Hij was in Brazilië geboren en het enige Nederlands wat hij geleerd had, was het plat Hollandse dialect wat gesproken werd in Zuid-Holland in de buurt van Dordt, ‘s-Gravendeel en Zwijndrecht. Dát was voor hem de Hollandse taal. Grootopa weet nog hoeveel moeite het mevrouw Boot gekost heeft om het Carambeí kerkkoor ‘Heilige Nacht’ te laten zingen in plaats van –‘Haaaaaailugge naaaeecht’. Steeds weer opnieuw liet zij het koor herhalen tot het fatsoenlijk Nederlands klonk. Maar daar stond Jan toen met z’n mond vol tanden en hij dacht – ‘Sodekraai, ik ben het Hollands verleerd!!’. Hij verstond absoluut niet wat die mensen uit Castrolanda zeiden. Gelukkig konden dezen natuurlijk ook wel gewoon Nederlands spreken en zo is alles toch nog weer goed gekomen.

En zo liep de integratie tussen de kolonies best aardig. In Arapoti zijn mensen uit Castrolanda en Carambeí gaan wonen en zo had deze kolonie dus meteen familierelaties met alle andere kolonies. Maar toch, de kinderen die daar geboren werden voelden zich Arapotiaan en geen Castrolandees of Carambeiaan.

Later, intern op het Instituut in Castro, trokken de jongelui van de kolonies helemaal met elkaar op en men zou toch kunnen verwachten dat de drie kolonies binnen een paar jaar tot één grote coöperatie uit zouden kunnen groeien,… maar daar is nooit niks van gekomen en het zal wel nooit niks worden ook. In Nederland zelf zijn de honderden melkcoöperaties van vroeger allemaal aaneengesloten en reusachtige wereldconcerns geworden, kijk maar naar Friesland Campina. Maar de drie, laten we eerlijk zijn, kleine coöperaties, door de Nederlandse immigranten opgericht in de staat Paraná, vlakbij elkaar, zijn niet in staat om als één grote coöperatie samen te werken. Wat daarvan de reden dan ook wezen mag. Nu weet Grootopa natuurlijk ook wel dat het helemaal niet zo zeker is dat het de boer ten goede zou komen als de drie één zouden worden. Dat is beslist helemaal niet zeker… Als ze elkaar maar niet gaan beconcurreren, en de verkoopprijs altijd een beetje voorzichtig met elkaar afspreken is er volgens hem niks aan de hand. Integendeel. Het zal toch wel héél lang duren voordat de rest van Brazilië melk met kwaliteit produceert die kan tippen aan de melk die door onze drie coöperaties geleverd wordt.

Grootopa loopt nog steeds in zijn gedachten verdiept, en zijn doorweekte sok en schoen maken bij ieder stap dat vieze natte geluid… schhhullll… schhhulll… Hij lacht een beetje in zichzelf en denkt aan hoe de mensen hem zouden zien als ze hem daar zo zien sjokken. In de zeventiende eeuw waren volgens de Engelsen de Hollandse boeren de lelijkste mensen van Europa, ze hadden namelijk geen kont, volgens hen. Nou, denkt Opa, als ze mij hier zo zien sjokken denk ik niet dat ze van opinie veranderen.

Met de opkomende zon wordt zijn humeur ook weer beter. Hij is de koe helemaal vergeten, en staat er plotseling versteld van hoe ver hij al gelopen is, praktisch zonder het zelf te merken. Ja, als men in gedachten verdiept is en over iets piekert, lijkt het wel of je op de automatische piloot gezet wordt. Zo moet Grootopa opeens denken aan een prachtig verhaal dat hij eens in Castrolanda gehoord heeft. Écht gebeurt, volgens zeggen. De immigranten daar hadden in de jaren vijftig niet allemaal een auto, dat was veel te duur, dus gingen zij met andere vervoermiddelen naar het centrum, naar een feest of naar de kerk. Ja, en dan zaten ze in het stof of in regen en wind natuurlijk. Pa Kiers had daar wat op gevonden en van een wagentje achter de trekker een mooie huifkar van hout gemaakt, zo konden ze lekker schoon en droog reizen. De hele familie Kiers paste erin en ook nog wel wat buren, indien nodig. Op een avond kwam de familie van een feest op het centrum terug naar huis rijden. Het regende een beetje, Jan had een beschermende regenjas over het hoofd getrokken… en daar gingen ze. Toef toef toef toef. Het wagentje hobbelde met zijn waardevolle vracht langzaam over de modderweg huiswaarts. Eerst bij de buurman aan om die te lozen. Kiers rijdt het pad van het bedrijf van de buurman op, stopt zo dicht mogelijk bij de deur van het huis en wacht verscholen onder de jas tot de buurman een schreeuw zou geven van ‘goeienavond en bedankt!’. Hij zat op de tuffende trekker te wachten maar niemand zei niks. Een beetje geërgerd, maar voorzichtig om niet nat te worden, kijkt hij achterom, – “Waarom zegt die vent nou niks?!”, denkt hij. Dan krijgt Kiers de schrik van zijn leven. Hij ziet geen kar meer achter de trekker!! Hij gooit de jas van het hoofd om goed te kunnen kijken en kan het bijna niet geloven. Hij kijkt het pad af maar ziet daar ook niks. Dan vliegt hij weer recht voor het stuur van de trekker en vol gas rijdt hij terug, zonder jas over het hoofd, het kan hem niks meer schelen dat hij nat wordt… Daar ziet hij in de verte opeens de kar staan. Gelukkig. Wat was er nou gebeurd? Toen hij met trekker en kar over een bruggetje reed, is de pen eruit geschoten en bleef het karretje staan, terwijl Kiers rustig door tufte, kromgebogen over het stuur en hoofd onder de regenjas, diep in gedachten. De jongens, de vrouw en de buurman hebben nog wel heel hard staan roepen – en denk erom dat de buurman dat kon! – maar pa Kiers hoorde niks en tufte onverstoorbaar door. Zijn vrouw vroeg hem later waar hij trouwens zo aan zat te denken dat hij niks hoorde. Pa Kiers heeft het nooit verteld maar Grootopa heeft een vermoeden. Kiers zat namelijk in alle besturen die er waren in de kolonie, ook in het bestuur van de Centrale Coöperatie, en de volgende maandag zou hij in Carambeí weer vergadering hebben. Grootopa wil er wat om verwedden dat Kiers zich daarop zat voor te bereiden.

 

Dit artikel werd geplaatst in het nummer 152 van het maandblad De Regenboog in november 2011 

 

GROOTOPA VERTELT – HET KI-STATION

 

door: Peter Bosch

 

Nee, nee, nee!! Grootopa verzint niets. Grootopa was overal zelf bij. Hij heeft alles meegemaakt, alles gezien, alles gehoord, alles zelf geproefd… en geroken. O, hij heeft zo veel meegemaakt, samen met al die mensen die de kolonies opgebouwd hebben. Wat hebben ze hard moeten werken allemaal, en wat hebben ze zware tijden gehad, maar wat hebben ze ook samen kunnen lachen om de komische gebeurtenissen. Volgens de Joden is de grootste deugd van de mens de capaciteit om om zichzelf te kunnen lachen, en die deugd bezaten de pioniers. Niettegenstaande alle moeilijkheden en tegenvallers,… bleven ze lachen. Als ze ook niet om zichzelf hadden kunnen lachen, was de kolonisatie misschien nooit geslaagd.

Het is nu alweer december 2011, bijna kerst en oud en nieuw, en Grootopa herinnert zich de eerste kerst die ze gevierd hebben in Gonçalves Junior, meer dan honderd jaar geleden. Ze dachten toen aan de familie in Nederland die waarschijnlijk een mooie kerstboom had staan met dure glazen ballen, ballen die ieder jaar weer heel voorzichtig uit de watten gehaald werden om de boom te versieren. Ze zouden dicht bij de kachel zitten want buiten was het ijskoud natuurlijk en er zou wel een pak sneeuw liggen.

In Gonçalves Junior was het een snikhete kerst. Maar kerst is kerst en daarom had iedereen voor een kerstboom in huis gezorgd, meestal een klein pinheiroboompje dat werd versierd met witte watten en een paar van gekleurd papier gemaakte sterren, en sommigen zelfs met uit Nederland meegebrachte kerstversieringen. Onder de kerstboom lag wat snoep in een mooi doosje verpakt en zelfgemaakte koekjes. Zo hadden de immigranten onder elkaar toch de sfeer van kerst en dat hadden ze hard nodig om de moed erin te houden en om door te gaan. Vooral voor de kinderen was het belangrijk. Voor een kind bestaat er geen mooiere tijd in het jaar dan de kerstweek. Gelukkig kunnen kinderen dingen snel vergeten en overgroeien ze hun verdriet, en het kerstfeest lijkt helend te werken voor wonden aan de ziel. Ja, de geschiedenisboeken vermelden dat ze het moeilijk hebben gehad in Gonçalves Junior, maar toch is er geen beschrijving in die boeken die de realiteit kan weergeven. Grootopa ziet het in flitsen weer levendig voor zich, een moeder gebogen over het kistje van haar kind barst in snikken uit, de hartverscheurende snikken doen haar lichaam schokken… De vader staat er handenwringend bij en kan geen woorden vinden om zijn vrouw te troosten… dan ziet hij de kinderen huilend kijken naar hun ouders die elkaar zure verwijten naar het hoofd slingeren over wie wie heeft overgehaald om naar dit rot land te komen…

Maar op kerstavond lijkt het of alles toch weer goed zal komen. Het schemerde, de korte, tropische schemering die snel voorbij zou zijn, en in de huisjes werden de kaarsen en olielampen alvast aangestoken. Grootopa ziet het weer allemaal als in een film voor zich. Daar zaten ze, vader, moeder en twee kinderen op de veranda van hun kleine huisje in Gonçalves Junior. Door de zachte wind hadden ze gelukkig eens een keer niet zo veel last van de muggen hoewel ze zo nu en dan toch een insect moesten doodslaan. Ze spraken niet, ieder was in zijn eigen gedachten verdiept. Het gezellige, stille samenzijn. Vader tuurde omhoog en wees met een vinger, allemaal keken ze naar de nachthemel en zagen het Zuiderkruis duidelijk staan. In de verte werd met een mooie schorre stem het Stille Nacht gezongen… en even later klonk er een blijde kinderschaterlach.

Als we aan Gonçalves Junior denken, lijkt het net of het daar alleen maar ellende is geweest voor iedereen, maar dat is natuurlijk niet het geval. Net zo goed als niet alle Nederlandse emigranten daar havenarbeiders waren! Velen hebben ellende meegemaakt vooral door sterfgevallen van kinderen, vrouw en moeder, en zij die dan niet heel stevig in hun schoenen stonden, konden dit niet aan. Maar velen hebben niets van dit verschrikkelijke meegemaakt en vooral in het begin hadden ze in die kolonie best veel plezier. Op foto’s van die tijd zie je veel lachende mensen, vaak met gitaar en accordeon in de hand en met elkaar dansende stelletjes. Mensen onder elkaar vinden altijd wel een manier van vermaak. Vooral degenen die in Nederland al met land en dier gewerkt hadden, hadden het best naar hun zin in de kolonie. Zo was het met de familie Vriesman. Jan Vriesman had zijn leven lang met spa en riek gewerkt en de familie leefde best aardig in Gonçalves Junior niettegenstaande dat het geld praktisch op was. Maar het overlijden van zijn vrouw, Jacoba, heeft van Jan een verbitterd man gemaakt, zó dat hij het later zelfs in Carambeí niet meer kon uithouden. Hij is toen terug naar Nederland gegaan met zijn dochtertje, zijn vier zoons achterlatend in Carambeí waarvan de jongste slechts acht jaar oud was.

Het was heel hard werken vroeger, ook in Carambeí. De koeien gaven bijna geen melk in vergelijking met de koeien die vandaag de dag op stal komen. Dat zijn gewoon wandelende melkmachines. Toen de eerste boeren in Carambeí kwamen, hadden ze koeien die zo’n zes liter melk per dag gaven. Maar toch, ze gaven dezelfde hoeveelheid werk als koeien met een hedendaagse melkproductie. Ze moesten gevoerd worden, opgehaald op het land ’s ochtends vroeg in het donker, bij wind en regen, en ze moesten gemolken worden met de hand. De koeien ophalen in het donker vond Opa altijd een hele gewaarwording. Op extra donkere dagen zag je vaak geen hand voor ogen. Grootopa kwam het huis uit en pakte zijn schoenen die altijd buiten op de veranda bleven staan. Hij klopte ze eerst even goed uit want er kon wel een schorpioen of een kleine slang ingekropen zijn, dan stak hij zijn blote voeten erin, sokken dragen was geen gewoonte toentertijd, en liep dan het donkere erf op. Omdat ieder zijn bedrijf natuurlijk perfect kent, liep hij als een blinde gewoon op zijn gevoel. Hij stak de stallantaarn aan, opende dan de staldeur en ging vervolgens met voorzichtige stappen het land op. In het donker hoorde hij niks anders dan de diepe zuchten van de koeien en als het gevroren had het kraken van het bevroren gras. Hij wou de stilte niet verbreken dus zei Opa zachtjes – “ko, ko, koooo…” – En dan hoorde hij de beesten steunend opstaan om naar de stal te lopen waar het zwakke, gele flikkerlicht van de petroleumlamp hen opwachtte…

Jarenlang hebben de eerste boeren zo geboerd. Koeien die weinig melk maar veel werk gaven. En wat was het een geworstel om altijd maar weer voor voer te zorgen. Die tijd waren spurrie en klaver de meest gebruikte gewassen. De foto van Bezemer met de zeis aan het spurrie maaien is bekend in de geschiedenisboeken van Carambeí. Maar van spurrie schijten de koeien ontzettend en van te veel klaver krijgen ze vaak windpens. Als dat gebeurde, moesten de kleine jongens het beest een hele tijd in beweging houden want daar zou de windpens van wegtrekken. De jongens hebben wat afgelopen met een stokkie het beest almaar weer opjagend. Ze zagen de opgezette pens niet verminderen, dus riepen ze –“Pa, het helpt niks, mag ik ophou…”-, maar onveranderlijk kwam er dan een snauw – “Déurloopu!!!”-, en daar konden de jochies het mee doen.

In de dertiger jaren, kwamen er nieuwe mensen naar de kolonie en die begonnen over de noodzaak van moderne technologie te praten. Grootopa herinnert zich dat de coöperatie daar gehoor aan heeft gegeven. Siem Biersteker bracht nieuwe kennis wat betreft landbouw, Steffen Elgersma stelde toen al voor dat er melkcontrole gehouden moest worden, meester Jacob Voorsluys gaf lezingen over veevoeding en zo probeerde de kolonie zich technologisch omhoog te werken. Het eerste zaadje van wat jaren later de DAT zou worden, is toen geplant.

Eind jaren veertig bracht Bauke Dijkstra eersteklas vee mee naar Carambeí en, zeer belangrijk, ook een goeie stier. Deze stier had helemaal geen zin om naar Brazilië te vertrekken en is overboord gedoken om terug naar Friesland te zwemmen. Ze hebben hem weer aan boord gehesen en toen met veel zoete beloften toch naar Brazilië gekregen. Ja, stieren, daar kan je wat mee beleven. Dit was de grote stap in de richting van het in Carambeí opbouwen van één van de beste veestapels van Brazilië.

“Een goeie stier is het fundament van je bedrijf”, zei Bronkhorst in Arapoti altijd en daar zijn alle boeren het mee eens. Maar een stier op je bedrijf is ook levensgevaarlijk. Er zijn heel wat ongelukken gebeurd met deze machtige, wilde dieren. Ze zeggen niet voor niets ‘gevaarlijke stierenogen’! Koeien kijken dom uit de ogen, een stier kijkt kwaadaardig.

In 1955 is in Castrolanda het KI-station ingewijd waar met de modernste technologie van die tijd het sperma van de beste stieren gewonnen werd om de koeien in de kolonies kunstmatig te insemineren. KI staat voor Kunstmatige Inseminatie. Dat was een hele verbetering. Ten eerste hoefde men geen stier meer op het bedrijf te hebben en ten tweede had men zo de bloedlijnen van de koeien onder controle, en dat was veel waard vooral met de groeiende handel van het steeds bekender wordende vee van de Hollanders uit de kolonies. Door het hele land werden de zwartbonte koeien verhandeld.

Begin jaren zestig. Grootopa is op een dag nieuwsgierig en gaat een kijkje nemen hoe dat nou precies in zijn werk gaat op het KI-station. Diep onder de indruk loopt hij met zijn handen op zijn rug door het gebouw naar de reusachtige dieren te kijken die gelukkig individueel in sterke hokken vastzitten. Als hij over de deur van het hok kijkt, steekt de stier onveranderlijk zijn kop omhoog en geeft een diepe snuif. Aan ieder hok hangt een bord met de stoere namen van de stieren: Midhukster Patriot, Villeneuve, Star, Astronaut, Centurion Rocket… Dan komt hij bij het laboratorium waar een geleerd uitziend man in een witte jas achter zijn tafeltje zit. Opa laat hem maar rustig doorwerken, hij wil de vooruitgang niet storen met domme vragen. Opa loopt weer naar achteren en ziet daar een koe staan met haar kop tussen de staken. Hij noemt haar voor het gemak Clara Vier. De stieren hadden Clara Vier ook al opgemerkt, hoort Opa aan het bonken en stampen in de hokken. Hij ziet een man naar een van de hokken lopen, op het naambordje staat Pansy Foundation. De stier staat met zijn neus in de lucht te wachten en de man kan zo een touw aan de neusring binden. “Die vent kan goed met die beesten omgaan”, zegt Opa bij zichzelf. De man doet de deur open en daar komt Pansy Foundation in volle majesteit aanstappen. Kop in de lucht, snuivend en het slijm slingert alle kanten uit. Eén brok spieren en opgekropte energie. De man houdt hem stevig vast, dicht bij de ring. Opa ziet dat de man met de witte jas ondertussen ook is gekomen. Hij staat dicht bij Clara Vier en heeft één of ander rubber ding in zijn handen. Pansy Foundation krijgt steeds meer haast en heeft alleen nog maar oog voor Clara Vier. De Witte-Jas had zijn aandacht niet… en dat was nou zijn fout. Pansy Foundation steigert en… maar de Witte Jas is hem net voor en duwt heel snel het rubberen ding tussen Pansy Foundation en Clara Vier en het nageslacht van Pansy Foundation wordt opgevangen in een glazen fles. Opa ziet aan de oren van Pansy Foundation dat hij doorheeft dat-ie genaaid wordt… helemaal voor de gek gehouden! Hij daalt weer neder, maar al zijn majesteit is verdwenen. Opa heeft met het beest te doen. Van de stoere Pansy Foundation is nog maar een Pansy overgebleven. Zelfs de kleine stierenogen staan niet wild meer, en met zijn kop omlaag wordt Pansy terug naar zijn hok geleid… zonder gesnuif en zonder gespetter. Grootopa heeft genoeg gezien en loopt weg. Toen hij langs het laboratorium kwam, zag hij nog net de Witte-Jas Pansy’s nageslacht in pipetten opzuigen en in de diepvries doen. Ja, denkt Opa, de mens krijgt de natuur steeds meer in zijn macht. Dat is technologie. Het natuurlijke genieten verdwijnt!!

En zo werd het vee in de kolonies steeds beter geselecteerd. Maar er moest meer gebeuren. In de jaren zeventig is de DAT (Departamento de Assistência Técnica) opgericht, de grote kracht hierachter kwam van Dim Vermeulen. In die jaren kwam ook de eerste generatie jongeren van de universiteit af zoals veeartsen, landbouwingenieurs, ingenieurs, bedrijfskundigen, enz… velen van hen werden meteen aangesteld door de DAT om de boeren technische voorlichting te geven. Dim leidde dit met ijzeren hand en hij wist precies wat hij van zijn jongens wilde. Nou, zijn jongens hebben wat afgereden in hun witte Fusca’s door de kolonies, alle boeren langs. Grootopa herinnert er zich een paar, Henk Kassies, Jaap Voorsluys, Wim Jonker, Carlito Los, Richard Biersteker en dan nog een paar uit Nederland gehaalde technici zoals Toby Katsman, Sjaak de Best, Willem Stenveld… En we mogen zeggen dat Dim en zijn jongens perfect werk geleverd hebben. De koeien-, varkens- en kippenboeren hebben hiervan tot het uiterste geprofiteerd. Opa moet ook denken aan Hans Peeten die hier de vollegrondzaai praktisch heeft ingevoerd met medewerking van boeren zoals Franke Dijkstra die als één van de enthousiaste voorlopers dé grote propagandist van deze techniek door heel Brazilië is geworden, en in het buitenland, en dat tot zelfs op universiteiten in de Verenigde Staten waar notabene deze techniek oorspronkelijk ontwikkeld is. Frankes leuze is – “No Tillage and Sustainability”.

Deze vollegrondzaai was in de jaren veertig, vijftig al ontwikkeld in de Verenigde Staten nadat in de jaren dertig die bijzondere Dust Bowls of Black Storms ontstaan waren, vooral in staten als Nebraska, Kansas en Oklahoma. De hoogvlakten waren daar door de jaren heen zo uitgemergeld door diepploegen en het planten van monoculturen dat wanneer er een droogteperiode kwam de bovenste laag van de grond één dikke laag los stof werd. Toen, door een vreemd klimaatfenomeen, kwamen er windstormen opzetten die ontzettend grote stofwolken de lucht inbliezen. De grootste is ontstaan eind jaren dertig in Oklahoma. De stofwolk werd 800 meter hoog en over de 300 kilometer breed, ja, u leest het goed, 300 kilometer, en die is van Oklahoma over Washington tot een eind de Atlantische Oceaan op geblazen… zo´n 2500 kilometer van de plaats waar hij ontstaan was. Door het stof kon men geen meter ver meer zien. Duizenden boeren zijn toen failliet gegaan. De kranten over de hele wereld stonden er vol van. Het geluk was dat de stofwolk ook over Washington gegaan is en als de President niet op tijd zijn kantoorraam dicht had gedaan, had zijn stoel helemaal onder het stof van Oklahoma gezeten. Diep geschrokken heeft de Amerikaanse Regering alle specialisten van het land opgetrommeld en gezegd dat er een oplossing moest worden gevonden en dat dit zich niet mocht herhalen. Toen is deze nieuwe methode ontwikkeld.

In de kolonies hebben we ook onze kleine dust bowls gehad, maar het grote probleem hier was in feite het spoelen. Wanneer het land er prachtig glad en ingezaaid bijlag, kwam er zo’n typisch Braziliaanse regenval, en we weten allemaal hoeveel water er dan kan vallen in één uurtje. Met zo´n bui spoelde soms wel meer dan 30 % van het bouwland de rivier in. Groot verlies voor de boer. Maar toen kwam Hans Peeten met de nieuwe methode en de boeren met de moed om die hier te testen. Dat is de redding van de landbouw in Brazilië geweest!

De DAT-krant met haar technische artikelen was een bekend en graag gelezen blad in heel het land. De jaren zeventig en tachtig waren op dit gebied de jaren van een gigantische technische vooruitgang. Ook de zuivelfabriek heeft hier natuurlijk van geprofiteerd want die kreeg de beste melk van Brazilië aangevoerd en haar producten werden bekend als zijnde van de hoogste kwaliteit. Goeie melk, goeie producten, slechte melk, slechte producten… zo is dat nu eenmaal.

Nu, bijna zestig jaar later, moet Grootopa nog lachen als hij denkt aan Clara Vier toen hij het KI-station uitliep, zij keek hem na met zulke domme niet-begrijpende ogen… mooie tijden waren dat. Het boeren was in die tijd al heel wat anders dan toen ze in 1909 in Gonçalves Junior aankwamen. De meesten kwamen zonder misschien ooit een koe aangeraakt te hebben. Daar zaten ze toen, zonder leiding of enige technische voorlichting. Dat kon toen alleen maar misgaan!

Opa steekt zijn pijpie weer aan. December 2011, het jaar dat de historie ingaat als “Ano Brasil–Holanda”. Dat is een eerbetoon aan de ploeteraars van het begin van de vorige eeuw. Deze hadden nooit durven dromen dat het de kolonies ooit zó goed zou gaan. Grootopa zelf ook niet, trouwens.

 

 

Dit artikel werd reeds geplaatst in het Maandblad De Regenboog nummer 153 – December 2011